Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE9393

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
C01/204HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE9393
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 671
JWB 2002/450
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C01/204

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 4 oktober 2002

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiser tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 21 augustus 1975 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

1.2 Die huwelijkse voorwaarden bepalen onder meer:

"Artikel 1.

Er zal tussen de comparanten geen enkele vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan. Deswege zullen de goederen, die de comparanten ten huwelijk aanbrengen of staande huwelijk verkrijgen alsmede de schulden door hen voor- en tijdens hun huwelijk aangegaan of aan te gaan, eigen blijven aan- en voor rekening blijven van hem of haar wie zij toebehoren, aankomen of betreffen.

(...)

Artikel 4.

Bestaat tussen de echtgenoten geschil aan wie van hen enig goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.

Artikel 5.

Alle kosten van de gemeenschappelijke huishouding en van de verzorging en opvoeding der uit het huwelijk van partijen geboren kinderen komen ten laste van de man.

(...)"

1.3 In de huwelijkse voorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen.

1.4 Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

1.5 Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 11 september 1997 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke uitspraak op 18 september 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.6 Bij dagvaarding van 3 maart 1997 heeft de vrouw primair gevorderd dat de rechtbank te Haarlem de man veroordeelt op straffe van een dwangsom er aan mee te werken dat een tweetal bankrekening bij de ING Bank N.V. ten name van de vrouw worden gesteld.

Bij incidentele conclusie tot voeging heeft de man gevorderd dat de rechtbank laatstgenoemde procedure zal voegen met de procedure waarin de man afgifte van een drietal auto's vordert.

Bij vonnis van 18 november 1997 heeft de rechtbank de voeging van de zaken wegens verknochtheid bevolen.

1.7 Vervolgens is voortgeprocedeerd. De conventionele vorderingen van de vrouw en de reconventionele vorderingen van de man luiden zoals vermeld in rechtsoverweging 2 van het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 25 mei 1999. Kort gezegd vordert de vrouw naast de hiervoor vermelde tenaamstelling van de bankrekeningen, een aantal goederen als haar eigendom op.

De man vordert verdeling van hetgeen partijen tijdens hun huwelijk door samenwerken als "winst" hebben gegenereerd, omdat de "koude uitsluiting", waarvan in de huwelijkse voorwaarden tussen partijen sprake is, in strijd is met de wettelijke normen van het huwelijk en partijen op grond van die normen gehouden zijn om te verdelen.

1.8 De rechtbank heeft bij vonnis van 25 mei 1999 geoordeeld dat de onderhavige opvattingen van de man geen steun vinden in het recht. Zij heeft het volgende overwogen (rov. 7):

"(...) De wet biedt (aanstaande) echtgenoten de mogelijkheid tot het maken van huwelijkse voorwaarden, ook van zodanige dat iedere vermogensrechtelijke gemeenschap wordt uitgesloten. De wet biedt voorts de mogelijkheid om bij huwelijkse voorwaarde af te wijken van de in de wet gegeven regeling omtrent het bijdragen door de echtgenoten in de kosten der huishouding, waardoor bij een uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap de - ook reeds bij het sluiten van huwelijkse voorwaarden vóór het huwelijk - voorzienbare situatie kan ontstaan dat de ene echtgenoot tijdens het huwelijk alle kosten der huishouding betaalt en daardoor geen enkel eigen vermogen opbouwt, terwijl de andere echtgenoot niets aan de kosten der huishouding bijdraagt en zijn of haar gehele inkomen aanwendt voor het opbouwen van eigen vermogen. Als echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben die zulk een situatie mogelijk maakt en zij of één van zich daarin niet (langer) kunnen/kan vinden, kan, wanneer het huwelijk tenminste een jaar heeft bestaan en behoudens goedkeuring van de rechtbank, steeds wijziging van de huwelijkse voorwaarden worden overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat mede vanwege die mogelijkheid in het algemeen niet gezegd kan worden dat een beroep van de ene (gewezen) echtgenoot jegens de andere (gewezen) echtgenoot op eigendomsrechten voortvloeiende uit een situatie als hiervoor geschetst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. (...)"

1.9 Vervolgens heeft de rechtbank de door de vrouw genoemde onderdelen van haar vordering per onderdeel beoordeeld. De rechtbank heeft in conventie de gevorderde tenaamstelling van de bankrekeningen toegewezen, een aantal andere onderdelen afgewezen, een comparitie van partijen gelast ten aanzien van een aantal onderdelen en iedere verdere beslissing aangehouden. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van de man grotendeels afgewezen; de rechtbank heeft op vordering van de man bepaald dat bepaalde schulden bij uitsluiting aan de vrouw zullen verblijven.

1.10 De man is bij exploiten van 9 augustus 1999 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De man heeft vervolgens grieven geformuleerd en zijn eis zodanig gewijzigd dat deze is komen te luiden als vermeld in rechtsoverweging 1.2 van het bestreden arrest. De vrouw heeft de grieven bestreden en incidenteel appel ingesteld. Haar vorderingen heeft het hof onder rechtsoverweging 1.3 vermeld.

1.11 Samengevat weergegeven heeft het hof bij arrest van 29 maart 2001 het vonnis in reconventie bekrachtigd behoudens voor zover de drie auto's betreffende. Voorts heeft het hof partijen veroordeeld om de auto's MG A, MG B en het karkas van een Jaguar met elkaar te verdelen, ervan uitgaande, dat deze gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn. In conventie heeft het hof de man veroordeeld een bedrag aan de vrouw te betalen en het vonnis in conventie voor het overige bekrachtigd. Ten slotte heeft het hof de zaak naar de rechtbank terugverwezen ter verdere berechting en beslissing.

1.12 De man heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft ter gelegenheid van het mondelinge pleidooi op 13 september 2002 primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de man en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten bij die gelegenheid mondeling doen toelichten. De man heeft een akte bij pleidooi genomen.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel bestaat uit diverse klachten.

2.2 De eerste twee klachten van het middel komen op tegen rechtsoverweging 5.2 waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"Wat grief a. betreft verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen in het vonnis waarvan beroep onder 7. Het hof sluit zich daarbij aan en neemt dat over. Het in hoger beroep aangevoerde werpt daar geen nieuw licht op, met dien verstande, dat het beroep op artikel 4 EVRM wordt verworpen, omdat toepassing van de Nederlandse wettelijke regels omtrent het huwelijksgoederenrecht met inbegrip van de rechtspraktijk van het bij HV overeenkomen van een zogenaamde koude uitsluiting geen strijd oplevert met bedoelde bepaling, omdat naar 's hofs oordeel geen sprake is van een der gevallen als in dat artikel bedoeld."

2.3 Het middel klaagt onder 1.1, 1.2 en 1.3 (blz. 2, 3 en 23 ) allereerst dat het hof zich met een "Jantje van Leiden" heeft afgemaakt van zijn gehoudenheid zijn beslissing te motiveren door ten aanzien van grief a. - met uitzondering van het beroep op art. 4 EVRM - te verwijzen naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Voorts heeft het hof het recht geschonden omdat het hof de schending van het recht van de rechtbank - waartegen de man had gegriefd - tot de zijne heeft gemaakt, aldus het middel.

Betoogd wordt (blz. 3-24) dat de traditionele benadering van de overeenkomst "huwelijk" als strijdig met het stelsel der wet moet worden verworpen, omdat de rechtspraktijk ten aanzien van het huwelijk het verbintenissenrecht niet onderkent. Het huwelijk moet worden gezien als een vorm van samenwerking die eventueel een gemeen samenwerkingsvermogen genereert; het verdelen van de winst of het verlies behoort tot de verplichtingen die de huwelijksovereenkomst aan de echtelieden oplegt. Het middel betoogt voorts dat de verplichting de winst te verdelen valt te destilleren uit de definitie van de huwelijksovereenkomst neergelegd in art. 1:81-1:83 BW.

2.4 De motiveringsklacht faalt. Het hof heeft feitelijk en in cassatie niet bestreden geoordeeld dat de man in grief a. geen nieuw licht heeft geworpen op hetgeen hij bij de rechtbank grief ten aanzien van dit onderwerp heeft aangevoerd. Nu de man dezelfde stellingen als in eerste aanleg heeft aangevoerd, kon het hof volstaan met het overnemen van de motivering van de rechtbank(3).

2.5 De rechtsklacht faalt eveneens. De art. 1:81 tot en met 1:83 BW bieden geen steun voor de opvatting dat na echtscheiding tot verdeling van een door de echtgenoten opgebouwd vermogen wordt overgegaan, indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat tussen hen geen enkele vermogensrechtelijke gemeenschap zal bestaan. Voor de in art. 1:81 BW genoemde verplichting elkander het nodige te verschaffen, treedt na echtscheiding een (eventuele) verplichting tot het betalen van een uitkering tot levensonderhoud in de plaats, zoals neergelegd in art. 1:157 BW. Vermogensoverdracht zoals door het middel voorgestaan vindt geen steun in het recht(4).

2.6 Het middel betoogt onder 12. (blz. 24) dat het hof op onjuiste gronden althans onvoldoende gemotiveerd het beroep van de man op art. 4 van het Verdrag van Rome heeft verworpen. Ter toelichting hierop betoogt het middel dat art. 4 EVRM(5) niet alleen slavernij maar ook dienstbaarheid verbiedt. Koude uitsluiting verwoordt de gevolgen van stelselmatig dienstbaar zijn, immers - zo begrijp ik het betoog - heeft tot gevolg dat aanspraak op winstdeling ten aanzien van het door de samenwerking staande huwelijk gegeneerde vermogen wordt ontzegd(6).

2.7 De rechtsklacht faalt op de grond dat het oordeel van het hof dat het bij huwelijkse voorwaarden overeenkomen van zogenaamde koude uitsluiting geen "slavery" of "servitude" is, juist is(7).

De motiveringsklacht is eveneens vergeefs voorgesteld omdat tegen een rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden opgekomen.

2.8 Op blz. 30-32 van de cassatiedagvaarding richt het middel een aantal klachten (hierna te noemen: onderdelen) tegen rechtsoverweging 6.4. Ik citeer de rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.4 van het hof:

"6.1 Alvorens verder op de grieven in te gaan stelt het hof vast, dat uit het over en weer gestelde valt af te leiden dat partijen ten tijde van hun huwelijk doch ook reeds daarvoor er kennelijk belang in hebben gesteld omtrent de eigendom van verschillende zaken onduidelijkheden in het leven te roepen, mede verband houdende met het feit, dat de vrouw zakelijke risico's liep of zou gaan lopen. Een en ander leidde - zoals partijen over en weer ook hebben aangegeven - tot het verrichten van schijnhandelingen waarbij zaken die aan de ene partij toebehoorden op naam van de ander of zelfs op naam van derden werden gezet.

6.2 In dat licht bezien is er in de omstandigheden die de rechtbank met betrekking tot de MG B en het karkas van een Jaguar - doch ook de MG A - heeft vastgesteld en welke feitelijk in appèl niet zijn bestreden grond voor de conclusie dat toepassing van artikel 4 der HV (en van artikel 1:131 BW) in casu inhoudt, dat:

- sprake is van een geschil tussen de echtgenoten aan wie van hen beiden een zaak die geen registergoed is toebehoort, en

- geen van beiden zijn recht op die zaak kan bewijzen.

In dat geval wordt die zaak telkens geacht aan partijen ieder voor de helft toe te behoren, mede in aanmerking genomen dat tussen hen geen gemeenschap bestond die die zaken kon omvatten.

6.3 Aldus bezien slagen de grieven I en II in het incidenteel appèl in zoverre, hetgeen eveneens geldt voor de hiervoor bedoelde grief b. in het principaal appèl. Bij de verdeling dienen partijen dus van gemene eigendom van deze zaken uit te gaan. Gelet op de aard van de onderhavige door het hof toegepaste bepaling en de hiervoor gedane vaststellingen is in de omstandigheden van het geval voor (verdere) bewijslevering in dit geding ten aanzien van de onderhavige zaken geen plaats, zodat het bewijsaanbod van de vrouw voor zoveel nodig wordt gepasseerd.

6.4 Grief III in het incidenteel appèl slaagt. Het hof is van oordeel, dat het betreffende door de vrouw overgelegd bewijsstuk - waarin de man zijn vader wijst op het bestaan van schulden jegens de vrouw, met het verzoek het papier te bewaren totdat de schulden zouden zijn afbetaald - in het licht van de omstandigheid dat de man bij dupliek (pagina 10) in eerste aanleg het bestaan van de schulden heeft erkend doch heeft aangevoerd dat hij deze inmiddels heeft afgelost - voldoende bewijs oplevert om van de juistheid van de stelling van de vrouw uit te gaan, behoudens door de man te leveren bewijs met betrekking tot de, door de vrouw bestreden, bevrijdende betaling van die schulden. Nu de man geen specifiek bewijsaanbod op dit punt heeft gedaan acht het hof vaststaan dat de vrouw een vordering heeft tot het in het briefje genoemde bedrag van f. 45.212,-.

2.9 Onderdeel 12.1 (blz. 30-31) voert aan dat rechtsoverweging 6.4 niet naar behoren is gemotiveerd omdat onbegrijpelijk is dat het hof de vordering voor ƒ 45.212 en niet voor ƒ 30.212 toewijst, nu de man voor het karkas van de jaguar destijds ƒ 30.000 met inruil heeft betaald, waarvan in de optiek van de vrouw dus ƒ 15.000 via het van haar geleende geld, terwijl het hof ten aanzien van dat karkas gemene eigendom aanneemt.

2.10 Deze motiveringsklacht faalt. In het licht van de gedingstukken is het oordeel van het hof dat het karkas van de Jaguar aan ieder voor de helft toebehoort naast het oordeel dat - behoudens tegenbewijs - van de juistheid van de stellingen van de vrouw omtrent de geldlening moet worden uitgegaan, geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Nu de klacht overigens niet uiteenzet waarom de aangevallen overweging onbegrijpelijk is, voldoet zij in zoverre niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv(8). Het herhalen van stellingen uit de feitelijke aanleg (blz. 25-30) kan niet worden aangemerkt als een uiteenzetting waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn.

De klacht onder 12.1 dat het hof tevens het recht heeft geschonden, wordt in het geheel niet toegelicht en strandt mitsdien ook op art. 407 lid 2 Rv.

2.11 Onderdeel 12.2 klaagt dat het hof het recht heeft geschonden, althans zijn beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd door de vrouw niet te houden aan haar (verzwaarde) stelplicht en de man met (tegen)bewijs op te zadelen.

2.12 Het onderdeel voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat het niet (begrijpelijk) uiteenzet op grond waarvan het hof het recht heeft geschonden, althans zijn oordeel niet voldoende heeft gemotiveerd(9).

2.13 Onderdeel 12.4 - onderdeel 12.3 bevat geen klacht - bouwt voort op onderrdeel 12.2 en kan het gebrek waaraan die klacht lijdt niet helen.

2.14 Onderdeel 12.5 klaagt dat het hof het recht heeft geschonden, althans zijn beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd door de beslissing van de rechtbank terzijde te stellen en het door de man overigens in prima gevoerd verweer niet opnieuw te beoordelen en te weerleggen.

2.15 Ook dit onderdeel voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. nu het niet aangeeft op welk verweer wordt gedoeld(10) en evenmin waar een en ander in de gedingstukken is te vinden(11).

2.16 De onderdelen 12.6, 12.7 en 12.8 klagen dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, is voorbijgegaan aan het door de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedane bewijsaanbod.

2.17 De man heeft in eerste aanleg bewijs aangeboden van zijn stelling de geleende bedragen aan de vrouw te hebben terugbetaald(12).

Bij memorie van antwoord in het incidentele appel (blz. 4) heeft de man - voor het geval het hof zijn stelling dat het briefje van de man aan zijn vader onvoldoende is om de vordering van de vrouw te kunnen onderbouwen niet zou volgen - verzocht alsnog te worden toegelaten tot het bewijs dat hij uit de door de vrouw gepretendeerde hoofde niet aan de vrouw verschuldigd is. De man heeft aangekondigd alsdan de vrouw en zichzelf als getuige te doen voortbrengen en aanvullend schriftelijk bewijs te leveren.

2.18 Het hof heeft het bewijsaanbod gepasseerd op de grond dat het onvoldoende gespecificeerd is. De man heeft het bewijsaanbod slechts in zoverre gespecificeerd dat hij heeft aangekondigd dat hij zichzelf en de vrouw als getuigen zal voorbrengen. Hij heeft evenwel nagelaten te specificeren wat deze getuigen méér kunnen verklaren dan alleen dat hij niets aan de vrouw verschuldigd is. De man heeft derhalve slechts de conclusie gesteld en niet de feiten en omstandigheden die - indien bewezen - tot die gevolgtrekking kunnen leiden. Deze eis mag wel aan een bewijsaanbod worden gesteld(13).

De onderdelen falen.

2.19 Op blz. 33 van de cassatiedagvaarding onder nr. 3 klaagt de man dat het hof met de rechtsoverwegingen 6.1 en 6.2 het recht heeft geschonden en zijn beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd. Geklaagd wordt dat er geen sprake is van een situatie waarin geen van beide partijen haar recht op een van de auto's kan bewijzen en bovendien dat de man een notariële akte in het geding heeft gebracht ten aanzien waarvan het door het hof in rechtsoverweging 6.1 verwoord standpunt niet, althans niet zonder meer, geldt, derhalve zonder specifieke motivering niet aannemelijk is.

Voorts betoogt de man dat de akte, die wat betreft de verklaring van de man dwingend bewijs oplevert, tot doel had de moeder van de vrouw zekerheid te verschaffen voor de door haar aan de vrouw geleende gelden. Andermaal, zonder een aanvullende motivering terzake, ligt het niet in de rede aan te nemen, dat de vrouw jegens haar moeder zou hebben meegewerkt aan een constructie die niet met de waarheid strookte, aldus het middel.

2.20 De klachten voldoen op twee gronden niet aan de eis van art. 407 lid 2 Rv. Het middel geeft niet aan waarom het oordeel van het hof onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is(14). Daarnaast zijn de klachten (deels) onbegrijpelijk(15).

2.21 Nu de klachten van het middel vergeefs zijn voorgesteld, moet het cassatieberoep worden verworpen.

2.22 De vrouw heeft in cassatie uitdrukkelijk verzocht om de man in de proceskosten te veroordelen.

In familierechtelijke procedures is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Dit gebruik is een toepassing van de door art. 56 Rv. gegeven uitzondering op de hoofdregel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld.

De rechter is echter niet tot compensatie verplicht. Dit brengt mee dat een (voormalig) echtgenoot in de kosten kan worden veroordeeld, hetzij door toepassing van de hoofdregel(16), hetzij indien deze de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet.

2.23 De vrouw heeft haar verzoek niet nader toegelicht. Uit de processtukken meen ik echter te kunnen afleiden dat dit verzoek wordt gedaan omdat de vrouw van mening is dat zij nodeloos tot aan de Hoge Raad in een procedure wordt betrokken. Wanneer kosten nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt, is een vraag die sinds 1879 in de rechtspraak veelvuldig aan de orde is geweest, maar die tevens een casuïstisch beeld oplevert(17). Haardt heeft daarbij - zakelijk weergegeven - de volgende rubrieken onderscheiden(18):

- overbodigheid van het proces, waaronder begrepen voortijdige en bovenmatige vorderingen;

- nodeloze voortzetting van een proces, zodat nadien gemaakte kosten ten laste komen van de partij die de procedure voortzette;

- processuele fouten die voor extra kosten zorgen;

- onnodig ingewikkeld maken van een procedure;

- onwaarachtige houding van een partij.

2.24 Niet het gehele cassatieberoep valt m.i. onder een of verschillende van deze rubrieken te brengen. In dit stadium van de procedure is er derhalve geen reden om af te wijken van de in dit soort zaken gebruikelijke kostencompensatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van 25 mei 1999 van de rechtbank Haarlem onder 3.1 t/m 3.5. Het hof Amsterdam is blijkens rov. 4 van het bestreden arrest eveneens van die feiten uitgegaan.

2 De dagvaarding is op 29 juni 2001 uitgebracht.

3 HR 18 oktober 1991, NJ 1991, 821 rov. 3.2. Zie voor een geval waarin twee van de drie grieven wel nieuwe punten bevatte HR 17 november 1989, NJ 1991, 336 m.nt. EAA.

4 HR 4 december 1987, NJ 1988, 678 m.nt. EAAL Zie ook HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576.

5 Art. 4 EVRM bepaalt het volgende:

(1) No one shall be held in slavery or servitude.

(2) No one shall be required to perform forced or compulsory labour.

(3) For the purpose of this article the term "forced or compulsory labour" shall not include:

(...)

6 Zie ook pleitnota in appel, blz. 6-7.

7 Lord Lester of Herne Hill, David Pannick (ed.), Human Rights Law and Practice, 1999, blz. 103 e.v.; Richard Gordon, Tim Ward, Tim Eicke, The Strasbourg Case Law, 2001, blz. 197 e.v.

8 HR 15 juni 2001, NJ 2001, 573 rov. 3.6.

9 HR 6 april 2001, JOL 2001, 233; HR 22 september 2000, NJ 2000, 632.

10 HR 21 juni 2002, JOL 2002, 356.

11 HR 6 april 2001, JOL 2001, 233; HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82 rov. 3.3.2 en 3.4.

12 Conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, blz. 11, nr. 17.

13 HR 19 juni 1998, NJ 1998, 777. Zie de conclusie van A-G Langemeijer onder 2.5 voor het arrest. Zie ook HR 14 juni 2002, JOL 2002, 348 waarin de Hoge Raad een bewijsaanbod voldoende gespecificeerd acht, nu dit inhield dat drie van de genoemde getuigen ten aanzien van samenleving (art. 1:160 BW) méér kunnen verklaren dan alleen dat de vrouw met W. samenleeft en hetgeen de getuigen volgens het bewijsaanbod in dit opzicht zouden kunnen verklaren, rechtens in beginsel zou kunnen bijdragen tot het bewijs dat de vrouw en W. samenleven als waren zij gehuwd.

14 HR 6 april 2001, JOL 2001, 233; HR 22 september 2000, NJ 2000, 632.

15 HR 6 april 2001, JOL 2001, 233 rov. 3.8.

16 Zie bijv. HR 22 juli 1987, NJ 1988, 109.

17 Ik verwijs naar mijn conclusie voor HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 651.

18 W.L. Haardt, De veroordeling in de kosten van het burgerlijk geding, proefschrift, 's-Gravenhage 1945, blz. 31-33.