Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE9389

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
C01/159HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE9389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 714
JWB 2002/483
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. C01/159HR

Mr Huydecoper

Zitting van 25 oktober 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

Axa Schade N.V.

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1. Deze zaak betreft vooral de vraag of een uitspraak van de rechtbank omtrent buitengerechtelijke kosten, gevorderd als schadevergoeding terzake van onrechtmatige daad, deugdelijk is gemotiveerd.

De feiten en het procesverloop, voor zover in cassatie van belang, zijn als volgt:

2. De eiser tot cassatie ([eiser]) is op of omstreeks 15 november 1993 als bijrijder in een vrachtauto, betrokken geweest bij een ongeval. Hij heeft daardoor (letsel)schade opgelopen.

3. [Eiser] heeft verweerster in cassatie (Axa), de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijke werkgeefster, gedagvaard. Hij vorderde f. 5.000, - aan smartengeld en f. 5.015,65 wegens buitengerechtelijke kosten, gemaakt voor de vaststelling van de schade en ter verkrijging van voldoening, met de gebruikelijke nevenvorderingen.

4. Voor de eerstgenoemde schadepost (het smartengeld) hebben de partijen in de eerste aanleg een minnelijke regeling bereikt. Daarbij is tevens overeengekomen om de beslissing over de buitengerechtelijke kosten over te laten aan de (kanton)rechter. Deze heeft die kosten vastgesteld op f. 705, - (namelijk 15% van het minnelijk overeengekomen smartengeld van f. 4000, -, vermeerderd met 17,5% BTW).

5. In appel werd (alleen) deze beslissing aangevochten. De rechtbank overwoog daarover (in rov. 5.4 van het in cassatie bestreden vonnis):

"Buitengerechtelijke incassokosten komen voor vergoeding in aanmerking indien zij redelijk zijn en in redelijkheid gemaakt.

Gelet op de overgelegde stukken en de aard van de zaak is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] de door hem gestelde kosten gemaakt heeft.

Bij de beoordeling van de vraag of de gemaakte kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt neemt de rechtbank echter in aanmerking ten eerste de hoogte van de gemaakte kosten in verhouding tot de in eerste aanleg gevorderde hoofdsom, ten tweede het feit dat de gemaakte kosten voor een aanzienlijk deel betrekking hebben op de vaststelling van eventueel door [eiser] geleden materiële schade, ter zake waarvan uiteindelijk door [eiser] geen vordering is ingesteld,(1) en tenslotte de omstandigheid dat partijen een schikking hebben getroffen. Gelet hierop zijn de gevorderde kosten naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van f. 1.000, -."

6. [Eiser] is (tijdig) in cassatie gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Axa heeft in cassatie geen verweer gevoerd. [Eiser] heeft het cassatieberoep schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van het cassatiemiddel

7. Het cassatiemiddel houdt (vooral) de klacht in dat zonder nadere motivering, die zou ontbreken, onvoldoende duidelijk zou zijn op welke grond de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar waren tot een bedrag van f. 1000,-.

Bij de beoordeling van die klacht moet rekening worden gehouden met de regels die voor schadebegroting in het algemeen gelden, en ook met de regels voor de begroting van de "bijzondere" schadepost: buitengerechtelijke kosten.

8. De rechter die een schadevergoeding moet vaststellen, moet die begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. De wijze van begroting is sterk met de feiten verweven en (daarom) maar in beperkte mate voor toetsing in cassatie vatbaar. Aan de motivering kunnen geen strenge eisen worden gesteld; en de rechter mag, als daartoe termen zijn, de schadevergoeding bij wege van schatting vaststellen.

Deze regels gelden voor de vaststelling van schadevergoeding in het algemeen(2); maar zij zijn ook van toepassing bij de vaststelling van schadevergoeding onder de titel van "buitengerechtelijke kosten". Men is geneigd te denken: dat ligt voor de hand. Er vallen immers op de voorhand geen redenen aan te wijzen waarom de regels voor deze "bijzondere" schadepost in dit opzicht zouden (moeten) afwijken(3).

9. Intussen vertoont de begroting van buitengerechtelijke kosten in sommige opzichten wel verschil met de begroting van schade in het algemeen. Bij de begroting van buitengerechtelijke kosten moet immers de zgn. "dubbele redelijkheidstoets" worden aangelegd die besloten ligt in de herhaalde verwijzingen naar de redelijkheid die men in art. 6:96 lid 2 BW aantreft.

Die toets betreft dan, zoals bekend, zowel de vraag of het redelijk was om de betrokken kosten te maken, als de vraag of de kosten op redelijke wijze en in redelijke omvang besteed zijn(4).

10. Daarbij bestaat dan in zoverre verschil met andere schadeposten dat "andere" schades, althans in de grote meerderheid van de gevallen, ontstaan en/of toenemen, onafhankelijk van de wil en het toedoen van de gelaedeerde. In dergelijke gevallen - en die gevallen maken het "normaaltype" uit - kan de vraag of de gelaedeerde een redelijk beleid heeft gevoerd dus gewoonlijk niet aan de orde komen.

11. Maatregelen ter voorkoming of beperking van schade - het geval van art. 6:96 lid 2 sub a BW - of het thans te beoordelen geval van maatregelen ter vaststelling van schade of aansprakelijkheid, of ter verkrijging van voldoening als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub b en sub c BW, zijn daarentegen niet onafhankelijk van de wil en het toedoen van de gelaedeerde, maar worden daar juist door bepaald. Aan dergelijke maatregelen is dan ook een zeker element van "eigen richting" inherent: de gelaedeerde kiest daar op eigen initiatief en gezag voor, maar (veelal) met de vooropgezette bedoeling dat zijn wederpartij straks de rekening gepresenteerd zal krijgen.

12. (Al) daarom verbaast het niet dat de wet benadrukt dat het moet gaan om redelijke kosten, gemaakt terzake van in redelijkheid genomen maatregelen. De wetgever is zich klaarblijkelijk bewust geweest van de - ook niet onbegrijpelijke - neiging die sommigen kunnen voelen, om bij maatregelen die op kosten van een ander kunnen worden genomen royaler uit te pakken, dan men zou doen wanneer men voor eigen rekening te werk gaat. Soortgelijke overwegingen hebben meegespeeld bij de regels die in art. 3:299 BW(5) en in art. 57ab Rv. (oud, thans art 242 Rv.) tot uitdrukking komen(6).

13. Bij de beoordeling van een vordering terzake van (schade in de vorm van) buitengerechtelijke kosten moet dus, behalve de hoegrootheid van de schade (gewoonlijk gaat het dan om de in dit verband bestede kosten) en de vraag in hoeverre de schade in kwestie aan de aansprakelijk gehouden persoon mag worden toegerekend, ook worden onderzocht of de kosten in kwestie in redelijkheid gemaakt zijn en of zij naar aard en omvang redelijk waren.

[Bij deze dubbele redelijkheidstoets zullen overigens vaak toerekeningsfactoren worden gehanteerd die ook bij toerekeningsproblemen in het algemeen in aanmerking worden genomen. Het verschil in benadering zal zich daarom in de praktijk meestal eerder als een nuanceverschil dan als een brede kloof aandienen.]

14. Ik neem intussen aan dat het de hier bedoelde nadere (dubbele) redelijkheidstoets - deze normatieve component in de vereiste beoordeling - is, die de grondslag vormt voor de stelling van het middel: de stelling dat een oordeel als het onderhavige op een motivering moet berusten die duidelijk maakt in welk opzicht de rechter de gemaakte kosten als wel of juist niet redelijk (in een van de beide relevante opzichten) heeft aangemerkt.

15. Deze stelling vind ik ingenieus. Hij is in logisch opzicht plausibel - maar hij is toch onjuist.

(Juist) de beoordeling van de vraag in hoeverre het redelijk was om in een gegeven context bepaalde kosten te maken en in hoeverre die kosten, beoordeeld naar aard en/of omvang, in die context als redelijk zijn aan te merken is sterk afhankelijk van hoe men de context, en dus de feiten die die context bepalen, waardeert. Daarvoor geldt dan ook eerder méér dan minder, wat de Hoge Raad ten aanzien van schadebegroting in het algemeen heeft overwogen (zie het hiervóór in alinea 8 opgemerkte): de begroting is in sterke mate met waardering van de feiten verweven, en aan de motivering van een schattenderwijs gemaakte beoordeling zoals die hier nagenoeg altijd vereist zal zijn, kan men geen strenge eisen stellen. (Mede) aan de hand van deze gedachte(n) werd eerder, eveneens in alinea 8, verdedigd dat de regels voor schadebegroting in het algemeen, voor de begroting van buitengerechtelijke kosten van overeenkomstige toepassing zijn.

16. Het laat zich maar zeer ten dele in motiveringsformules vangen, hoe veel een gelaedeerde in redelijkheid mag besteden om een schade van bescheiden geldelijke omvang zoals die in deze zaak aan de orde was, te laten vaststellen en invorderen. Veel hangt daarbij bijvoorbeeld af van de aard van de schade (een zeldzaam en daardoor extra moeilijk te beoordelen geval, of juist een schade van een veel voorkomend type, waarmee al de nodige ervaring bestaat? Een voor de gelaedeerde dusdanig essentieel iets, dat dat het aanwenden van uitzonderlijke inspanningen en kosten kan rechtvaardigen of verklaren?, etc.), maar ook van het door de wederpartij ingenomen standpunt.

17. Zeker wanneer, zoals in dit geval, een aantal factoren tegelijk op de te maken beoordeling van invloed is, is het niet reëel om te veronderstellen dat de rechter zich (steeds) een beeld kan vormen van de invloed die ieder van die factoren op zijn oordeel heeft, en dat hij in zijn motivering daarvan rekenschap zal afleggen. De rechter zal dan (nagenoeg altijd) zijn oordeel bereiken aan de hand van een weging van de gezamenlijke voor zijn oordeel doorslaggevende factoren.

18. Het is dan voldoende - en ruimschoots voldoende - wanneer de motivering aangeeft welke factoren in de weging zijn betrokken, en tot welke uitkomst de zojuist beschreven "holistische" afweging heeft geleid.

Dat is in de hoger (in alinea 5) aangehaalde rov. uit het bestreden vonnis gebeurd; en dat betekent dat ik de motivering van het hier gegeven oordeel als alleszins aanvaardbaar beoordeel. Dat de door de rechtbank gevonden vergoeding uitkomt in de nabijheid van het voor "gewone gevallen" toepasselijke forfaitaire maximumbedrag voor buitengerechtelijke kosten dat in het rapport "Voorwerk II" van de hiertoe in het leven geroepen werkgroep van de NVvR wordt geadviseerd(7), geeft nader accent aan het feit dat het door de rechtbank gegeven oordeel niet buiten de gebaande paden treedt. Ook daarom was er geen aanleiding voor een nadere motivering.

19. Het middel bevat nog de suggestie dat de rechtbank de zaak zou hebben beoordeeld op niet door partijen aangevoerde gronden, of dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel zou zijn getreden, omdat Axa de gevorderde buitengerechtelijke kosten slechts in beperkte omvang zou hebben bestreden.

Ik meen dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Blijkens de processtukken heeft Axa op een aantal gronden bestreden dat buitengerechtelijke kosten van een grotere omvang dan 15% van het minnelijk overeengekomen schadebedrag verantwoord zouden zijn(8). Daarbij heeft Axa zich er onder meer op beroepen dat haar eigen aansprakelijkheid niet vaststond (en dat partijen een schikking zijn overeengekomen, mede om de onzekerheden inherent aan een nader onderzoek hiervan te vermijden(9)); en dat de door [eiser] gemaakte kosten niet als redelijk konden worden aangemerkt voorzover die niet strekten tot vaststelling van de ten laste van Axa bestaande aansprakelijkheid(10). Die stellingen klinken door in de beoordeling uit de in alinea 5 hiervóór aangehaalde overweging van de rechtbank. Klaarblijkelijk heeft de rechtbank het betoog van Axa zo begrepen dat deze stellingen daarin werden verdedigd. Ik vind dat - bij uitstek - begrijpelijk (en het middel verdedigt ook niet dat het in dit opzicht anders zou zijn).

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Uit alinea's 9 - 11 van de inleidende dagvaarding blijkt dat [eiser] als gevolg van toenemende klachten in augustus 1997, zijn werkzaamheden heeft moeten staken, maar dat - kennelijk omdat de experts uiteindelijk geen causaal verband konden vaststellen tussen de arbeidsongeschiktheid en het ongeval - [eiser] geen vordering wegens, kort gezegd, arbeidsongeschiktheid tegen Axa heeft ingesteld.

2 Zie bijvoorbeeld HR 19 april 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AD9616, rov. 3.6.3. en HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 m.nt. Grosheide, rov. 3.5.1.

3 Zie bijvoorbeeld HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196 m.nt. ARB, rov. 3.7; HR 3 april 1987, NJ 1988, 275 m.nt. CJHB, rov. 3.3 en HR 19 december 1975, NJ 1976, 280 m.nt. GJS, m.b.t. het vierde middel.

4 Zie bijvoorbeeld Schadevergoeding (losbl.),Lindenbergh en Deurvorst, art. 96, aant. 161; T&C Burgerlijk Wetboek, 2002, Oosterveen, aant. 3 - 6 bij art. 6:96; Lindenbergh e.a., Buitengerechtelijke Kosten, Vijf visies op de redelijkheid, 2000, p. 21 en de conclusie van A-G Bloembergen voor HR 9 december 1994, NJ 1995, 250 (alinea 2.1). Zie ook Asser - Hartkamp 4 - I, 2000, nrs. 414 e.v.

5 Die regel belet overigens niet dat een crediteur zonder rechterlijke machtiging handelt en de kosten als schadevergoeding vordert, zie bijv. HR 7 mei 1982, NJ 1983, 478 m.nt. CJHB, rov. 3.5 en Asser - Hartkamp 4 - I, 2000, nr. 645; maar dan wordt een vergelijkbare redelijkheidstoets aangelegd, zie bijv. de noot onder het aangehaalde arrest sub 2, slot. (Ik misken hierbij niet dat er verschil bestaat tussen de beoordeling of kosten in redelijkheid zijn gemaakt, ten opzichte van de beoordeling of bepaalde kosten onredelijk zijn, of zelfs "onaanvaardbaar" in de in art. 6:248 lid 2 BW bedoelde zin; en dat deze verschillen ook interessante gevolgen kunnen hebben, bijvoorbeeld, als het gaat om stelplicht en bewijslast. In deze zaak is er geen aanleiding, en daarom jammer genoeg ook geen ruimte, om daar nader op in te gaan.)

6 Zie ook Lindenbergh e.a. in Buitengerechtelijke Kosten, Vijf visies op de redelijkheid, 2000, p. 21 en de daar in voetnoot 32 aangehaalde vindplaatsen.

7 Dit rapport adviseert voor andere dan uitzonderlijke gevallen een maximum, berekend naar 15% van de hoofdsom, en voor kantonprocedures forfaitaire bedragen volgens een in de bijlage opgenomen staffel (die niet tot procentueel aanzienlijk afwijkende uitkomsten leidt); zie p. 10 - 11 en p. 17 van dit rapport (telkens: bij Aanbeveling II).

8 Zie o.a. de Memorie van Antwoord, al. 15 t/m 19.

9 Memorie van Antwoord, al. 11-13.

10 Memorie van Antwoord, al. 10.