Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE9163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
03-12-2002
Zaaknummer
01632/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE9163
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 678
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01632/02 U

Mr Wortel

Zitting: 15 oktober 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=de opgeëiste persoon]

1. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft de uitlevering van verzoeker aan de Republiek Frankrijk ter fine van strafvervolging voor de feiten die zijn omschreven - kort gezegd als betrokkenheid bij mensensmokkel - in het Mandat de Arrêt van de juge d'instruction in het Tribunal de Grand Instance te Boulogne sur Mer, toelaatbaar verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Dat middel klaagt erover dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van dubbele strafbaarheid.

4. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot een dienaangaand ter zitting gevoerd verweer het volgende in:

"Anders dan de raadsman stelt, is voor de te dezen ingevolge het Europees verdrag vereiste wederkerigheid van strafbaarstelling niet noodzakelijk dat de bestanddelen van de toepasselijke delictsomschrijving in ieder opzicht en detail overeenstemmen. Noodzakelijk is slechts dat de gedraging, waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, naar het strafrecht van [...] zowel de opeisende als de aangezochte partij een vergelijkbare normschending oplevert, hetgeen in casu het geval is. Zowel de Franse rechtsvoorschriften als artikel 197a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht stellen het begunstigen van wederrechtelijk verblijf van een niet toegelaten vreemdeling strafbaar.

Hetgeen de raadsman voorts heeft opgemerkt over het al of niet handelen uit winstbejag doet daaraan niets toe of af, noch het door hem gestelde aangaande de noodzakelijke aanwezigheid van dit oogmerk naar Nederlands recht."

5. Het oordeel van de Rechtbank dat voor het vaststellen van de 'dubbele strafbaarheid' niet vereist is dat in de verzoekende Staat en in de aangezochte Staat strafbaarstellingen toepasselijk zijn die in ieder opzicht overeenstemmen is in beginsel juist. Vergelijk N. Keijzer, Handboek Strafzaken, par. 91.6.1.: "De uitleveringsrechter moet zich slechts afvragen of de in de uiteenzetting der feiten omschreven gedraging naar het recht van de verzoekende staat en mutatis mutandis, naar het recht van de aangezochte staat een strafbaar feit oplevert. De kwalificaties hoeven niet met elkaar overeen te komen, zolang de beide delictsomschrijvingen maar op hetzelfde rechtsgoed (in ruime zin) betrekking hebben."

6. Terecht wijst de steller van het middel er evenwel op dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de in art. 197a Sr omschreven gedragingen buiten het bereik van de strafwet heeft willen houden indien zij slechts uit ideële motieven zijn verricht, vgl Kamerstukken II, 1991-1992, 22 142, nr 3, p. 11). Dat is tot uitdrukking gebracht met het bestanddeel "uit winstbejag".

7. Daarom komt naar mijn inzicht in de laatste volzin van de zo-even weergegeven overwegingen een onjuiste rechtsopvatting naar voren. Het uitleveringsverzoek en de daarbij behorende stukken zullen enige aanwijzing moeten geven dat de gedragingen waarvan de Franse autoriteiten verzoeker verdenken uit winstbejag zijn verricht. Nu het bereik van art. 197a Sr nadrukkelijk is beperkt tot gedragingen die uit winstbejag zijn begaan kan zonder dergelijke aanwijzingen niet worden vastgesteld dat die gedragingen naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld als bedoeld in art. 2 EUV.

8. Het komt mij evenwel voor dat die onjuiste rechtsopvatting niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoeft te leiden.

Uit de overgelegde stukken en de omschrijving van de feiten in het uitleveringsverzoek kan worden opgemaakt dat het gaat om verzoekers betrokkenheid bij diverse transporten van illegale vreemdelingen die daarvoor aanzienlijke bedragen hadden betaald. Er is verklaard over ongeveer $ 10.000,=. Voorts kan uit de stukken worden opgemaakt dat verzoeker in aanmerkelijke mate betrokken is geweest bij dit smokkelen van mensen die daarvoor hadden betaald.

9. Daarom houden het uitleveringsverzoek en de daarbij overgelegde stukken naar mijn inzicht voldoende aanwijzingen in dat verzoeker de feiten uit winstbejag heeft begaan. Een nieuwe feitelijke behandeling van het uitleveringsverzoek na vernietiging van de bestreden uitspraak zou, naar mij voorkomt, slechts kunnen uitmonden in een anders geformuleerde verwerping van het verweer gevolgd door dezelfde beslissingen.

10. Mij dunkt dat het de voorkeur verdient de overwegingen van de Rechtbank naar aanleiding van het in dit middel bedoelde verweer verbeterd te lezen, met dien verstande dat voor de laatste van de hierboven weergegeven volzinnen wordt gelezen:

"Hetgeen de raadsman heeft opgemerkt betreffende 'winstbejag', een bestanddeel van de in art. 197a Sr gegeven delictsomschrijving dat het bereik van deze strafbepaling beperkt, kan niet tot het oordeel voeren dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid niet is voldaan, aangezien het uitleveringsverzoek en de daarbij overgelegde stukken voldoende aanwijzingen bevatten dat verzoeker uit winstbejag heeft gehandeld."

11. Daarmee zal de feitelijke grondslag aan de klacht komen te ontvallen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,