Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE8455

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
13-12-2002
Zaaknummer
C01/087HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE8455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot zeerecht en binnenvaartrecht 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 681
S&S 2004, 27
JWB 2002/463
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C01/087HR

Mr L. Strikwerda

zt. 4 okt. 2002

conclusie inzake

Micoperi Offshore S.p.A.

tegen

Howard Smith Salvage Ltd voorheen genaamd United Towing Ltd

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak, die reeds eerder in cassatie heeft gediend (HR 12 september 1997, NJ 1998, 688 nt. ThMdB), betreft de vraag welk recht van toepassing is op de vraag of een vordering terzake van charterhuur tegen een andere vervrachter dan de reder/eigenaar van het schip verhaalbaar is op het schip. In de eerste cassatieprocedure heeft de Hoge Raad beslist dat deze vraag wordt bestreken door art. 3 van de Wet van 18 maart 1993, houdende enige bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht en het binnenvaartrecht, Stb. 168 (hierna: de IPR-wet Zeerecht) en dat dit artikel neerkomt op een cumulatiestelsel: de vraag of de vordering verhaalbaar is op het schip kan slechts dan bevestigend beantwoord worden indien de vordering zowel ingevolge het recht van de teboekstelling van het schip, als ingevolge het recht dat de vordering beheerst op het schip verhaalbaar is. Inzet van de onderhavige cassatieprocedure is de vraag welke overgangsrechtelijke werking toekomt aan de IPR-wet Zeerecht, nu in de onderhavige zaak verhaal op het schip is gezocht vóór de inwerkingtreding van de IPR-wet Zeerecht.

2. De feiten waarvan thans in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 3.1 onder (i) t/m (ix) van het genoemde arrest van de Hoge Raad en voorts in r.o. 3 van het thans bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam. Zij komen, voor zover thans nog van belang en kort samengevat, op het volgende neer. Thans verweerster in cassatie, de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap naar Engels recht Howard Smith Salvage Ltd, voorheen genaamd United Towing Ltd (hierna: United Towing), heeft op 20 maart 1990 met verlof van de President van de Rechtbank te Rotterdam ten laste van thans eiseres tot cassatie, de in Italië gevestigde vennootschap Micoperi Offshore S.p.A. (hierna: Micoperi Offshore) conservatoir (vreemdelingen)beslag doen leggen op de "Micoperi 7000", een onder Italiaanse vlag varend en in Italië te boek gesteld schip (hierna: het schip) ter verzekering van een zeerechtelijke vordering in de zin van art. 1 van het Beslagverdrag (verdrag van 10 mei 1952, Trb. 1952). De vordering vloeit voort uit door Engels recht beheerste overeenkomsten. Naar Engels recht is de vordering verhaalbaar op het schip indien dit ook naar Nederlands recht het geval zou zijn.

3. Bij exploit van 28 maart 1990 heeft United Towing Micoperi Offshore gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en - na eiswijziging - onder meer gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat haar vordering op het schip verhaalbaar is en vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.

4. Bij vonnis van 28 januari 1994 heeft de Rechtbank overwogen dat ter bepaling van het toepasselijke recht op de vraag of een vordering verhaalbaar is op een schip sedert 1 mei 1993 te rade dient te worden gegaan bij de IPR-wet Zeerecht (r.o. 6.9). Met betrekking tot de vraag welke overgangsrechtelijke werking toekomt aan de IPR-wet Zeerecht, nu in de onderhavige zaak verhaal op het schip is gezocht vóór de inwerkingtreding van de IPR-wet Zeerecht, heeft de Rechtbank overwogen dat aan de IPR-wet Zeerecht, bij gebreke aan overgangsrechtelijke bepalingen en een wetsgeschiedenis waaruit het tegendeel volgt, in beginsel onmiddellijke werking toekomt (r.o. 6.9). Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat, indien het recht van teboekstelling van het schip (het Italiaanse recht) aan United Towing geen (volledig) verhaalsrecht toekent, onderzocht zal moeten worden of United Towing vóór de inwerkingtreding van de IPR-wet Zeerecht naar het toen geldende Nederlandse internationaal privaatrecht wel een verhaalsrecht had. Het zou immers in strijd zijn met de rechtszekerheid, gelet op de aard van de betrokken belangen, indien een ten tijde van de beslaglegging aan United Towing toekomend verhaalsrecht door de inwerkingtreding van nieuwe wetgeving teniet gedaan zou worden met als gevolg dat (de voortduring van) dit beslag alsnog onrechtmatig zou moeten worden geacht met schadelijke gevolgen voor United Towing vanwege haar aansprakelijkheid als beslaglegger, aldus de Rechtbank. Er zal in dit geval naar het oordeel van de Rechtbank dan ook van eerbiedigende werking van de nieuwe wetgeving moeten worden uitgegaan (r.o. 6.18).

5. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 23 januari 1996 de grief gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de vraag of de vordering van United Towing verhaalbaar is op het schip moet worden beantwoord aan de hand van art. 3 van de IPR-wet Zeerecht, gegrond bevonden. Naar het oordeel van het Hof bevat de IPR-wet Zeerecht geen verwijzingsregel terzake van de vraag welk recht van toepassing op de vraag of United Towing een verhaalsrecht op het schip toekomt (r.o. 6) en dient die vraag, nu het beslag in Nederland is gelegd, te worden beantwoord naar Nederlands recht (r.o. 7).

6. Bij genoemd arrest van 12 september 1997 heeft de Hoge Raad de door United Towing in het principale cassatieberoep tegen dit oordeel van het Hof voorgestelde middelonderdelen gegrond bevonden en geoordeeld dat Nederlands internationaal privaatrecht de vraag of een vordering terzake van charterhuur tegen een andere vervrachter dan de reder/eigenaar van het schip verhaalbaar is op het schip moet worden beantwoord aan de hand van art. 3 IPR-wet Zeerecht (r.o. 4.2) en dat de door de Rechtbank aan dat artikel gegeven uitleg (het genoemde cumulatiestelsel) juist is (r.o. 4.3). De Hoge Raad heeft, in het principaal beroep, het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

7. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 21 september 2000 vastgesteld dat naar Italiaans recht de vordering van United Towing (het Hof spreekt kennelijk abusievelijk van de vordering van Micoperi) niet verhaalbaar is op het schip (r.o. 4.7). Vervolgens heeft het Hof overwogen:

"4.8 De rechtbank heeft, vooruitlopend op het in rov. 4.7 bedoelde geval, bij voorbaat vastgesteld dat de IPR-wet Zeerecht eerbiedigende werking heeft en dat United Towing vóór de inwerkingtreding van deze wet naar het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht wel een verhaalsrecht had (rov. 6.18 en 6.19 van het vonnis).

4.9 Tegen deze rechtsoverwegingen zijn op zichzelf geen grieven gericht, terwijl het arrest van de Hoge Raad, naar het hof begrijpt, zich - voor het geval de vordering naar Italiaans recht niet verhaalbaar is op het schip - niet uitlaat over de vraag of de IPR-wet Zeerecht directe of eerbiedigende werking heeft. Het Hof is daarom op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat, door de tussentijdse invoering van de IPR-wet Zeerecht in 1993, geen afbreuk wordt gedaan aan het recht van United Towing dat zij voordien had naar het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht."

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en voor recht verklaard dat de vordering van United Towing verhaalbaar is op het schip met vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.

8. Micoperi Offshore is tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel, dat door United Towing is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. Het middel keert zich in al zijn onderdelen tegen de zojuist aangehaalde rechtsoverwegingen van het Hof.

10. Gelet op de strekking van de door het middel opgeworpen klachten, moet eerst de vraag onder ogen worden gezien op welke grond 's Hofs oordeel berust dat door tussentijdse invoering van de IPR-wet Zeerecht in 1993 geen afbreuk wordt gedaan aan het recht van United Towing dat zij voordien had naar het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht. In het eerste gedeelte van r.o. 4.9 overweegt het Hof dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de IPR-wet Zeerecht eerbiedigende werking heeft, indien naar Italiaans recht geen (volledig) verhaalsrecht op het schip bestaat, en dat United Towing vóór de inwerkingtreding van deze wet naar het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht een verhaalsrecht had en dat de Hoge Raad zich - voor het geval de vordering naar Italiaans recht niet verhaalbaar is op het schip - niet uitlaat over de vraag of de IPR-wet Zeerecht directe of eerbiedigende werking heeft. Uit deze overwegingen volgt dat het Hof zich gebonden moest weten aan het oordeel van de Rechtbank op dit punt en dat het Hof aan een zelfstandig onderzoek naar de vraag of de tussentijdse invoering van de IPR-wet Zeerecht in 1993 afbreuk kan doen aan het recht van United Towing dat zij voordien had naar het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht niet meer kon en mocht toekomen. Zie HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 nt. CJHB en HR 12 april 1996, NJ 1996, 487. Zie voorts Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. 2001, nr. 24 en Snijders/Wendels, Civiel appel, 2e dr. 1999, nr. 242. Niettemin overweegt het Hof in het tweede gedeelte van r.o. 4.9 dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot die vraag - kort gezegd - juist is en dat het Hof dat oordeel en de gronden waarop het berust overneemt en tot het zijne maakt. Dit is een zelfstandig oordeel van het Hof en dus - strikt genomen - buiten de orde, nu het Hof, blijkens zijn overwegingen in het eerste gedeelte van r.o. 4.9, aan het oordeel van de Rechtbank gebonden was. Dit zo zijnde, ga ik ervan uit dat de overwegingen in het tweede gedeelte van r.o. 4.9 door het Hof ten overvloede zijn gegeven.

11. Onderdeel I van het middel richt zich met een rechtsklacht tegen de overwegingen van het Hof in het tweede gedeelte van r.o. 4.9. Uit hetgeen ik hiervoor onder 10 opmerkte, volgt dat dit onderdeel naar mijn oordeel faalt wegens gebrek aan belang; de gewraakte overwegingen moeten immers geacht worden door het Hof ten overvloede te zijn gegeven. Overigens is het door het Hof onderschreven oordeel van de Rechtbank juist: naar beginselen van overgangsrecht, zoals onder meer tot uitdrukking worden gebracht in art. 68a jo. art. 69 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek, heeft de enkele omstandigheid dat een wet van haar in werking treden af van toepassing is niet tot gevolg dat onder het tevoren geldende recht verkregen rechten worden verloren. Zie nader C.L. de Vriesch Lentsch-Kostense, Overgangsrecht, Mon. Nieuw BW A-25, 1992, nrs. 10 en 11.

12. Onderdeel II van het middel neemt stelling tegen hetgeen het Hof heeft overwogen in het eerste gedeelte van r.o. 4.9. Het onderdeel bestrijdt zowel het oordeel van het Hof dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de Rechtbank omtrent de eerbiedigende werking van de IPR-wet Zeerecht als het oordeel van het Hof dat de Hoge Raad zich niet heeft uitgelaten over de vraag of, ingeval de vordering naar Italiaans recht niet verhaalbaar is op het schip, de IPR-wet Zeerecht directe of eerbiedigende werking heeft.

13. Wat de eerstbedoelde klacht betreft, voert het onderdeel aan dat Micoperi Offshore in hoger beroep als grief heeft aangevoerd dat de IPR-wet Zeerecht in het geheel niet van toepassing is, hetgeen bezwaren tegen het bedoelde oordeel van de Rechtbank impliceert.

14. De klacht faalt. Zij verliest uit het oog dat de vraag of de IPR-wet Zeerecht een verwijzingsregel bevat ten aanzien van de vraag welk recht van toepassing is op de vraag of een vordering verhaalbaar is op een schip (de vraag naar het materiële toepassingsgebied van de wet) een andere is dan de vraag welke overgangsrechtelijke werking aan die wet toekomt (de vraag naar het temporele toepassingsgebied van de wet). Dat blijkt reeds hieruit dat indien het Haagse Hof, anders dan het heeft gedaan, de grief zou hebben verworpen, er geen twijfel over had kunnen bestaan dat het, zonder een uitdrukkelijk daartegen gerichte grief, het voor Micoperi Offshore nadelige oordeel van de Rechtbank met betrekking op de overgangsrechtelijke werking van de IPR-wet Zeerecht had behoren te eerbiedigen. Overigens wijst niets in het arrest van het Haagse Hof erop dat dit Hof de grief van Micoperi Offshore tegen het vonnis van de Rechtbank in de door het middel bedoelde, ruime zin heeft opgevat. Tegen de door het Haagse Hof aan de grief gegeven uitleg is in de vorige cassatieprocedure geen klacht gericht. Het Amsterdamse Hof was derhalve aan de door het Haagse Hof aan de grief van Micoperi Offshore gegeven uitleg gebonden. Vgl. B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, 1992, p. 54-58.

15. Wat de tweede klacht betreft, voert het middel aan dat de Hoge Raad zich wèl heeft uitgelaten over de overgangsrechtelijke werking van de IPR-wet Zeerecht, aangezien de Hoge Raad de in het principaal cassatieberoep aangevoerde middelen gegrond heeft geoordeeld, maar deze middelen niet tot cassatie geleid zouden kunnen hebben indien de IPR-wet Zeerecht eerbiedigende werking heeft.

16. Kennelijk ligt aan deze klacht de gedachtengang ten grondslag dat de Hoge Raad de in het principaal beroep aangevoerde klachten tegen het oordeel van het Haagse Hof dat de vraag welk recht van toepassing is op de vraag of een vordering verhaalbaar is op een schip niet wordt bestreken door de IPR-wet Zeerecht, reeds wegens gebrek aan belang zou hebben verworpen, indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn geweest dat de IPR-wet Zeerecht eerbiedigende werking heeft; het verhaalsrecht van United Towing zou dan immers reeds volgen uit het rechtsstelsel dat ingevolge de tevoren geldende conflictregel van toepassing was. Nu de Hoge Raad die klachten niet wegens gebrek aan belang heeft verworpen, moet de Hoge Raad dus wel zijn uitgegaan van het oordeel dat de IPR-wet Zeerecht geen eerbiedigende werking kan hebben, aldus de gedachtengang van het middel.

17. Ook deze klacht faalt. Zij ziet eraan voorbij dat de Rechtbank - onbestreden in hoger beroep - heeft beslist (r.o. 6.18) dat eerst indien vaststaat dat het Italiaanse recht aan United Towing geen (volledig) verhaalsrecht toekent, onderzocht zal moeten worden of United Towing vóór de inwerkingtreding van de IPR-wet Zeerecht naar het toen geldende Nederlands internationaal privaatrecht wel een verhaalsrecht had. De Rechtbank stelde eerbiedigende werking dus afhankelijk van het antwoord op de vraag of United Towing onder de door de IPR-wet Zeerecht als toepasselijke aangewezen rechtsstelsels (het Engelse èn het Italiaanse) een verhaalsrecht toekomt. De vraag of het Italiaanse recht aan United Towing een (volledig) verhaalsrecht toekent, was nog niet beslist, toen de Hoge Raad werd geroepen op het vorige cassatieberoep te beslissen, en is eerst beslist door het Amsterdamse Hof (r.o. 4.7). Uit de omstandigheid dat de Hoge Raad de bedoelde middelonderdelen niet heeft verworpen wegens gebrek aan belang volgt dus geenszins dat de Hoge Raad (impliciet) heeft geoordeeld dat aan de IPR-wet Zeerecht geen eerbiedigende werking kan toekomen.

18. Onderdeel III van het middel klaagt erover dat het Hof op dezelfde gronden als de Rechtbank, die het overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat United Towing voor de inwerkingtreding van de IPR-wet Zeerecht naar het toen geldende Nederlandse internationaal privaatrecht wel een verhaalsrecht had. Het onderdeel betoogt dat naar het ten tijde van de beslaglegging geldende Nederlands internationaal privaatrecht voor verhaal op een schip was vereist dat naar het recht van het land waar het schip te boek gesteld is de vordering op het schip verhaalbaar is.

19. Ook dit onderdeel is naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld. De Rechtbank heeft overwogen (r.o. 6.10) dat naar het voorheen geldende (ongeschreven) Nederlands internationaal privaatrecht als voorwaarde voor rechtswerking in Nederland werd gesteld dat een volgens vreemd recht bestaand verhaalsrecht op een schip past binnen het Nederlandse stelsel omtrent dergelijke verhaalsrechten voor schulden van een ander dan de eigenaar. Tegen dit oordeel is in hoger beroep geen grief gericht (het middel stelt dat ook niet). Het Hof was derhalve - op de gronden vermeld onder 10 - aan dit oordeel gebonden.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,