Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE8133

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
R01/142HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE8133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 488
JWB 2002/330
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek. nr. R01/142

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 31 mei 2002

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerster 2]

3. [verweerder 3]

4. [verweerster 4]

5. [verweerder 5]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Bij een op 18 augustus 1999 ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie, [verzoeker], de arrondissementsrechtbank te Middelburg verzocht een voorlopig deskundigenbericht te bevelen. De rechtbank heeft dit deskundigenbericht bij beschikking van 20 oktober 1999 bevolen en bepaald dat de kosten van het deskundigenrapport door [verzoeker] zullen worden voorgeschoten tot een door de deskundigen aan de griffier op te geven bedrag. De deskundigen hebben vervolgens de kosten van hun bericht begroot op ƒ 6.300,-- excl. BTW.

1.2 [verzoeker] heeft op 14 oktober 1999 een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstand. De Raad voor de Rechtsbijstand heeft bij beschikking van 21 maart 2000 zijn eerdere beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een toevoeging herzien en bepaald dat de (voorwaardelijke) toevoeging met terugwerkende kracht op 14 oktober 1999 is afgegeven.

1.3 [verzoeker] heeft bij verzoekschrift ingekomen op 5 januari 2001, de rechtbank verzocht nader te bepalen dat aan hem geen voorschot wordt opgelegd ter zake van de kosten verbonden aan het door de rechtbank bij beschikking van 20 oktober 1999 bevolen deskundigenbericht. Verweerders in cassatie, [verweerders], hebben een verweerschrift ingediend en de rechtbank verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzochte af te wijzen.

1.4 De mondelinge behandeling is gehouden op 14 februari 2001. De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 7 maart 2001 het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Zij heeft daartoe allereerst overwogen dat tegen de beschikking van 20 oktober 1999 geen hoger beroep openstaat en dat daartegen geen cassatie is ingesteld, zodat die beschikking onherroepelijk is geworden en niet gewijzigd kan worden. Daarenboven was volgens de rechtbank ten tijde van het wijzen van de beschikking van 20 oktober 1999 niet voldaan aan de voorwaarden van art. 223 lid 2 Rv.

1.5 [verzoeker] heeft van deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij heeft tegen de beschikking van de rechtbank onder meer aangevoerd dat aan hem met terugwerkende kracht op 14 oktober 1999 een (voorwaardelijke) toevoeging is afgegeven en dat de beslissing van de rechtbank waarbij het deskundigenbericht is bevolen, van 20 oktober 1999 dateert. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat hij voldoet aan art. 223 lid 2 Rv., nu hij reeds voor de uitspraak van de rechtbank in het bezit was van de beslissing van de Raad voor de Rechtbijstand dat hij (voorwaardelijk) kosteloos mag procederen.

1.6 [verweerders] zijn in appel niet verschenen. Op 1 oktober 2001 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij beschikking van 1 november 2001 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.7 [verzoeker] heeft tijdig(1) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. [verweerders] hebben geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Onder 3 citeert het middel allereerst hetgeen het hof in de laatste volzin van rechtsoverweging 2.2 heeft overwogen. De gehele rechtsoverweging luidt als volgt:

"Door verzoeker is op 14 oktober 1999 een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstand. De Raad voor de Rechtsbijstand heeft bij beschikking van 21 maart 2000 zijn eerdere beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een toevoeging herzien en bepaald dat de (voorwaardelijke) toevoeging met terugwerkende kracht op 14 oktober 1999 is afgegeven. Niet blijkt dat de rechtbank vóór de door haar op 20 oktober 1999 gegeven beschikking door [verzoeker] in kennis is gesteld van het feit dat een toevoeging was of zou worden aangevraagd."

2.2 Het middel betoogt vervolgens dat [verzoeker] de rechtbank heeft doen mededelen dat een toevoeging is afgegeven, maar dat zij deze mededeling heeft gepasseerd. De toemalige raadsman van [verzoeker] heeft, aldus het slot van het middel onder 3, de rechtbank van de toekenning van een voorwaardelijke toevoeging op de hoogte gesteld.

2.3 Het middel bevat geen klacht, zodat daaraan op die grond reeds voorbij gegaan dient te worden.

Voor zover het middel bedoelt te klagen dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] de rechtbank vóór 20 oktober 1999 heeft medegedeeld dat een toevoeging was afgegeven, voldoet de klacht niet aan art. 426a lid 2 Rv., omdat niet wordt aangegeven waar [verzoeker] deze stelling in feitelijke aanleg heeft betrokken.

2.4 Het middel richt onder 4 vervolgens een klacht tegen rechtsoverweging 2.3 van de bestreden beschikking. Daarin het heeft hof het volgende overwogen:

"In deze zaak gaat het er nu om of de rechtbank, zoals [verzoeker] heeft verzocht, een nieuwe beschikking diende te geven waarin alsnog wordt bepaald dat [verzoeker] geen voorschot terzake het deskundigenbericht hoeft te betalen. De aan hem verleende (voorwaardelijke) toevoeging heeft immers terugwerkende kracht tot 14 oktober 1999 terwijl de beschikking van de rechtbank waarin werd bepaald dat hij het voorschot zou dienen te voldoen dateert van 20 oktober 1999. [verzoeker] voert in dit verband nog aan dat hij het bedrag van fl. 6.300,- excl. BTW mede in verband met zijn gezinssituatie niet kan opbrengen. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de door de rechtbank op 20 oktober 1999 gewezen beschikking, tegen welke beschikking geen hoger beroep openstaat en waartegen geen cassatie is ingesteld, onherroepelijk is geworden en achteraf niet kan worden gewijzigd, ook niet door het nemen van een nieuwe beschikking. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank het verzoek op een juiste grond heeft afgewezen."

2.5 Volgens het middel had de rechtbank in een afzonderlijke beschikking kunnen bepalen dat geen voorschot verschuldigd is. Het feit dat tegen de gewezen beschikking geen hoger beroep openstaat en deze onherroepelijk is geworden laat dit onverlet, hetgeen het hof heeft miskend, aldus het middel.

2.6 Het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht is gegrond op art. 228 (oud) Rv. Ingevolge art. 230 Rv. oud zijn de bepalingen omtrent deskundigen van overeenkomstige toepassing. Art. 223 lid 2 Rv. oud bepaalt dat door de - in dit geval verzoekende - partij een door de rechter te bepalen voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen ter griffie wordt gedeponeerd en dat aan partijen aan wie een toevoeging is verleend, geen voorschot wordt opgelegd.

2.7 In deze zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 20 oktober 1999 bepaald dat de kosten van het deskundigenbericht door [verzoeker] zullen worden voorgeschoten tot een door de deskundigen aan de griffier op te geven bedrag. De rechtbank heeft haar beslissing omtrent het voorschot opgenomen in haar toewijzende beschikking op het verzoek een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen. Ingevolge art. 229 lid 2 Rv. oud is hoger beroep van een dergelijke beschikking uitgesloten(2) en had [verzoeker] binnen de termijn cassatie moeten instellen.

2.8 Zou de beslissing omtrent het voorschot in een afzonderlijke beschikking zijn gegeven, dan zou de beslissing m.i. ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 1995, NJ 1996, 103 m.nt. HER, een provisioneel karakter hebben gehad. In het algemeen is afzonderlijk hoger beroep van een tussenbeschikking niet mogelijk (art. 429n lid 3 Rv. oud). Tegen een provisionele tussenbeschikking staat echter wel afzonderlijk beroep in cassatie open (art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a Rv. oud).

2.9 Het verzoekschrift van [verzoeker] dat op 5 januari 2001 ter griffie van de rechtbank is ontvangen, strekt ertoe alsnog te bepalen dat aan hem geen voorschot wordt opgelegd. Het beoogt aldus de beslissing van de rechtbank van 20 oktober 1999 dat [verzoeker] de kosten van het deskundigenrapport zal voorschieten, ongedaan te maken. Daarmee wordt getracht hetzelfde resultaat te bereiken als met het instellen van een rechtsmiddel bereikt had kunnen worden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen dat door het in een andere procedure opnieuw aan de rechter voorleggen van aanspraken, verkapt appel of cassatie wordt ingesteld.

2.10 Ten overvloede vermeld ik in dit verband nog dat [verzoeker] blijkens zijn stellingen in hoger beroep (van de beschikking van 7 maart 2001) reeds voordat de rechtbank op 20 oktober 1999 uitspraak had gedaan, in het bezit was van de beslissing van de Raad voor de Rechtsbijstand dat hij (voorwaardelijk) kosteloos mocht procederen(3). Het had dan ook op de weg van [verzoeker] gelegen deze beslissing over te leggen(4), althans hiervan melding te maken(5).

2.11 Nu ook de tweede klacht faalt, kan het middel niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is op 21 december 2001 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

2 Behoudens voor zover erover wordt geklaagd dat het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiele vormen is toegepast, of ten onrechte buiten toepassing is gelaten, HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242, rov. 3.2. Zie ook HR 31 mei 1991, NJ 1991, 524.

3 Beroepschrift, blz. 2.

4 Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Algemeen Deel, par. 1.5.3, blz. 283.

5 De echtgenote van [verzoeker] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zij zich niet kan herrinneren dat op de zitting bij de rechtbank de toevoegingskwestie ter sprake is gebracht; zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, blz. 1.