Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE7913

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
1352
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE7913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 12 met annotatie van J.H. Jans
Jurisprudentie gebieds- en projectontwikkelingspraktijk 2010/1.3
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 1352

Derde Kamer B

Onteigening

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. J.W. ILSINK

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 3 mei 2002 inzake:

[eiser]

tegen

DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER

1. Feiten en procesverloop

1.1. [eiser] (hierna: [eiser]) is eigenaar van een perceel(1). Een gedeelte(2) van dat perceel is bij KB van 13 maart 2001(3) ingevolge art. 72a Ow ter onteigening aangewezen ten behoeve van - samengevat - de aanleg van de [a-straat]. In dat KB is [eiser] aangewezen als eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte.

1.2. Bij exploit van 2 augustus 2001 heeft de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de Gemeente) [eiser] doen dagvaarden voor de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de Rechtbank) en (onder meer) gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te spreken van dat gedeelte.

1.3. De Rechtbank heeft op 6 november 2001 in deze zaak vonnis(4) gewezen. De Rechtbank heeft in dat vonnis (onder meer) de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op ƒ 136.800 (90% van het aanbod ad ƒ 152.000) en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

1.4. Tegen dit vonnis heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, waarbij hij één middel van cassatie heeft voorgesteld.

1.5. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiser] heeft gerepliceerd.

1.7. Onder nr. 1351 is nog een - nagenoeg identieke - zaak aanhangig betreffende de (vervoegde) onteigening van een perceelsgedeelte ten behoeve van de aanleg van de [a-straat]. In die zaak neem ik vandaag ook een conclusie, die overigens weinig verschilt van deze conclusie. Onder nrs. 1353 en 1354 zijn verder nog twee vergelijkbare zaken aanhangig geweest, maar die procedures zijn door royement geëindigd

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel komt op tegen de verwerping door de Rechtbank (in rov. 3.2) van het verweer van [eiser] dat (in de woorden van de Rechtbank) "tot de onderhavige onteigening niet kan worden gekomen vanwege de omstandigheid dat in casu sprake is van een activiteit waarvoor een milieu effectenrapport moet worden opgesteld".

2.2. In het geval van een infrastructurele onteigening geldt vanaf 1999 als praktijk dat de Kroon in het kader van de noodzaaktoetsing beoordeelt of er voldoende zekerheid bestaat omtrent de planologische inpassing van het werk waarvoor wordt onteigend. Zulks is het geval, aldus deze toets van de Kroon, indien een planologische procedure is opgestart waarin dat werk past en voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de tervisielegging van de onteigeningsstukken belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld om in die planologische procedure zienswijzen of bedenkingen naar voren te brengen.(5) Ook in het onderhavige geval heeft de Kroon deze praktijk - waarmee de Kroon geheel binnen de haar toekomende bestuurlijke beleidsruimte blijft(6) - gehanteerd.

2.3. Uit het desbetreffende KB (§ 1.1) blijkt bovendien niet dat in de administratieve procedure - in het kader van het naar voren brengen van zienswijzen betreffende de beoordeling door de Kroon van de planologische grondslag van het werk waarvoor onteigend wordt - bezwaren zijn aangevoerd met betrekking tot het achterwege blijven van een zogenoemde milieueffectbeoordeling. Evenmin blijkt uit de stukken van het geding dat door [eiser] is aangevoerd dat het KB in zoverre onvolledig zou zijn. De desbetreffende bezwaren stonden dus niet aan de Rechtbank ter beoordeling. In HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418 m.nt. PCEvW (Strijpse Kampen) is immers benadrukt dat voor de onteigeningsrechter maar een beperkte taak is weggelegd:

4.2.2. De wetgever heeft in de Onteigeningswet aan de burgerlijke rechter die zich over de vordering tot onteigening moet uitspreken, immers een nauwkeurig afgebakende taak opgedragen. Tot die taak behoort niet de beoordeling van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan, naar de plaats waar het werk tot uitvoering moet komen, naar de voor de uitvoering van dat werk benodigde grond met nauwkeurige aanwijzing van de desbetreffende terreinen en (...) naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen, met name het algemene belang tegenover het door de onteigening te treffen individuele belang van de bij die terreinen belanghebbenden; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur. Met dit wettelijke stelsel is een zelfstandige beoordeling van voormelde vragen door de onteigeningsrechter naar het tijdstip van zijn uitspraak in strijd. Weliswaar brengt het bepaalde in artikel 6 EVRM mee dat, voorzover door dit stelsel wordt tekortgedaan aan de in dat verdragsartikel bedoelde waarborgen, de Onteigeningswet buiten toepassing moet blijven, doch artikel 6 dwingt niet tot een verdergaande inbreuk op evenbedoeld wettelijk stelsel dan dat de rechter de rechtmatigheid van (het besluit tot goedkeuring van) het onteigeningsbesluit dient te toetsen en wel naar de situatie ten tijde van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht. Voormelde verdragsbepaling dwingt de onteigeningsrechter dan ook niet tot een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening dan wel tot een beoordeling van nieuwe feiten, welke worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door het bestuur verworpen bezwaren, een en ander naar het tijdstip van zijn uitspraak.

2.4. Daaruit volgt dat de Rechtbank het verweer van [eiser] met betrekking tot de milieueffectbeoordeling terecht heeft verworpen, ook al heeft zij daarvoor een andere grond gehanteerd. Het middel faalt derhalve.

2.5. Bovendien komt het mij voorshands voor dat de onteigeningsrechter zich niet moet begeven in MER-kwesties. Dat moet hij overlaten aan de bestuursrechter in het kader van diens beoordeling van een bestemmingsplan of een bouwvergunning in een ruimtelijke-ordeningprocedure. Dat heeft de rechtbank (in rov. 3.2.4) volgens mij goed gezien.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie [...], nummer [...], ter grootte van 11.71 are.

2 Te onteigenen grootte: 70 centiare.

3 KB van 13 maart 2001, nr. 01.001332, Stcrt. 6 juni 2001, 106.

4 Zaaknr/rolnr: 76771/HA ZA 01-1087.

5 Vgl. punt 4.8 van mijn conclusie voor HR 10 augustus 2001, nr. 1314 ([...]/Haarlemmermeer), ook een procedure in het kader van de onteigening ten behoeve van de aanleg van de [a-straat].

6 Vgl. punt 4.9 van de conclusie die ik heb genoemd in de vorige noot.