Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE7297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
04-11-2002
Zaaknummer
01358/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE7297
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 47
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 5
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01358/02 U

Mr Fokkens

Zitting: 20 augustus 2002

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank te Rotterdam heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan België ter fine van strafvervolging toelaatbaar verklaard. Voorts heeft de Rechtbank bepaald dat de voorwerpen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen ter beschikking zullen worden gesteld van de Belgische autoriteiten.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr S.F.J. Smeets, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitlevering van de opgeëiste persoon op grond van art. 7 EU-Uitleveringsovereenkomst toelaatbaar was, terwijl art. 5 van het Benelux Uitleveringsverdrag de uitlevering van eigen onderdanen ongeclausuleerd uitsluit.

4. De in het middel bedoelde verdragsbepalingen luiden als volgt:

Art. 5, eerste lid, Benelux-verdrag uitlevering en rechtshulp in strafzaken (Trb. 1962, 97, hierna: Benelux-Uitleveringsverdrag):

"De Hoge Verdragsluitende Partijen leveren hun onderdanen niet uit."

Art. 7 Overeenkomst, opgesteld op grond van K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Trb. 1996, 304, hierna: EU-Uitleveringsovereenkomst):

"1. Uitlevering mag niet worden geweigerd op grond van het feit dat de persoon wiens uitlevering is verzocht, onderdaan in de zin van artikel 6 van het Europees Uitleveringsverdrag is van de aangezochte Lid-Staat.

2. Elke Lid-Staat kan bij de in artikel 18, lid 2, bedoelde kennisgeving verklaren dat hij uitlevering van zijn onderdanen niet toestaat of slechts onder bepaalde door hem aan te geven voorwaarden.

3. (...)".

5. Blijkens de considerans strekt de EU-Uitleveringsovereenkomst tot aanvulling van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 en van andere geldende verdragen op dit terrein. Artikel 1, eerste lid, van de EU-Uitleveringsovereenkomst luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"1. Deze Overeenkomst strekt tot het aanvullen en het vergemakkelijken van de toepassing, tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, van:

- (...);

- hoofdstuk 1 van het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden van 27 juni 1962, zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 mei 1974, hierna te noemen: Benelux-Verdrag."

Op grond van art. 18, tweede lid, EU-Uitleveringsovereenkomst stellen de Lid-Staten de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van de Overeenkomst vereiste procedure. Op grond van art. 18, vierde lid, EU-Uitleveringsovereenkomst kunnen Lid-Staten bij de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, of op enig ander tijdstip verklaren dat de Overeenkomst negentig dagen na nederlegging van de verklaring op hem van toepassing is in zijn betrekkingen met andere Lid-Staten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd.

6. Nederland (Trb. 2001, 24) en België (Belgisch Staatsblad, 2001-2606) hebben inmiddels een kennisgeving ex art. 18, tweede lid, EU-Uitleveringsovereenkomst gedaan met als gevolg dat het verdrag tussen deze landen sinds 23 oktober 2001 wordt toegepast conform art. 18, vierde lid, EU-Uitleveringsovereenkomst (Trb. Maandbericht oktober 2001). De Memorie van Toelichting bij de Goedkeuringswet houdt onder meer het volgende in:

"Tot nu toe leveren alleen Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk onderdanen uit. Zoals bekend voorziet art. 4, tweede lid, van de Uitleveringswet in uitlevering van Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen ten behoeve van strafvervolging onder de garantie dat een na de uitlevering opgelegde vrijheidsstraf in Nederland kan worden ondergaan. (...)

Een aantal lid-staten - Duitsland, Italië, en Griekenland - kennen een grondwettelijk verbod op uitlevering van eigen onderdanen, terwijl in de overige lidstaten een dergelijk verbod in de wet is vastgelegd. Zo hebben Denemarken en Duitsland bij de aanvaarding van het verdrag de uitlevering van eigen onderdanen uitgesloten. Tijdens de onderhandelingen is gebleken dat België, Spanje, Luxemburg en Finland in elk geval voorstander zijn van een snelle opheffing van dat wettelijke verbod, althans voor wat betreft uitlevering aan EU-lidstaten én voorzover deze wordt verzocht ten behoeve van een strafvervolging. Zij toonden zich daarmee voorstanders van de Nederlandse regeling."

Kamerstukken 1998-1999, 26 697, nr.3, blz. 7-8.

7. Nederland heeft overeenkomstig art. 7, tweede lid, EU-Uitleveringsovereenkomst verklaard dat door Nederland geen uitlevering of doortocht zal worden toegestaan van Nederlandse onderdanen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf of andere maatregelen. Nederlandse onderdanen kunnen echter worden uitgeleverd ten behoeve van strafvervolging voorzover de verzoekende staat een garantie afgeeft dat de opgeëiste persoon weer aan Nederland wordt overgedragen ten einde daar zijn straf te ondergaan, indien aan hem na uitlevering een vrijheidsbenemende straf, anders dan een voorwaardelijke straf, of een tot vrijheidsbenemende strekkende maatregel is opgelegd (artikel III Goedkeuringswet, Stb. 2000, 205). Ook België heeft een voorbehoud van deze strekking gemaakt

8. Het middel berust op de opvatting dat de exceptie van art. 5 Benelux-Uitleveringsverdrag niet opgeheven wordt door art. 7, eerste lid, EU-Uitleveringsovereenkomst, zodat de uitlevering van de opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft, niet kan worden toegelaten. Die opvatting is onjuist. Blijkens de tekst van de EU-Uitleveringsovereenkomst strekt deze onder meer tot het aanvullen en vergemakkelijken van uitlevering op grond van het Benelux-Uitleveringsverdrag. Nu de EU-Uitleveringsovereenkomst tussen Nederland en België ten tijde van het uitleveringsverzoek van toepassing was, heeft de Rechtbank op grond van art. 7, eerste lid, EU-Uitleveringsovereenkomst de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar kunnen verklaren.

9. Voorts wordt geklaagd dat niet blijkt op welke wijze de Rechtbank heeft vastgesteld dat door België is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon de eventueel op te leggen straf in Nederland zal kunnen ondergaan. De klacht miskent dat een beslissing aangaande de genoegzaamheid van de terugkeergarantie is voorbehouden aan de Minister van Justitie, artikel 4, tweede lid, Uitleveringswet (vgl. HR 16 maart 1993, NJ 1993, 721).

10. Tenslotte wordt geklaagd dat indien de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard er geen garantie bestaat dat de opgeëiste persoon, terwijl zijn uitleveringsdetentie door de Nederlandse rechter is geschorst, de Belgische strafzitting in vrijheid zal mogen afwachten. Ook om die reden had de Rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar moeten verklaren. De klacht ziet er aan voorbij dat de Rechtbank uitsluitend op één van de gronden als vermeld in art. 28, tweede lid, Uitleveringswet de uitlevering ontoelaatbaar kan verklaren. Voorts is het niet aan de Nederlandse uitleveringsrechter om een vreemde mogendheid voorwaarden betreffende de wijze waarop aldaar een bepaalde procedure wordt afgewikkeld op te leggen.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de auto van de opgeëiste persoon ter beschikking van de Belgische autoriteiten wordt gesteld. Het middel voert daartoe aan dat niet aannemelijk is geworden dat de auto als stuk van overtuiging dan wel tot bewijs kan dienen.

13. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding is de opgeëiste persoon op 16 februari 2002 aangehouden, toen hij in zijn geparkeerde auto zat. Eerder die avond was via de meldkamer van de politie Rotterdam-Rijnmond een bericht verspreid dat inzittenden van de bewuste auto een overval hadden gepleegd in Turnhout, waarbij geweld was gebruikt en de dagopbrengst en een aantal honden was weggenomen. Door de Procureur des Konings van België was om aanhouding verzocht. Het op 18 februari 2002 schriftelijk gegeven bevel tot aanhouding van de onderzoeksrechter te Turnhout houdt onder meer in dat er "ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in verdenking gestelde, (...) bewijzen zou pogen te laten verdwijnen". Vervolgens is op dezelfde datum de auto van de opgeëiste persoon in beslag genomen door de politie ten behoeve van de waarheidsvinding. De Rechtbank heeft ten aanzien van de voorwerpen het volgende overwogen:

"De rechtbank bepaalt ten aanzien van de voorwerpen vermeld op de lijst in beslaggenomen voorwerpen, betreffende een hond, een mes en een auto van het merk BMW, type 525i K6, met kenteken [AA-00-AA], dat deze voorwerpen zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon en dat deze overeenkomstig het daartoe strekkend verzoek ter beschikking zullen worden gesteld."

14. Art. 20, eerste lid, Benelux-Uitleveringsverdrag luidt als volgt:

"Op verzoek van de verzoekende Partij zal de aangezochte Partij, voor zover zulks krachtens haar wetgeving is toegestaan, de voorwerpen in beslag nemen:

a) die kunnen dienen als stukken van overtuiging;

b) die afkomstig zijn van het strafbare feit en hetzij vóór, hetzij na de overlevering van de aangehouden persoon worden gevonden; en deze overdragen."

15. Aangenomen moet worden dat de Rechtbank de auto, zoals ook in het middel wordt verondersteld, heeft aangemerkt als stuk van overtuiging, zodat hier sprake is van een beslag op grond van art. 20, eerste lid onder a, Benelux-Uitleveringsverdrag. In HR 12 juni 1984, NJ 1985, 173 oordeelde de Hoge Raad dat als stukken van overtuiging in de zin van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken dienen te worden verstaan voorwerpen die naar het oordeel van de rechterlijke autoriteiten van het verzoekende land kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. In een recente uitspraak van de Hoge Raad komt naar voren dat als uitgangspunt, in het kader van een verlofprocedure ex art. 552p, tweede lid, Sv, heeft te gelden dat, indien het verzoek is gegrond op een verdrag, aan dat verzoek ingevolge art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (HR 19 maart 2002, nr. 01627/00 B, LJN: ZD2927). Hetgeen de Hoge Raad hier heeft overwogen ten aanzien van stukken van overtuiging in het kader van internationale rechtshulp, heeft naar mijn idee evenzeer te gelden voor de inbeslaggenomen voorwerpen die als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt wanneer zij in beslag zijn genomen in het kader van een uitleveringsverzoek.

16. In het uitleveringsverzoek van 1 maart 2002 is verzocht om ten laste van de opgeëiste persoon inbeslaggenomen geld of goederen ter beschikking van de Belgische Justitie te stellen. Het feit waarvoor de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard is als volgt omschreven:

"Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben om, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben om, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden, door middel van geweld of bedreiging, ten nadele van [slachtoffer 1] vijf pups ter waarde van €3.900 en ten nadele van [slachtoffer 2] een som geld ten bedrage van €3.055 die hem niet toebehoorde bedrieglijk weggenomen te hebben, met de omstandigheid dat de diefstal gepleegd werd onder drie van de in artikel 471 Strafwetboek vermelde omstandigheden, namelijk:

- de diefstal gepleegd werd bij nacht

- de diefstal gepleegd werd door twee of meer personen

- de schuldige om de diefstal te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren gebruik maakte van een voertuig of enig al dan niet met een motor aangedreven tuig".

17. De Rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat de inbeslaggenomen auto tot bewijs kan dienen van het feit waarvoor de uitlevering wordt verlangd en aldus als stuk van overtuiging kan worden beschouwd. Dat oordeel getuigt, mede gelet op het uitgangspunt dat aan een verzoek als het onderhavige zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven en gelet op de omstandigheid dat de betreffende auto gebruikt zou zijn bij het begaan van het feit, niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk.

18. Voorzover in het middel nog wordt gesteld dat de opgeëiste persoon de auto niet kan missen, omdat de auto voor hem het enig beschikbare middel van vervoer vormt en de extra financiële druk van een vervangende auto onredelijk bezwarend is, merk ik op dat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. Afgezien hiervan diende de Rechtbank alleen na te gaan of met de afgifte van de inbeslaggenomen voorwerpen het doel gediend kan zijn met het oog waarop in het Benelux-Uitleveringsverdrag de afgifte is geregeld.

19. Ook het tweede middel faalt.

20. Ambtshalve heb ik nog de volgende opmerkingen. In de bestreden uitspraak is verzuimd art. 20 Benelux-Uitleveringsverdrag te vermelden. Deze misslag kan door de Hoge Raad hersteld worden. Voorts heeft de Rechtbank als beslissing heeft opgenomen: "bepaalt dat de voorwerpen (...) ter beschikking zullen worden gesteld van de Belgische autoriteiten". Ingevolge art. 47, eerste lid, Uitleveringswet dient echter de afgifte van de inbeslaggenomen voorwerpen te worden bevolen, voorzover de Minister van Justitie het verzoek tot uitlevering inwilligt. De Hoge Raad kan de beslissing van de Rechtbank in zoverre verbeteren.

21. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voorzover de Rechtbank verzuimd heeft art. 20 Benelux-Uitleveringsverdrag te vermelden en bij het gelasten van de afgifte van de inbeslaggenomen goederen heeft verzuimd te vermelden dat de afgifte wordt bevolen "voor het geval van inwilliging van het verzoek tot uitlevering" (HR 16 oktober 1986, NJ 1987, 257), in zoverre zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.