Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE6175

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-08-2002
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
01191/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE6175
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 1191/02/U

Zitting 23 juli 2002

Conclusie inzake

[De opgeëiste persoon]

1. Bij uitspraak van 23 april 2002 heeft de Rechtbank te Haarlem de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk België toelaatbaar verklaard. Tegen die uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2. De zaak is op 25 juni 2002 op de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad overeenkomstig art. 438 lid 1 Sv in behandeling genomen. Vóór die zittingsdag had Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, namens [de opgeëiste persoon] een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. Op de terechtzitting van 25 juni is bepaald dat de procureur-generaal op de terechtzitting van 23 juli 2002 zijn conclusie zal nemen. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon op 9 juli 2002 het cassatieberoep ingetrokken door middel van een verklaring ex art. 451a lid 1 Sv.

3. Het is de vraag of intrekking van het beroep in deze fase van de procedure nog mogelijk is gelet op het bepaalde in art. 453 lid 1 Sv. Uit twee beslissingen van de Hoge Raad zou kunnen worden opgemaakt dat dit niet het geval is. HR 15 december 1998, NJ 1999, 208 is de eerste die ik wil noemen. In die zaak klaagde het middel van cassatie dat het arrest van het hof niet de volledige inhoud van de bewijsmiddelen bevatte. Nadat de advocaat-generaal bij de voorbereiding van de conclusie navraag had gedaan bij het hof werd een volledig afschrift van het arrest toegezonden. Daarop werd het cassatieberoep ingetrokken. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet (meer) mogelijk was, omdat de zaak ter terechtzitting van de Hoge Raad was behandeld en intrekking ingevolge het eerste lid van art. 453 Sv slechts kan tot de aanvang van de behandeling van het beroep. De tweede zaak, die ik hier vermeld, is HR 9 februari 1999, nr. 111.036/U. In die zaak, ook een uitleveringszaak, werd het beroep na de eerste terechtzitting van de Hoge Raad en vóór de terechtzitting waarop de advocaat-generaal zijn conclusie nam, ingetrokken. Ook hier overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar het eerste lid van art. 453 Sv dat dit niet mogelijk was. In beide zaken werd het cassatieberoep door de Hoge Raad behandeld.

4. De op 1 juni 1999 gewijzigde cassatieprocedure in strafzaken (Wet van 1 oktober 1998, Stb. 1998, 591) geeft mijns inziens aanleiding om hierover thans anders te oordelen. Door die wet is ook in strafzaken de enkelvoudige kamer, die als rolrechter fungeert, geïntroduceerd. Op de zitting van de rolrechter wordt de zaak niet inhoudelijk behandeld. Dat geschiedt pas nadat de zaak door de rolrechter naar de meervoudige kamer is verwezen voor een mondelinge toelichting van de middelen of omdat een dag voor de uitspraak is bepaald (art. 438 lid 2 Sv).

Deze 'administratieve rolzitting' is bij de parlementaire voorbereiding ervan als volgt toegelicht:

Met het nieuw voorgestelde art. 438 () is beoogd de wet in overeenstemming te brengen met een deels reeds gevolgde werkwijze. De cassatieprocedure, zoals die sedert 1921 werkt, blijkt in de afgelopen decennia niet meer overeen te komen met een efficiënte werkwijze van de Hoge Raad in verband met de toename van het aantal beroep in cassatie. Het in het huidige tweede lid van art. 436 voorziene rapporteurschap en de uit het huidige eerste lid van art. 438 voortvloeiende taak van de rapporteur ter terechtzitting hebben in de praktijk geen betekenis meer. Het onderhavige voorstel strekt ertoe de wettelijke bepalingen in overeenstemming te brengen met de huidige praktijk en functie van een terechtzitting in cassatie: behoudens een eventuele mondelinge toelichting door een advocaat is een dergelijke terechtzitting niet meer dan een administratieve rolzitting waarop uitspraken worden gedaan, conclusies worden genomen en nieuwe zaken worden aangebracht, waarin in zaken die daarvoor in aanmerking komen een schriftelijke toelichting wordt overgelegd.

(Kamerstukken II 1996-1997, 25 240, nr. 3 (MvT), blz. 10).

5. In de oude situatie - vóór 1 juni 1999 - vond op de eerste zittingsdag van de Hoge Raad in de zaak in het algemeen ook geen inhoudelijke behandeling plaats - er werden meestal enkel rolbeslissingen genomen - maar de juridische status van die terechtzitting was een andere, onder meer omdat op die terechtzitting de rapporteur zijn verslag uitbracht, welk verslag ook inhoudelijke aspecten van de zaak kon betreffen (vgl. art. 438 (oud) Sv).

6. Door die wijziging is het thans gemakkelijker om voor de uitleg van art. 453 lid 1 Sv in verband met het beroep in cassatie aansluiting te zoeken bij de mogelijkheden tot het intrekken van het hoger beroep. Daarvoor heeft de Hoge Raad aanvaard dat intrekking mogelijk is ook nadat het onderzoek ter terechtzitting door het uitroepen van de zaak een aanvang heeft genomen, zolang nog geen enkel onderzoek ten gronde is gedaan (HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 69 rov. 4.3.2.; zie H.K. Elzinga, In beroep, diss. Tilburg 1998, blz. 270-272 en HR 28 februari 1938, NJ 1938, 1088 m.nt. T). Een mogelijkheid tot intrekking van het cassatieberoep zolang de zaak nog niet is verwezen naar de meervoudige kamer zou passen in die jurisprudentie.

7. Een dergelijke uitbreiding van de mogelijkheden tot intrekking van het beroep zou ook passen bij het streven de werkbelasting van de strafkamer van de Hoge Raad zoveel mogelijk te beperken. Dit streven is niet gediend bij het voortzetten van zaken hoewel degene die het cassatieberoep heeft ingesteld, zelf verklaart geen belang meer te hebben bij een behandeling van zijn zaak. Het voorkómen van onnodig werk prevaleert inmiddels boven de - of is gelijk te stellen met de - tijdens de parlementaire voorbereiding van art. 453 Sv benadrukte 'eerbied aan den rechterlijke macht verschuldigt' waarmee, zo werd destijds aangenomen, niet zou overeenstemmen dat de verdachte onmiddellijk na het uitroepen der zaak het beroep zou intrekken (J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, diss. Groningen 1989, blz. 358-359).

8. Als laatste argument noem ik nog dat de wet géén beperkingen stelt aan het moment waarop een cassatiemiddel kan worden ingetrokken terwijl de gevolgen daarvan vergelijkbaar kunnen zijn met het intrekken van het cassatieberoep. Indien na het intrekken van een middel geen middel resteert, is niet voldaan aan het vereiste om een schriftuur houdende een middel van cassatie in te dienen zodat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard (HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 110). Dan wordt weliswaar een uitspraak verkregen, maar de zaak is niet inhoudelijk beoordeeld, zoals ook geval is als de zaak van de rol wordt gevoerd.

9. Onbeperkt is de mogelijkheid het cassatieberoep in te trekken evenwel niet. Nog afgezien van de letter van de wet, moet worden voorkomen dat de Hoge Raad arrest zou wijzen en dat vervolgens zou blijken dat het cassatieberoep ondertussen is ingetrokken (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 230 en 231 m.nt. JdH waarin de Hoge Raad telkens een herstelarrest wees toen na het wijzen van een zogenoemd peek-arrest bleek dat tijdig middelen waren ingediend). De mogelijkheid om het beroep in te trekken zolang de conclusie nog niet is genomen en verwijzing naar de meervoudige kamer nog niet heeft plaatsgehad, is vanuit die optiek aanvaardbaar. Daarom zou ik art. 453 lid 1 Sv voor wat betreft de behandeling van het cassatieberoep aldus willen uitleggen dat de behandeling van de zaak in cassatie aanvangt, zoals bedoeld in art. 453 lid 1 Sv, met het overeenkomstig art. 438 lid 2 Sv door de rolrechter verwijzen van de zaak naar de meervoudige kamer. Het cassatieberoep kan tot dat moment worden ingetrokken.

10. Samenvattend meen ik dat de behandeling van de zaak in cassatie niet was aangevangen, nu de rolrechter de zaak nog niet ex art. 438 lid 2 Sv naar de meervoudige kamer had verwezen, zodat het cassatieberoep tijdig is ingetrokken.

11. Deze conclusie strekt ertoe de zaak van de rol te voeren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.