Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4927

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
1356
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 77
RvdW 2002, 120

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. J.W. ILSINK

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 5 april 2002 inzake:

Nr. 1356

Derde Kamer B

Onteigening

[eiser]

tegen

NS RAILINFRABEHEER BV

1. Feiten en procesverloop

1.1 [Eiser] is eigenaar van een perceel(1). Een gedeelte(2) van dat perceel is bij KB van 3 mei 2000(3) ingevolge art. 72a Ow ter onteigening aangewezen ten behoeve van - samengevat - de aanleg van de Gooiboog. In dat KB is [betrokkene 1] aangewezen als eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte.

1.2. Bij exploit van 11 juli 2001 heeft NS Railinfrabeheer BV (hierna: Railinfrabeheer) [betrokkene 1] doen dagvaarden voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de Rechtbank) en (onder meer) gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te spreken van dat gedeelte. Per 6 augustus 1999 was de eigendom van het perceel evenwel bij [eiser] komen te berusten, die dan ook in de procedure is tussengekomen, nadat evenbedoeld exploit bij exploit van 13 juli 2001 aan hem was betekend.

1.3. Bij beschikking van 17 juli 2001(4) heeft de Rechtbank op verzoek van Railinfrabeheer op de voet van art. 54a Ow een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd.

1.4. De (vervroegde) plaatsopneming heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2001. In het dossier bevindt zich een afschrift van het proces-verbaal daarvan. Blijkens dat proces-verbaal heeft de rechter-commissaris na de sluiting van de opneming - in overleg met partijen - bepaald dat deskundigen binnen vier maanden na die (vervroegde) plaatsopneming een concept-rapport aan partijen zullen toezenden, dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld daarop binnen een maand te reageren waarna de deskundigen binnen een maand nadien hun (eind)rapport ter griffie zullen deponeren.

1.5. De Rechtbank heeft op 28 november 2001 in deze zaak vonnis(5) gewezen. De Rechtbank heeft in dat vonnis (onder meer) de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op ƒ 33.300, zijnde 90% van het aanbod ad ƒ 37.000, en de deskundigen opgedragen de schadeloosstelling van [eiser] te begroten.

1.6. Tegen dit vonnis heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie, bestaande uit drie onderdelen.

1.7. Railinfrabeheer heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, behalve voorzover onderdeel C klaagt dat de Rechtbank geen datum heeft vastgesteld waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden. Ten aanzien van die klacht heeft Railinfrabeheer zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

1.8. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. Railinfrabeheer heeft gedupliceerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1.1. In onderdeel A van het middel wordt ten eerste betoogd dat art. 17 Ow zou zijn geschonden omdat de termijn van tien dagen, die Railinfrabeheer aan [eiser] heeft gegund om haar (laatste) aanbod van 26 juni 2001 te accepteren, te kort zou zijn. De Rechtbank heeft (in rov. 6.3) over dat betoog geoordeeld dat die termijn in het licht van de onderhandelingen die partijen bijna twee jaren voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding hebben gevoerd niet als te kort kan worden aangemerkt. Anders dan het onderdeel wil, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting(6) en is het evenmin onbegrijpelijk.

2.1.2. Daarnaast bestrijdt dit onderdeel het oordeel (eveneens in rov. 6.3) dat [eiser] in de periode van 15 dagen tussen het laatste aanbod en het uitbrengen van de onteigeningsdagvaarding niets van zich heeft laten horen. Nu dat oordeel - in het licht van de stelling van [eiser] dat hij contact heeft proberen op te nemen met de onderhandelaar van Railinfrabeheer en dus niet met degene die het laatste aanbod had uitgebracht: de advocaat van Railinfrabeheer - niet onbegrijpelijk is, faalt het onderdeel ook in zoverre.

2.1.3. Ten slotte wordt in het onderdeel gewezen op de omstandigheid dat - kort samengevat - Railinfrabeheer nog tijdens die termijn van tien dagen een verzoek heeft gedaan om een (vervroegde) plaatsopneming te gelasten. Dienaangaande heeft de Rechtbank (in rov. 6.4) geoordeeld dat Railinfrabeheer evenmin in strijd met art. 17 Ow heeft gehandeld door dat verzoek binnen die termijn te doen. Anders dan dit onderdeel wil, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

2.1.4. Onderdeel A faalt mitsdien.

2.2. Onderdeel B van het middel betoogt dat art. 54g Ow zou zijn geschonden, nu de onteigeningsdagvaarding door Railinfrabeheer is uitgebracht voordat de vervoegde plaatsopneming had plaatsgevonden (zie §§ 1.2 en 1.4). HR 15 maart 2002, nr. 1347 (Micherna/Staat), betrof een zaak waarin eveneens de dagvaarding was uitgebracht voordat de vervroegde plaatsopneming had plaatsgevonden. In mijn conclusie voor die zaak besteedde ik daar (in een voetnoot) ambtshalve aandacht aan. Ik schreef toen:

Dat is dus nog vóór de descente. Niet valt in te zien dat art. 54g Ow zich daartegen zou verzetten (vgl. B.S. ten Kate, Gemeentelijke grondverwerving, Het recht van de sterkste, preadvies voor de Vereniging voor Bouwrecht, Publikatie nr. 28 (2000), blz. 130).

Onderdeel B faalt derhalve eveneens. In dit verband lijkt het mij zinnig hier Ten Kate (t.a.p.) te citeren, die immers de Hoge Raad uitnodigt zich uit te spreken:

Hoewel nauwelijks of geen steekhoudende argumenten te geven zijn die de juistheid van [deze opvatting zouden] kunnen staven, vormt de onbekendheid van het standpunt van de Hoge Raad omtrent dit punt een risico voor de gemeente

2.3.1. Onderdeel C van het middel betoogt dat de Rechtbank art. 54j, lid 2, Ow heeft geschonden doordat zij geen datum heeft vastgesteld waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden. Inderdaad heeft de Rechtbank dat nagelaten. Ik meen evenwel - zoals ik hierna uiteen zal zetten - dat daaraan geen gevolgen behoeven te worden verbonden.

Art. 34, lid 4, Ow gebiedt de rechtercommissaris om bij een gewone plaatsopneming de dag vast te stellen "waarop nederlegging ter griffie van het deskundigenrapport zal plaats vinden". Dat voorschrift is in art. 54e Ow niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de vervroegde plaatsopneming, maar daarentegen bepaalt art. 54j, lid 2, Ow dat de rechtbank in haar "vervroegde uitspraak over de onteigening" een datum vaststelt waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden. Een en ander is begrijpelijk, nu het ten tijde van een vervroegde plaatsopneming veelal onzeker zal zijn of het nog tot een gerechtelijke procedure zal komen.(7)

Wij moeten evenwel niet uit het oog verliezen dat het voorschrift van art. 54j, lid 2, Ow uitgaat van het wettelijke systeem van art. 34 e.v. Ow. Ten Kate(8) schrijft daarover:

Dit wettelijk systeem is in de praktijk vrijwel overal vervangen door de concept-rapportage. Alsdan brengen deskundigen een concept-rapport uit, waarop partijen kunnen reageren, waarna pas een definitief rapport wordt gedeponeerd. Het indienen van een bezwaarschrift blijft achterwege(...); wel kan nog pleidooi volgen.

En het is nu juist dat systeem - dat kennelijk beter aansluit bij de noden van de praktijk - dat in deze zaak is gevolgd (zie § 1.4). Ook voor de vervroegde plaatsopneming geldt kennelijk dat de praktijk van het onteigeningsgeding sterker is dan de wettelijke leer. In deze zaak was dat in elk geval zo. Bovendien komt (of kwam) [eiser] in het in de praktijk gegroeide systeem niets tekort: hij heeft de mogelijkheid (gehad) te reageren op het concept-rapport en bovendien kan (of kon) hij daarnaast bij pleidooi het definitieve rapport bestrijden. De klacht mist dus belang.

2.3.2. Voor het overige bevat onderdeel C een klacht over schending van art. 54j, lid 3, Ow, waarin is bepaald dat de rechtbank ambtshalve onderzoekt of het in de onteigeningsdagvaarding aangeduide goed hetzelfde is als waarop de vervroegde plaatsopneming betrekking heeft gehad. Die klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag: dat proces-verbaal laat immers geen andere gevolgtrekking toe dan dat het betrekking heeft op het onderhavige perceelsgedeelte.

2.3.3. Ook onderdeel C faalt dus.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Kadastraal bekend gemeente Weesp, [...], ter grootte van 13.70 are.

2 Te onteigenen grootte: 3.15 are.

3 KB van 3 mei 2000, nr. 00.002879, Stcrt. 7 juni 2000, 108.

4 Nummer 01/0595 H.

5 Nummer H. 01/1940/C 1.1921.

6 Vgl. HR 4 mei 1994, NJ 1996/4, m.nt. MB (Nedstaal/Alblasserwaard en de Vijf-heerenlanden).

7 Vgl. Kamerstukken II 1969/70, 10 590, nr. 3, blz. 18, lk.

8 B.S. ten Kate, Gemeentelijke grondverwerving, Het recht van de sterkste, preadvies voor de Vereniging voor Bouwrecht, Publikatie nr. 28 (2000), blz. 103. Een vergelijkbaar betoog is te vinden in Onteig., eigendomsbep. en kostenverh., H.J.M. van Mierlo, Bijz. IB V § 12 - suppl. 62 (februari 1993).