Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4703

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
C00/314HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4703
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 387
JWB 2002/244

Conclusie

Rolnummer C 00/314 HR

Mr. Bakels

Zitting 29 maart 2002

Conclusie inzake

[Eiseres]

t e g e n

[verweerster]

(niet verschenen)

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de gevolgen van de opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane advocatenmaatschap en meer in het bijzonder om de vraag of de betaling wegens goodwill door een nieuw toetredende advocaat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gedeeltelijk moet worden terugbetaald op grond van het feit dat de advocaat aan wie deze betaling is gedaan, de samenwerking na anderhalf jaar om hem moverende redenen heeft beëindigd.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(1)

(a) [verweerster] is in juli 1992 toegetreden tot een advocatenmaatschap die toen werd gevormd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Deze maatschap heeft vervolgens de naam [B] gekregen. Er is geen op schrift gesteld maatschapscontract opgemaakt. De drie maten waren de praktijkvennootschappen van de genoemde advocaten. De praktijkvennootschap van [betrokkene 1] is genaamd [eiseres].

(b) [verweerster] heeft wegens die toetreding aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een vergoeding betaald van in totaal f 250 000,-. Hij heeft de ene helft van het bedrag aan [betrokkene 1] voldaan en de andere helft aan [betrokkene 2]. De aan [betrokkene 1] gedane betaling is ten goede gekomen van [eiseres].

(c) In september 1993 heeft [betrokkene 1] de maatschap [B] opgezegd tegen 31 december 1993. Dientengevolge is die maatschap met ingang van genoemde datum ontbonden. [verweerster] heeft de advocatenpraktijk voortgezet met [betrokkene 2]. [betrokkene 1] is - samen met [betrokkene 3] - elders een advocatenpraktijk begonnen.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [verweerster] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt voor de rechtbank Amsterdam. Zij vorderde dat [betrokkene 1] of [eiseres] zou worden veroordeeld haar een bedrag van f 87 500,- terug te betalen. Aan haar vordering legde zij in de kern ten grondslag dat zij bij het betalen van de goodwillvergoeding redelijkerwijs mocht verwachten dat de maatschap langere tijd zou voortduren. Zij stelde deze periode op (ten minste) vijf jaar, daarbij aansluiting zoekend bij de in de praktijk gebruikelijke afschrijfperiode voor goodwillbetalingen. Nu [betrokkene 1/eiseres] al na anderhalf jaar uit de maatschap is getreden, dient zij of [eiseres] aan [verweerster] terug te betalen een bedrag van 70% van de betaalde vergoeding.

[betrokkene 1] en [eiseres] voerden gemotiveerd verweer.

1.4 Bij vonnis van 18 november 1998 heeft de rechtbank [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen [betrokkene 1], maar deze tegen [eiseres] integraal toegewezen. Aan deze laatste beslissing legde de rechtbank kort gezegd de volgende overwegingen ten grondslag.

Het door [verweerster] betaalde bedrag moet in de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval als goodwillvergoeding worden aangemerkt (rov. 6). De opzegging van de maatschap door [betrokkene 1/eiseres] is te beschouwen als een onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6: 258 lid 1 BW omdat partijen bij het sluiten van de maatschapsovereenkomst zijn uitgegaan van een langdurige en duurzame samenwerking, terwijl deze al na anderhalf jaar is verbroken. Daardoor is het evenwicht tussen de beoogde samenwerking en de daartegenover betaalde goodwillvergoeding verbroken (rov. 7). De financiële gevolgen daarvan zijn niet verdisconteerd in de tot stand gebrachte vereffening (rov. 8). De hoogte van het gevorderde bedrag is op zichzelf niet door [eiseres] bestreden (rov. 9).

1.5 [eiseres] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het hof Amsterdam. Zij heeft daartoe vijf grieven aangevoerd. [verweerster] voerde gemotiveerd verweer.

Bij arrest van 13 juli 2000 heeft het hof met verbetering van gronden het bestreden vonnis bekrachtigd, voorzover aan zijn oordeel onderworpen. Samengevat weergegeven overwoog het daartoe als volgt.

[eiseres] heeft het oordeel van de rechtbank bestreden, dat de onderhavige bepaling als tegenprestatie heeft te gelden voor door de bestaande maatschap opgebouwde goodwill. Dit verweer houdt geen steek (rov. 3.10-3.16).

De aard van de samenwerking in een advocatenmaatschap brengt mee dat deze samenwerking een redelijke tijd voortduurt. In het onderhavige geval zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit iets anders kan volgen (rov. 3.23).

De rechtbank heeft geoordeeld dat het evenwicht tussen de duur van de samenwerking en de hoogte van de goodwillvergoeding is verbroken.

" 3.26 Het hof acht dit een naar redelijkheid en billijkheid juiste beoordeling. Daarbij kan de aard van de onderhavige vergoeding mede in aanmerking worden genomen. Het is redelijk om betaling voor goodwill als de onderhavige af te schrijven in vijf jaar. Dat brengt met zich mee dat, nu [verweerster] daartoe niet de gelegenheid heeft gehad, dat deel van die vergoeding dat nog niet zou kunnen worden afgeschreven, tussen [betrokkene 1] en [verweerster] moet worden vereffend."

Ten overvloede overwoog het hof nog dat zijn beslissing niet is gebaseerd op art. 6:258 BW of op art. 6: 203 BW. Evenmin is er reden om de door [betrokkene 1/eiseres] gedane opzegging alsnog op grond van art. 7A:1686 BW te vernietigen (rov. 3.32-3.33).

1.6 [eiseres] is tijdig(2) tegen dit arrest in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen bestaand middel. [verweerster] is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [eiseres] heeft haar stellingen vervolgens schriftelijk doen toelichten door haar advocaat.

2. Bespreking van het middel

2.1 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.26 van het bestreden arrest. Het betoogt dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door te overwegen dat [verweerster] niet de gelegenheid heeft gehad om zijn betaling voor goodwill aan [betrokkene 1/eiseres] af te schrijven in vijf jaar.

2 2. [eiseres] heeft zelf aangegeven(3) dat het hof met deze overwegingen blijkbaar heeft voortgebouwd op de volgende stellingen van [verweerster]:

"Eiseres heeft deze vergoeding voldaan in het gerechtvaardigd vertrouwen dat de maatschap voor een langdurige periode zou worden aangegaan. Het komt eiseres redelijk voor deze periode ten minste te stellen op vijf jaar, waarbij aansluiting is gezocht bij het feit dat het in de praktijk gebruikelijk is dat goodwill commercieel en fiscaal in vijf jaar wordt afgeschreven."(4)

Alsook:

"[verweerster] heeft in eerste aanleg aangegeven dat het haar redelijk voorkomt dat de samenwerking ten minste vijf jaar zou duren. Hiermee strookt dat geactiveerde goodwill in de praktijk in vijf jaar wordt afgeschreven (vgl. art. 2:386 lid 3 BW)."(5)

Deze citaten moeten mede in verband worden gelezen met het volgende:

"[betrokkene 1] miskent (...) dat de door [verweerster] betaalde goodwill-vergoeding eenvoudigweg betrekking had op de voor de komende (ten minste) vijf jaar na toetreding tot de maatschap verwachte meerwaarde voor [verweerster], terwijl die meerwaarde niet kon worden gerealiseerd omdat de maatschapsovereenkomst al na anderhalf jaar door toedoen van [betrokkene 1] is beëindigd."(6)

Mede blijkens de daarop gegeven toelichting strekt het onderdeel ten betoge dat [verweerster] zich niet heeft beroepen op feitelijk toegepaste afschrijvingen op de door haar betaalde goodwillvergoeding. Zij heeft uitsluitend de omvang van haar vordering onderbouwd door een analogie met de in het algemeen gebruikelijke - en tevens wettelijk verankerde - termijn voor afschrijving van goodwill.

2.3 Zoals de rov. 3.32-3.33 van het bestreden arrest impliceren, heeft het hof de onderhavige terugbetalingsverplichting van [eiseres] gebaseerd op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in acht moeten worden genomen bij de opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane duurovereenkomst. Tot de voorwaarden die de opzeggende partij in acht moet nemen, kan op grond van deze maatstaven behoren dat hij de schade die de wederpartij door de opzegging leidt, geheel of ten dele moet vergoeden.(7)

In dit licht en mede gezien de drie aangehaalde citaten uit de processtukken van [verweerster], waarbij het hof volgens [eiseres] zelf klaarblijkelijk aansluiting heeft gezocht, meen ik dat het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De tussenzin waarop het onderdeel zijn pijlen richt, moet immers aldus worden uitgelegd dat de maatschap niet de periode van vijf jaar heeft geduurd, waarin goodwill in de praktijk pleegt te worden afgeschreven. Dit brengt volgens het hof, gelet op de aard van de onderhavige vergoeding, naar redelijkheid mee dat het gedeelte van de vergoeding dat correspondeert met de tijd dat de maatschap minder heeft geduurd dan vijf jaar, tussen partijen moet worden vereffend.

De vraag of [verweerster] het door hem betaalde bedrag aan goodwill daadwerkelijk heeft afgeschreven en zo ja volgens welk systeem en/of binnen welke tijd, behoefde door het hof niet te worden besproken, noch in het kader van de in de eerste alinea aangehaalde rechtsregel, noch in verband met hetgeen door partijen over en weer was gesteld.(8) Er bestaat dan ook geen redelijke grond om 's hofs aangehaalde overweging met een geforceerd-letterlijke uitleg te dwingen binnen een patroon dat door het hof zo niet kan zijn bedoeld en ook door partijen redelijkerwijs niet aldus kon worden begrepen.(9)

2.4 Onderdeel 2 acht de gewraakte rov. 3.26 onvoldoende begrijpelijk. Volgens het onderdeel is het een feit van algemene bekendheid, ten minste in zakelijke verhoudingen zoals die bestonden tussen de onderhavige partijen, dat noch commerciële noch fiscale afschrijving op betaalde en geactiveerde goodwill afhankelijk is van de vraag hoe lang metterdaad voor de goodwill een tegenprestatie is geleverd.

2.5 Het onderdeel bouwt voort op onderdeel 1 en moet dus in het lot daarvan delen.

2.6 Ook onderdeel 3 keert zich tegen rov. 3.26 van het bestreden arrest. Het stelt dat de veronderstelling van [verweerster] dat de maatschap een redelijke tijd - ten minste vijf jaar - zou voortduren, welke veronderstelling niet is bewaarheid, betekent dat [verweerster] heeft gedwaald omtrent een uitsluitend toekomstige omstandigheid. Dit kan geen grond zijn voor een uitleg van de maatschapsovereenkomst die neerkomt op vernietiging dan wel wijziging daarvan. Ook valt niet in te zien waarom deze regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing zou moeten of kunnen blijven.

2.7 Het onderdeel berust op een onjuiste uitleg van het bestreden arrest. Zoals opgemerkt onder 2.3 van deze conclusie heeft het hof zijn beslissing immers blijkbaar gebaseerd op de in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen regel betreffende de voorwaarden die bij de opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane duurovereenkomst door de opzeggende partij in acht moeten worden genomen. Van een wilsgebrek was geen sprake. Niet met de wijze van totstandkoming van de maatschapsovereenkomst tussen de drie partijen was iets mis, maar met de voorwaarden waaronder deze door [betrokkene 1/eiseres] is opgezegd. Aangezien de dwalingsregeling daarop niet van toepassing is, heeft het hof aan deze regeling niet gederogeerd op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De beslissing van het hof berust evenmin op een uitleg van de maatschapsovereenkomst. Deze overeenkomst is ook niet door het hof vernietigd.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiseres] in de kosten, tot op heden aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 -3.3 van het arrest van het hof Amsterdam van 13 juli 2000.

2 De cassatiedagvaarding dateert van 11 oktober 2000.

3 In haar schriftelijke toelichting op het onderdeel, nrs. 3.2 en 3.3.

4 Inleidende dagvaarding nr. 10.

5 Memorie van antwoord nr. 18.

6 Memorie van antwoord nr. 21.

7 Asser/Hartkamp 4-II, 2001, nr. 311, en de daarin aangehaalde rechtspraak en literatuur.

8 Ook [eiseres] heeft in de feitelijke instanties niets gesteld over eventueel daadwerkelijk door [verweerster] verrichte afschrijvingen.

9 Zie over de uitleg van de rechterlijke beslissingen (in het kader van de leer van de bindende eindbeslissing) HR 23 juni 1989, NJ 1990, 381.