Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4435

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
C00/313HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 455
JAR 2002, 248
JWB 2002/303
JAR 2002/248
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C00/313

Mr Bakels

Zitting 17 mei 2002

Conclusie inzake

Hus Haring B.V.

tegen

Stichting Bedrijfspenioenfonds

voor de Zeevisserij

1. Feiten en procesverloop

1.1 Deze zaak betreft de vraag of Hus Haring als lid van een CAO-sluitende partij verplicht is pensioenpremies voor haar (ongeorganiseerde) werknemers af te dragen aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Zeevisserij op de voet van een in die CAO neergelegde, daartoe strekkende bepaling.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(1)

(a) Het Bedrijfspensioenfonds voor de Zeevisserij (verder ook: het Bpf) is een ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet betreffende de verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds in het leven geroepen bedrijfspensioenfonds. In de beschikking tot verplichtstelling van de deelneming in het bedrijfspensioenfonds(2) wordt een werkgever gedefinieerd (kort samengevat) als een (afdeling van een) onderneming die uitsluitend of in hoofdzaak de zeevisserij en/of de haringgroothandel uitoefent. Een werknemer wordt (behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen) omschreven als iemand die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is van een werkgever en voorts als degene op wie de CAO voor de kuipers en haringpakkers, schuur-, erf- en technisch personeel van toepassing is.

(b) [Eiseres] heeft zich van 1975 tot en met 1996 bezig gehouden met de verwerking (inleggerij) van haring en met de (groot-)handel in haring en verse zeevis. De zeevisserij zelf behoorde niet tot haar activiteiten. [Eiseres] heeft haar onderneming verkocht aan Hus.(3) Tot 1 januari 1985 heeft [eiseres] pensioenpremies voor haar werknemers aan het bedrijfspensioenfonds afgedragen. Met ingang van die datum heeft zij op advies van haar accountant haar deelneming opgezegd omdat zij niet (meer) onder de verplichtstelling zou vallen, nu haar omzet voor minder dan 50% bestaat uit de (groot-)handel in haring. De haring(groot)handel was volgens [eiseres] ook geen afzonderlijke afdeling van haar onderneming omdat al haar werknemers zich af en toe met de haring(groot)handel bezighielden.

(c) [Eiseres] is sedert haar oprichting lid geweest van de Nederlandse Bond van Haringhandelaren (hierna: NBH). Deze Bond is partij bij de collectieve arbeidsovereenkomst kuipers en haringpakkers, schuur-, erf- en technisch personeel (hierna: de CAO(4)). De tekst van de CAO geldend van 1 maart 1991 tot en met 29 februari 1993 luidt als volgt, voorzover in cassatie ter zake dienend:

Artikel 1

Werkingssfeer

De cao is van toepassing voor alle werknemers, werkzaam in de schuur, op het erf en in de technische werkplaatsen van de werkgever, alsmede op kantoor-, toezichthoudend- en leidinggevend personeel voor zover de bepalingen in deze cao op hen toepasbaar zijn. Verder voor werknemers in de groothandel in gezouten haring, alle ondernemingen of gedeelte van onderneming, die gezouten haring in het groot verhandelen.

Artikel 21

Bedrijfspensioenfonds

De onder deze cao vallende werknemers zijn aangesloten bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Zeevisserij. De voor de opbouw van dit fonds verschuldigde premie wordt door de werkgever betaald, doch wordt voor de helft op het loon van de werknemer ingehouden. De bestaande kompensatie op de werknemerspremie van ƒ 1,75 blijft gehandhaafd.

(d) Geen van de werknemers van [eiseres] is georganiseerd.

(e) De CAO is niet algemeen verbindend verklaard geweest, noch in de ter zake dienende periode, noch op enig ander moment.(5)

1.3 Tegen deze achtergrond heeft het Bpf de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij het kantongerecht te Leiden. Het heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de werknemers van [eiseres] verplicht aangesloten zijn bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Zeevisserij en mitsdien [eiseres] te veroordelen aan het Bpf te betalen een bedrag van f 309 364,63 (f 136 225,13 aan achterstallige premies, f 152 706,50 als wettelijke rente en f 20 433,- aan buitengerechtelijke incassokosten).

1.4 Het Bpf legde aan zijn vordering ten grondslag dat het een bij beschikking verplicht gesteld bedrijfspensioenfonds is, welke verplichtstelling ingevolge artikel 3 lid 2 van de Wet BPF betekent dat [eiseres] (thans Hus) gehouden is de pensioenpremie aan het Bpf te voldoen (zowel de werkgevers- als de werknemersbijdrage). Het pensioenfonds baseerde zijn vordering daarnaast op de CAO, waaraan [eiseres] is gebonden uit hoofde van haar lidmaatschap van de Nederlandse Bond van Haringhandelaren, een van de partijen bij de CAO. Ingevolge artikel 21 van de CAO is [eiseres] verplicht deel te nemen in het bedrijfspensioenfonds en dus gehouden tot premiebetaling aan het Bpf.

1.5 [Eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft met name(6) betwist dat zij kan worden gekwalificeerd als werkgever in de zin van de hierboven genoemde beschikking. Zij meent ook niet gehouden te zijn tot premiebetaling op grond van de CAO omdat aan de CAO geen verder strekkende werking toekomt dan aan de beschikking. Voorts bevat de CAO geen beding ten behoeve van het bedrijfspensioenfonds op grond waarvan het vorderingen als de onderhavige geldend kan maken. Het enkele feit dat [eiseres] lid is van de NBH wil niet zeggen dat zij gebonden is aan de bepalingen van de CAO omdat zij de NBH geen specifieke volmacht of last heeft gegeven mede namens haar te handelen.

1.6 De kantonrechter te Leiden heeft bij vonnis van 25 februari 1998 de vorderingen van het pensioenfonds afgewezen. De daaraan ten grondslag gelegde overwegingen doen in cassatie niet meer ter zake.

1.7 Het Bpf stelde hoger beroep in bij de rechtbank te Den Haag en had daarmee succes. De rechtbank overwoog in haar tussenvonnis van 1 september 1999, voorzover in cassatie nog van belang, als volgt.

(a) De grieven leggen de vraag voor of de CAO toepasselijk is op [eiseres]. De tekst van de werkingssfeerbepaling van de onderhavige CAO knoopt aan bij de activiteit van de werkgever, niet bij de werkzaamheden van de werknemer. Een werkgever die werkzaamheden verricht op het gebied van de haringgroothandel valt zonder meer onder de werkingssfeer van de CAO. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat bij CAO een ander en ruimer toepasselijkheidscriterium wordt overeengekomen dan in de verplichtstellingsbeschikking is opgenomen. [Eiseres] heeft erkend dat een onderdeel van haar bedrijfsactiviteiten de groothandel in gezouten haring is. Hieruit volgt dat [eiseres] onder de werking van de CAO valt (rov. 5.3.1).

(b) Uit de artikelen 1 en 2 van de wet CAO volgt dat een werkgevers- of werknemersorganisatie bevoegd is CAO's af te sluiten indien zij volledige rechtsbevoegdheid bezit en deze bevoegdheid in de statuten met name is genoemd. De wet CAO stelt niet de eis dat ieder lid de vereniging uitdrukkelijk machtigt tot het sluiten van een CAO. Tussen partijen is niet in geschil dat de NBH aan beide wettelijke eisen voldoet. Op grond van artikel 14 wet CAO is een aangesloten werkgever gehouden de CAO toe te passen op alle arbeidsovereenkomsten. Aangezien [eiseres] heeft erkend dat zij lid was van één van de partijen die de CAO heeft gesloten, is zij gebonden aan de CAO. De vraag of de CAO algemeen verbindend verklaard is, is dan ook niet van belang (rov. 5.4.2).

(c) Artikel 21 CAO schept voor het bedrijfspensioenfonds het recht de verschuldigde premie te vorderen, nu in dat artikel ondermeer is bepaald dat de werkgever de voor de opbouw van het bedrijfspensioenfonds verschuldigde premies betaalt (rov. 5.5).

1.8 Tussen partijen is daarna nog gedebatteerd over de omvang van de betalingsverplichting van [eiseres]. De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 12 juli 2000(7) het bestreden vonnis vernietigd en alsnog voor recht verklaard dat de werknemers van [eiseres] verplicht aangesloten zijn bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Zeevisserij, alsmede [eiseres] veroordeeld om een bedrag van f 126 025,13 aan achterstallige pensioenpremies te voldoen, met rente en incassokosten.

1.9 Hus Haring heeft tijdig(8) beroep in cassatie ingesteld tegen de op 1 september 1999 en 12 juli 2000 gewezen vonnissen. Het Bpf heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun respectieve advocaten. Namens het Bpf is gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel richt zich tegen het tussenvonnis van 1 september 1999, met name tegen de daarin neergelegde beslissing dat het Bpf een vordering op [eiseres] heeft voor wat betreft de pensioenpremies voor haar werknemers, die naar in cassatie vaststaat allen ongeorganiseerd zijn.

Het middel geeft in geen van zijn onderdelen met zoveel woorden aan tegen welke overweging(en) van de rechtbank wordt opgekomen. De vraag rijst dan ook of het voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 407 lid 2 Rv te stellen eisen. Mede gezien de wijze waarop de wederpartij het heeft opgevat(9) en gelet op het onder 1.4 en 2.1 van de cassatiedagvaarding gestelde, ga ik evenwel ervan uit dat het middel voldoende duidelijk is gericht tegen het in rov. 5.5 van het bestreden vonnis overwogene. Voorzover in de schriftelijke toelichting ook klachten worden gericht tegen andere overwegingen uit het vonnis, meer in het bijzonder tegen rov. 5.10(10), meen ik daaraan voorbij te moeten gaan omdat deze klachten niet tijdig naar voren zijn gebracht.

2.2 De alinea's 1.1 t/m 1.7 van het middel bevatten slechts een inleiding en behoeven dus geen bespreking. De klachten zijn neergelegd in de alinea's 2.1 t/m 2.5. Bij de bespreking daarvan stel ik voorop dat in cassatie als onbestreden vaststaat, dat de CAO toepasselijk is op [eiseres]. [Eiseres] is immers lid van een vereniging (de Nederlandse Bond van Haringhandelaren) die de CAO is aangegaan, hetgeen meebrengt dat [eiseres] op grond van artikel 9 Wet CAO door die overeenkomst gebonden is. Tevens staat vast dat [eiseres] bij de CAO is betrokken in de zin van die bepaling, dat wil zeggen dat de werkingssfeer van de CAO in artikel 1 daarvan zodanig is omschreven dat het bedrijf van [eiseres] en haar werknemers daaronder vallen, zoals de rechtbank in rov. 5.3.1 onbestreden heeft vastgesteld.

2.3 Het is vaste rechtspraak dat in een CAO bedingen kunnen worden opgenomen die de verplichting inhouden tot betaling door een werkgever van een bijdrage aan een fonds.(11) Aanvankelijk werd een dergelijke bepaling door de Hoge Raad getypeerd als een derdenbeding waartoe het desbetreffende fonds toetrad.(12) Later heeft de Raad geoordeeld dat uit de strekking van de Wet CAO volgt dat een fonds- of bijdrageregeling niet aan alle eisen voor een geldig derdenbeding hoeft te voldoen.(13) De desbetreffende fondsen kunnen zelfstandig een vordering instellen tegen een werkgever, die weigerachtig is de op grond van de CAO door hem verschuldigde bijdrage te voldoen.(14) De ongeorganiseerde werknemers kunnen dat echter niet, althans niet op grond van artikel 14 Wet CAO.(15) Het daarin besloten non-discriminatiebeginsel strekt immers niet in hun belang, maar in het belang van de contracterende partijen opdat het voor de werkgever niet aantrekkelijk zal worden ongeorganiseerden in dienst te nemen.(16)

2.4 In cassatie staat wél vast dat [eiseres] aan de CAO is gebonden, maar hetzelfde staat niet vast ten aanzien van haar werknemers. Omdat deze allen ongeorganiseerd waren, zijn die werknemers niet aan de CAO gebonden op grond van artikel 14 Wet CAO. Zij zijn dat evenmin krachtens een algemeen verbindend verklaring van die CAO omdat deze niet heeft plaatsgevonden. Aangezien in deze zaak het Bpf zijn vordering in hoger beroep uitdrukkelijk niet langer mede heeft gegrond op de verplichtstellingsbeschikking, kan de eventuele gebondenheid van de werknemers aan de CAO ook daarop niet worden gebaseerd. Onder deze omstandigheden brengt het beginsel dat derden niet tegen iemands wil diens rechtspositie kunnen bepalen, mee dat de ongebonden werknemers (niet alleen, zoals gezien, geen rechten kunnen ontlenen aan de CAO maar ook) niet tegen hun wil plichten kunnen krijgen opgedrongen door de onderhavige CAO.

2.5 Op dit uitgangspunt is het middel gebaseerd. Met name in de onderdelen 2.2-2.5 wordt onder wisselende invalshoeken de nadruk erop gelegd dat artikel 21 van de onderhavige CAO de werkgever het recht geeft de helft van de voor de opbouw van het onderhavige pensioenfonds verschuldigde premie, op het loon van de werknemer in te houden. Gelet op de daarin besloten verplichting van de werknemer stelt het middel dat de werknemers van [eiseres] alleen dan aan die bepaling zijn gebonden als zij zich met deze inhouding akkoord hebben verklaard, hetgeen is gesteld noch gebleken. Daaruit volgt, zo begrijp ik het middel, dat zolang niet vaststaat dat de (ongebonden) werknemers van [eiseres] aan de onderhavige pensioenopbouw hun medewerking willen verlenen door [eiseres] toe te staan hun eigen bijdrage op hun loon in te houden, het Bpf in redelijkheid geen afdracht van premie van [eiseres] kan verlangen.

2.6 Het komt mij voor dat dit betoog in beginsel juist is(17) voorzover [eiseres] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten met haar werknemers niet in staat was de onderhavige pensioenopbouw overeen te komen, maar te laat wordt gehouden.

Het is m.i. in beginsel juist omdat als uitgangspunt moet dienen dat aan iemand tegen zijn wil geen rechten, zoals pensioenrechten, kunnen worden opgedrongen (al heeft dit natuurlijk een hoog theoretisch gehalte). Dit uitgangspunt ligt onder meer besloten in artikel 6:253 lid 1 BW, waarin de eis van aanvaarding van het beding door de derde expliciet wordt gesteld. Afwijking daarvan is niet mogelijk, aldus de MvA II(18):

"Dit moet aldus worden opgevat dat bij overeenkomst niet aan een derde een vorderingsrecht kan worden toegekend, zonder dat aanvaarding van het desbetreffende beding door de derde nodig is."

Eens temeer geldt dat in beginsel aan een derde tegen zijn wil geen verplichtingen kunnen worden opgelegd, zoals die tot voldoening van een eigen bijdrage aan een pensioenopbouw. Van een rechtsregel, zoals in artikel 1376 BW (oud) nog was neergelegd, is niet langer sprake omdat daarop inmiddels met name in de rechtspraak, diverse uitzonderingen zijn erkend.(19) Van een vuistregel kan echter nog wel degelijk worden gesproken. Nu mag het waar zijn dat de tekst van de werkingssfeer van de CAO aanknoopt bij de activiteiten van de werkgever, zodat deze in beginsel tot premieafdracht aan het Bpf is gehouden. Maar dat betekent niet dat de onderhavige - louter op een overeenkomst gebaseerde - premieafdracht onder alle omstandigheden van de werkgever kan worden gevergd, zoals in het algemeen van de schuldenaar uit een obligatoire overeenkomst niet onder alle omstandigheden nakoming van zijn verplichtingen kan worden gevorderd.

In het licht van het vorenstaande zou ik daarom willen aanvaarden dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het Bpf nakoming eist van [eiseres] van haar op artikel 21 CAO gebaseerde verplichting tot premieafdracht, als (i) zou vaststaan dat de ongebonden werknemers van [eiseres] weigeren daaraan hun medewerking te verlenen door toe te stemmen in inhouding van het werknemersdeel van de verschuldigde premie op hun loon. Artikel 21 CAO voorziet immers juist expliciet erin dat dit laatste wél zal gebeuren. In de lijn van het vorenstaande ligt dat daarnaast de voorwaarde moet worden gesteld (ii) dat [eiseres] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomsten met haar werknemers niet in staat was de onderhavige pensioenopbouw overeen te komen.

2.7 Een dergelijk betoog is in de feitelijke instanties echter niet gehouden. [Eiseres] heeft zich beperkt tot het aanvoeren van een reeks argumenten waarom zij in het geheel niet aan de onderhavige CAO is gebonden. Zij heeft echter niet gesteld dat haar werknemers in de gegeven omstandigheden niet bereid zijn aan de opbouw van een pensioen hun medewerking te verlenen. Dit verweer kan niet voor het eerst met succes in cassatie worden gevoerd omdat het feitelijk van aard is; dat is dan ook niet gebeurd.

2.8 Ten onrechte wordt in de namens [eiseres] gegeven schriftelijke toelichting(20) gesteld dat [eiseres] dit verweer al bij dupliek in eerste instantie zou hebben gevoerd. Daartoe wordt een beroep gedaan op het volgende citaat:

"5 In dit verband is van belang dat geen personeelslid van [eiseres] is aangesloten bij één van de contracterende vakorganisaties, zodat ook op die grond er geen gebondenheid bestaat.

6. Zoals bij BFP Zeevis terecht heeft gesteld in 1.2 en 1.3 van de conclusie van repliek is de deelnemingsverplichting in de eerste plaats gericht tot de werknemers werkzaam in de zeevisserij en de haringgroothandel. Dat betekent, dat er slechts een deelnemingsverplichting van de werkgevers kan bestaan, voorzover er een deelnemingsverplichting van de werknemers is. Bij gebreke van lidmaatschap van één van de contracterende vakorganisaties kan die deelnemingsverplichting voor de werknemers dus niet aan de CAO worden ontleend (...)."

De woorden "in dit verband" aan het begin van nr. 5 slaan terug op het eerder gevoerde verweer dat [eiseres] de NBH geen volmacht heeft gegeven om de onderhavige CAO mede namens haar te sluiten. Het heeft voor de onderhavige vraag dus geen betekenis. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat geen personeelslid van [eiseres] is aangesloten bij één van de contracterende vakorganisaties.

Het gestelde onder 6 van de conclusie van dupliek wordt in de schriftelijke toelichting onvolledig geciteerd doordat de woorden "in 1.2 en 1.3 van de conclusie van repliek" worden weggelaten.(21) Op die plaats heeft het Bpf gesteld dat reeds de verplichtstellingsbeschikking meebrengt dat [eiseres] gehouden is bij te dragen aan de opbouw van het onderhavige pensioenfonds. Deze grondslag is echter, zoals eerder opgemerkt, in hoger beroep door het Bpf uitdrukkelijk prijsgegeven en is in cassatie dus niet meer van belang. Op die stelling is de conclusie van dupliek nr. 6 een reactie.

2.9 Op het vorenstaande stuiten de onderdelen 2.2-2.5 af.

2.10 Onderdeel 2.1, waarin wordt gesteld dat het feit dat [eiseres] onder de werking van de CAO valt niet meebrengt dat alle bepalingen van de CAO op de concrete arbeidsverhoudingen tussen [eiseres] en al haar werknemers van toepassing zijn, faalt reeds omdat niet valt in te zien welk belang [eiseres] daarbij heeft. Het moet bovendien mislukken omdat het feitelijke grondslag mist. De rechtbank heeft zich immers niet uitgesproken over de vraag - en hoefde dat ook niet te doen - of alle bepalingen van de CAO op de arbeidsovereenkomsten tussen [eiseres] en haar werknemers van toepassing zijn, maar slechts of dit het geval is met artikel 21 van de CAO. En precies daarom is het partijen in de onderhavige procedure te doen.

2.11 [Eiseres] zal dus alsnog de verschuldigde pensioenpremies aan het Bpf moeten voldoen. Het ligt in de lijn van de rechtspraak van de Hoge Raad(22) dat zij het werknemersdeel van deze premies niet achteraf alsnog op haar werknemers kan verhalen. Anders dan haar advocaat blijkbaar wil betogen(23), is dit echter geen goed argument tegen de onderhavige beslissing. Kennelijk waren de werknemers van [eiseres] aanvankelijk wél bij het Bpf aangesloten. Uit de processtukken blijkt dat [eiseres] heeft deze aansluiting beëindigd omdat zij meende niet langer tot deelname aan het pensioenfonds verplicht te zijn. Door tot en met het hoger beroep in de onderhavige procedure vol te houden dat zij niet onder de CAO viel, althans niet onder artikel 21 daarvan, en door dus ook geen daarmee corresponderende inhouding op het loon van haar werknemers te verrichten die daarmee akkoord waren gegaan, heeft [eiseres] de daaruit voortvloeiende problemen over zichzelf afgeroepen.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De vaststaande feiten zijn weergeven in rov. 4.1 t/m 4.5 van het tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 1 september 1999.

2 Daterend van 30 december 1964 en ten tijde van het wijzen van het in noot 1 genoemde vonnis laatstelijk gewijzigd op 13 april 1993.

3 Dit is kennelijk gedurende de procedure in eerste aanleg geschied. De appeldagvaarding is uitgebracht ten name van Hus. In het navolgende zal ik in navolging van het hof en partijen de naam [eiseres] blijven gebruiken.

4 Een exemplaar van deze CAO is door het Bpf in eerste instantie in het geding gebracht bij akte overlegging producties van 23 juli 1997, productie 2.

5 Partijen zijn daarvan ook steeds uitgegaan. Zekerheidshalve heb ik hierover nog ambtshalve navraag gedaan bij het Ministerie van SZW, dat dit heeft bevestigd.

6 [Eiseres] heeft voorts subsidiair - en in cassatie niet meer van belang - nog aangevoerd dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is, dat verplichte deelname aan het Bpf in strijd komt met de regels van het EG-verdrag, in het bijzonder die inzake mededinging, vestiging en dienstverlening, alsmede de hoogte van de vordering van het Bpf bestreden.

7 Na bij rolbeschikking van 15 februari 2000 aan [eiseres] het recht te hebben ontzegd om andermaal te pleiten.

8 De cassatiedagvaarding dateert van 12 oktober 2000.

9 Schriftelijke toelichting namens het Bpf nr. 11.

10 Schriftelijke toelichting namens [eiseres] nrs. 3.2 en 3.3.

11 HR 19 maart 1976, NJ 1976, 407, m.nt. PZ, HR 10 juni 1983, NJ 1984, 147, m.nt. PAS, HR 30 januari 1987, NJ 1987, 936, HR 12 juni 1987, NJ 1988, 59. Zie hieromtrent R.A.A. Duk, De Hoge Raad en fondsenbepa-lingen, SMA 1988, blz. 198 e.v., M.M. Olbers, Handhaving van de CAO, SMA 1988, blz. 206 e.v. en W.J.P.M. Fase, CAO-recht, Alphen a.d. Rijn, 1982, blz. 42

12 HR 19 maart 1976, NJ 1976, 407.

13 Aan te nemen valt dat hij daarbij met name de vroegere eis op het oog had dat voor de geldigheid van een derdenbeding mede noodzakelijk was, dat de stipulator mede iets voor zichzelf bedong. Deze eis is met de invoering van artikel 6:253 BW vervallen.

14 Losbladige Arbeidsovereenkomst (Olbers), aantekening 5 op artikel 9 CAO.

15 Deze bepaling is van regelend recht, zoals uit de eerste zin daarvan al blijkt. Mede gezien de strekking daarvan acht ik het op zichzelf mogelijk dat, hoewel ongebonden werknemers aan artikel 14 Wet CAO geen rechten kunnen ontlenen, zij dit wel kunnen aan een concrete bepaling uit een CAO, voorzover deze een derdenbeding bevalt. De formulering van art. 21 van onderhavige CAO suggereert dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. Ik zal hierop echter niet verder ingaan, nu dat ook door partijen niet is gedaan.

16 Losbladige arbeidsovereenkomst (Olbers), aantekening 1 op artikel 14 Wet CAO; Fase, a.w., blz. 53.

17 Zie ook Losbladige arbeidsovereenkomst (Olbers), aantekening 4 op artikel 14 Wet CAO: "Voor een wijziging van de inhoud van de individuele arbeidsovereenkomst, eertijds gesloten met een ongebonden werknemer, zal men dus de instemming behoeven van die ongebonden werknemer. Weigert die werknemer zijn instemming te geven, dan zal het indertijd tussen partijen bij het individuele contract overeengekomene blijven gelden."

18 Parl. gesch. Boek 6, blz. 959.

19 Zie hierover met name de proefschriften van Kortmann, 'Derden'werking van aansprakelijkheidsbedingen, 1977 en Du Perron, Overeenkomst en derden, 1999.

20 Nr. 1.8.

21 Overigens wel met puntjes om aan te geven dát er iets is weggelaten.

22 HR 3 november 1989, NJ 1990, 699 en HR 10 december 1993, NJ 1994, 261.

23 Schriftelijke toelichting nr. 4.4.