Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4382

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
21-06-2002
Zaaknummer
C00/251HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 354
JWB 2002/240

Conclusie

Rolnummer C00/251

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 29 maart 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Inleiding

I. Deze zaak betreft een afzonderlijk aspect van het geschil dat aan de orde is in de cassatiezaak met rolnummer C00/250 waarin ik heden tevens concludeer. In dit kort geding gaat het om de vordering van thans eiseres tot cassatie, de vrouw, tot voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning die thans verweerder in cassatie, de man, zonder in het bezit te zijn van een geldige executoriale titel, heeft doen ontruimen. Het Hof heeft de vordering afgewezen op grond van de overweging dat een vordering tot ontruiming, indien ingesteld, zou zijn toegewezen, althans dat een vordering tot verder voortdurend gebruik zou zijn afgewezen. Daartegen richt zich het cassatiemiddel.

2. Tussen partijen heeft zich het volgende voorgedaan:

i)Partijen zijn op 30 mei 1968 met elkaar in algemene gemeenschap van goederen gehuwd.

ii) Bij beschikking van de Rechtbank te Almelo van 11 november 1998 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is onder andere bepaald dat de vrouw bevoegd is om gedurende twee maanden nadat de echtscheiding van kracht is geworden de bewoning van de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] en het gebruik van de bij die woning en tot het huisraad daarvan behorende zaken voort te zetten.

iii) De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking; het Hof te Arnhem heeft de beschikking op 13 april 1999 bekrachtigd. Er is geen cassatieberoep ingesteld.

iv) De echtscheidingsbeschikking is op 5 juli 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

v) Namens de man zijn op 23 september 1999 de vorenbedoelde beschikkingen aan de vrouw betekend met bevel aan de vrouw om - kort gezegd - binnen drie dagen na betekening de woning te ontruimen en deze te verlaten met afgifte van de sleutels aan de man.

vi) Namens de man is op 4 oktober 1999 door middel van een deurwaardersexploot aan de vrouw aangezegd dat ontruiming van de woning zal worden bewerkstelligd op 26 oktober 1999 vanaf 9.30 uur. Deze ontruiming heeft op 26 oktober 1999 plaatsgevonden.

vii) Ten tijde van de echtscheidingsprocedure huurde de man een woning aan de [b-straat] te [woonplaats], waarvan de huurprijs ongeveer f. 500,- per maand bedroeg. In deze periode huurde de vrouw van de Hengelose Bouwstichting Ons Belang een woning aan de [c-straat 1] te [woonplaats], waarvan de huurprijs f. 919,- per maand bedroeg. De hypothecaire lasten met betrekking tot de echtelijke woning zijn steeds door de man voldaan.

viii) De vrouw heeft op 10 juni 1999 de huur van de door haar gehuurde woning aan de [c-straat 1] te [woonplaats] met ingang van 10 juli 1999 opgezegd.

ix) Bij vonnis van de President van de Rechtbank te Almelo van 30 december 1999 is - in conventie - toegewezen de door de man ingestelde vordering tot opheffing van een namens de vrouw gelegd maritaal beslag op de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] en zijn - in reconventie - afgewezen de door de vrouw ingestelde vorderingen tot - kort gezegd - afgifte aan de vrouw van de sleutels van de woning aan de [a-straat 1] en tot het gehengen en gedogen dat de vrouw gerechtigd is tot de bewoning van deze woning en het gebruik van het daarbij behorende huisraad tot en met de dag waarop in het kader van de boedelscheiding de akte van levering is ingeschreven in de kadastrale registers afgewezen. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

x)Bij vonnis van de President van de Rechtbank te Almelo van 31 maart 2000 zijn de door de man ingestelde vorderingen tot - kort gezegd - medewerking van de vrouw aan de verkoop van haar aandeel in de voormalige echtelijke woning aan derden toegewezen. Dit vonnis is door het Hof te Arnhem bekrachtigd bij arrest van 13 juni 2000. De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld. In deze, hiervoor onder 1 reeds genoemde, zaak is, zoals gezegd, eveneens heden geconcludeerd.

3. In de onderhavige kort geding procedure vordert de vrouw - kort gezegd en voorzover in cassatie van belang (de vermeerdering van eis in appèl speelt in cassatie geen rol) - de man te veroordelen om de sleutels van de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] aan haar af te geven en om te gehengen en te gedogen dat zij, de vrouw, is gerechtigd tot de bewoning van genoemde woning en het gebruik van de daarbij behorende huisraad tot en met de dag waarop in het kader van de boedelscheiding de akte van levering is ingeschreven in de kadastrale registers, zulks op verbeurte van een dwangsom.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat de man jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij zonder geldige executoriale titel tot ontruiming is overgegaan; in dat verband heeft zij erop gewezen dat de man geen executoriale titel kon ontlenen aan de echtscheidingsbeschikking waarbij haar slechts voor een beperkte, inmiddels verstreken, termijn de bevoegdheid tot voortgezet gebruik was verleend. Zij heeft voorts aangevoerd dat als de man, zoals hij had behoren te doen, in kort geding ontruiming zou hebben gevorderd, deze vordering zou zijn afgewezen. Zij heeft betoogd dat zij thans niet over woonruimte beschikt en dat zij aanspraak maakt op toedeling van de voormalige echtelijke woning.

De man heeft de vorderingen bestreden, met - onder meer -het betoog dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een verder voortdurend (exclusief) gebruik van de woning.

4. De President heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen. Hij overwoog dat een gemotiveerd antwoord op de vraag of de genoemde beschikkingen een executoriale titel voor ontruiming opleveren "doelmatigheidshalve" in het midden kon blijven nu hij voorshands van oordeel was dat, indien in een afzonderlijk kort geding een dergelijke titel zou worden gevraagd, die zonder meer toegewezen zou worden op basis van de voorhanden zijnde gegevens. Overigens oordeelde de President dat alleen al de goede procesorde en het centrale beginsel van ons recht dat partijen zich tegenover elkaar naar redelijkheid en billijkheid moeten gedragen, de executie van de beschikkingen kunnen dragen.

5. Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd behoudens de daarin opgenomen proceskostenveroordeling. Het Hof stelde voorop dat de vrouw terecht betoogt dat op grond van art. 1:165 BW voor een beperkte termijn aan de ene (voormalige) echtgenoot toegekende bevoegdheid tot voortgezet gebruik van de (voormalige) echtelijke woning, na afloop van die termijn niet aan de andere (voormalige) echtgenoot een executoriale titel tot ontruiming oplevert. Het Hof concludeerde dat de man derhalve niet tot ontruiming van de voormalige echtelijke woning had mogen overgaan en dat de eerste grief van de vrouw in zoverre gegrond is. Het Hof overwoog dat dit evenwel niet zonder meer meebrengt dat de vorderingen van de vrouw tot verder voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning zouden moeten worden toegewezen. Partijen zijn immers, aldus het Hof, na afloop van de in art. 1:165 BW bedoelde termijn tot het moment van verdeling in gelijke mate gerechtigd tot het gebruik en het genot van de voormalige echtelijke woning. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd dient daarom, zo overwoog het Hof, beoordeeld te worden hoe de rechter zou hebben beslist indien de man - anders dan hij heeft gedaan - in rechte ontruiming zou hebben gevorderd. Het Hof kwam tot de conclusie dat een zodanige vordering zou zijn toegewezen, althans dat een door de vrouw ingestelde vordering tot een verder voortgezet gebruik zou zijn afgewezen. Dit een en ander bracht het Hof tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep, behoudens de daarin opgenomen proceskostenveroordeling, moest worden bekrachtigd.

6. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep; hij heeft de zaak vervolgens schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

7. Het cassatiemiddel bestaat uit een vijftal genummerde alinea's waarin één rechtsklacht wordt ontwikkeld. Deze strekt ten betoge dat het Hof op rechtens onjuiste gronden heeft geoordeeld dat beoordeeld dient te worden hoe de rechter zou hebben beslist indien de man - anders dan hij heeft gedaan - in rechte ontruiming zou hebben gevorderd. Het middel acht dit oordeel onjuist omdat de man een dergelijke vordering nu eenmaal niet heeft ingesteld en hij zich in appèl heeft beperkt tot het bestrijden van de door de vrouw voorgedragen grieven die deze kwestie evenmin aan de orde stelden. Mitsdien is 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 5.8 dat een door de man ingestelde vordering tot ontruiming zou zijn toegewezen, althans dat een door de vrouw ingestelde vordering tot een verder voortgezet gebruik zou zijn afgewezen, niet dragend voor 's Hofs beslissing in rechtsoverweging 5.9 tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw die strekken tot verdere bewoning en verder voortgezet gebruik van de woning. Aldus het middel.

8. Het Hof is ervan uitgegaan dat de vordering van de vrouw tot verder voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning, gebaseerd als deze was op de stelling dat de man onrechtmatig had gehandeld door zonder executoriale titel tot ontruiming over te gaan, strekt tot herstel in de feitelijke toestand die is gewijzigd doordat zonder titel tot rechtsuitoefening is overgegaan. De in het middel vervatte klacht miskent dat indien de gevorderde voorzieningen in kort geding strekken tot zodanig herstel, de rechter heeft te bezien of eiser naar zijn voorlopig oordeel tot deze toestand gerechtigd is. Zie: C.H.M. Jansen, Onrechtmatige daad (losbl.) art. 162 lid 2, aant. 134 met verwijzingen naar lagere rechtspraak. Het Hof heeft dan ook terecht zijn beslissing over de toewijsbaarheid van de vordering tot voortgezet gebruik afgestemd op zijn voorlopig oordeel over de kansen ten principale van een vordering tot ontruiming, althans van een vordering tot een verder voortgezet gebruik. Het Hof was hiertoe gehouden onverschillig of en in hoeverre de man deze kwestie bij wijze van uitdrukkelijk gevoerd verweer ter sprake had gebracht. Uiteraard diende het Hof zich bij zijn oordeel te beperken tot feiten en omstandigheden die hem door partijen waren aangereikt; dat het Hof deze restrictie heeft miskend is niet gebleken en wordt door het middel ook niet betoogd. Het middel bestrijdt niet 's Hofs oordeel dat een door de man ingestelde vordering tot ontruiming zou zijn toegewezen, althans dat een door de vrouw ingestelde vordering tot een verder voortgezet gebruik van de echtelijke woning zou zijn afgewezen. Nu dat oordeel, als gezegd, de beslissing om de gevraagde voorzieningen te weigeren zonder meer kan dragen, moet het middel in zijn geheel worden verworpen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden