Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4360

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
C01/042HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 493
S&S 2003, 108
JWB 2002/333
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C 01/042

Zitting 7 juni 2002

Conclusie mr J. Spier

inzake

Huelva Holdings Limited

(hierna: Huelva)

tegen

Nationale-Nederlanden

Schadeverzekingsmaatschappij N.V.

(hierna: NN)

1. Inzet van het geding, feiten en procesverloop

1.1 De Rechtbank heeft in rov. 1 een aantal feiten vastgesteld. Ook het Hof is van die feiten uitgegaan (rov. 2).

1.2 Huelva was eigenaar van een pand te Leeuwarden dat bij NN tegen brandschade was verzekerd op grond van een "Perfect gebouwenverzekering". Op 4 november 1991 is dat pand door brand getroffen. In deze procedure maakt Huelva aanspraak op de nog niet door NN vergoede brandschade. Het gaat bij deze laatste schade, volgens Huelva, om een bedrag van fl. 52.680 + 17,5% BTW; deze schade houdt verband met beschadiging van de dakconstructie, aldus Huelva. Bij repliek heeft zij haar vordering met fl. 5.853,90 vermeerderd (onder 10). Bij antwoordakte na pleidooi heeft zij haar vordering andermaal vermeerderd tot fl. 71.912,35 + BTW (onder 7). NN heeft zich daartegen niet verzet (akte uitlaten producties onder 27).

1.3 NN heeft de vordering bestreden. Zij bestrijdt in de eerste plaats dat de dakconstructie door de brand is beschadigd.

1.4.1 Voorts betoogt zij dat de omvang van de schade voor partijen bindend is vastgesteld. In dat verband doet zij beroep op het door haar overgelegde, door Huelva ondertekende, benoemingsformulier van een "contra-expert". Voorzover ik kan ontcijferen, luidt dat op 13 december 1991 ondertekende formulier, voorzover van belang:

Huelva benoemt Hettema + Disselkoen (hierna: H+D) "ten einde als deskundige zijnerzijds met de door [NN] (...) te benoemen deskundige ter bepaling der geleden schade te begroten:

A. bij materiële schade (....)

daarvan een akte van schadeberekening op te maken en mede te werken tot benoeming van een derde deskundige; een en ander om gevolg te geven aan het voorschrift der polisvoorwaarden, verklarende ondergetekende tevens de door bedoelde deskundigen te verrichten taxaties goed te keuren. Uitdrukkelijk wordt bepaald, dat deze lastgeving niet zal kunnen worden ingetrokken of herroepen (...)".

1.4.2 NN beroept zich op - door haar in geding gebrachte - aktes van taxatie waarin de schade bindend is vastgesteld, behoudens een hier niet meer relevant punt. De eerste akte is gedateerd 29 juni 1992.

1.5 Volgens Huelva is in verband met tussen haar en NN gerezen onenigheid nopens de vraag of sprake was van schade aan de dakconstructie door NN Romkes BV ingeschakeld. Huelva kon zich niet vinden in "de handelwijze" van Romkes(1), hetgeen heeft geleid tot inschakeling van Civielbouw BV (hierna ook CB). Volgens Huelva blijkt uit de rapportage van CB dat wel degelijk sprake was van gebreken aan de dakconstructie(2) (cvr onder 3). Bij pleidooi in appèl heeft Huelva opgemerkt dat CB het dak heeft uitgelijnd (pleitnota mr Delhaye blz. 4).

1.6 Huelva betwist het onder 1.4.2 weergegeven standpunt van NN omdat "uiteindelijk zij zelve de goedkeuring moet hechten aan de vaststelling van de hoogte van de schade". Zij beroept zich daartoe op de schadekwitantie waarop staat: "onder voorbehoud van het dak, U wel bekend" (cvr onder 7).

1.7 Bovendien heeft H+D de expert van NN op 3 februari 1992 laten weten dat Huelva zich haar rechten voorbehoudt ter zake het dak (onder 8).

1.8 Bij vonnis van 23 december 1997 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage de vordering afgewezen. Volgens de Rechtbank gaat het verweer van Huelva dat zij niet is gebonden aan de schadevaststelling door de experts niet op (rov. 3.1). Zij grondt dat oordeel op (art. 4 van) de polisvoorwaarden, luidend:

"Vaststelling van de schade

De door het evenement veroorzaakte schade en kosten worden vastgesteld door twee experts - de maatschappij en de verzekerde benoemen elk een expert - (...). Voor het geval van verschil benoemen de twee experts tezamen een derde expert, die binnen de grenzen van de door hen vastgestelde cijfers de bindende vaststelling zal verrichten".

1.9 De Rechtbank volgt Huelva evenmin in haar betoog dat de taxatie geen betrekking had op de dakconstructie. Zulks blijkt immers noch uit het formulier, noch ook uit de akten van taxatie (rov. 3.2).

1.10 Huelva is in hoger beroep gekomen. Ik geef de grieven, voorzover nog van belang en voorzover begrijpelijk, kort weer.

1.11 In de toelichting op grief II dringt Huelva aan dat de ondertekening door H+D op 29 juni 1992 niet bindend was omdat de rapportage van CB toen nog niet was afgerond. Bovendien zou de Rechtbank voorbij hebben gezien aan de onder 1.7 gememoreerde brief. Huelva hamert er op dat volgens CB zou zijn vastgesteld "dat schade (aan de dakconstructie, JS) tengevolge van de brand is opgetreden". Volgens Huelva zou NN, tevergeefs, hebben getracht CB de resultaten van haar onderzoek te laten herzien. Zij trekt (onder meer) hieruit de conclusie dat NN wist dat de schade aan de dakconstructie van de taxatie was uitgezonderd.

1.12 Door Huelva is een brief van CB van 27 juni 1997 aan de advocate van NN overgelegd waarin onder meer is te lezen:

"Het is niet ondenkbaar dat wanneer wij commentaar zouden geven op onze eerdere rapportage, die wij ten behoeve van [betrokkene 1] (directeur van Huelva, JS) hebben verricht, er een tegenstrijdigheid van belangen zal optreden. Wanneer u echter in het belang van [betrokkene 1] handelt, hetgeen wij betwijfelen, ligt de zaak natuurlijk anders."

1.13 Bij pleidooi is door mr Delhaye, namens Huelva, nog het volgende ter sprake gebracht. Bij een latere lekkageschade wegens het dak weigerde NN uitkering omdat het dak niet was hersteld (pleitnota blz. 5).(3) Toen de akte van schadetaxatie op 29 juni 1992 werd getekend, was, naar de deskundigen wisten, de discussie omtrent het dak in volle gang. Daarom ziet die akte niet op het dak (blz. 6). Bij de ondertekening is de schade aan het dak buiten de vaststelling gebleven; Huelva biedt dat te bewijzen aan (blz. 8).

1.14.1 Kennelijk op verzoek van het Hof(4) heeft NN nog een aantal stukken in geding gebracht. In de bijbehorende akte voert NN aan dat het aanvankelijk door Huelva (en niet haar expert H+D) gemaakte voorbehoud na de onderzoeken van Romkes en CB niet is gehandhaafd (onder 4). Zij brengt een concept-schadeopstelling van H+D van 3 februari 1992 in geding waarin aan het slot is vermeld dat Huelva zich nopens het dak haar rechten voorbehoudt. In een brief van H+D van 7 juli 1992 aan [betrokkene 2] (de assurantie-tussenpersoon van Huelva) is geen voorbehoud te lezen (prod. 11 en 12).

1.14.2 In een door NN als prod. 3 in geding gebrachte notitie van 18 juni 1992 van Ing. Tooren staat dat inmiddels is gebleken dat ook CB van mening is dat er met de dakconstructie niets mis is; idem prod. 4.

1.15 Huelva heeft op deze stukken gereageerd met een akte van 15 pagina's. Daarin wordt melding gemaakt van door het Hof uitgesproken verbazing omtrent de benoeming van Tooren als expert (onder 2, blz. 2).(5) Zij betwist dat haar expert en Tooren het eens waren (blz. 6). Zij "weet niet beter dan dat de contra expert van haar en Tooren niet op een lijn zaten met betrekking tot de dakconstructie en dat daarom een beoordeling door een derde diende te worden gegeven" (blz. 7). Haar expert heeft "nimmer (...) op enige wijze kenbaar gemaakt dat hij het eens is/was met de stelling van Tooren/NN dat door de brand geen schade was veroorzaakt aan de dak-/staalconstructie" (blz. 10).

1.16 NN heeft zich tegen inhoud en omvang van de onder 1.15 genoemde akte gekant (akte uitlatingen onder 4). Zij voert voorts aan dat Huelva incomplete stukken in geding heeft gebracht (onder 12 - 15).

1.17 Bij arrest van 17 oktober 2000 heeft het Hof het be-streden vonnis bekrachtigd.

1.18 Het Hof wijst er op dat Huelva overeenkomstig art. 4 der polisvoorwaarden bij "formulier benoeming deskundigen" H+D heeft benoemd ter begroting van de schade samen met de door NN benoemde Tooren. "Deze benoemingen golden als vaststelling en begroting van de totale (materiële- en bedrijfs-) schade, eventuele schade aan de dakconstructie was daarbij niet uitgezonderd" (rov. 3.1).

1.19 Blijkens genoemd formulier heeft Huelva bij de benoeming bij voorbaat verklaard "de door de bedoelde deskundigen te verrichten taxaties goed te keuren". Uitdrukkelijk is bepaald dat de lastgeving niet kan worden ingetrokken of herroepen (rov. 3.2).

1.20 Uit art. 5 van de polisvoorwaarden blijkt dat de door NN uit te keren schadevergoeding gelijk is aan het door deskundigen vastgestelde bedrag (rov. 3.3).

1.21.1 Hieruit volgt, aldus het Hof,

"dat partijen zich bij voorbaat onvoorwaardelijk hebben neergelegd bij de uitkomst van de door hen benoemde experts te verrichten taxatie(s), in dier voege dat deze taxatie(s) diende(n) te gelden als uitsluitend bewijs van de (totale) grootte van de (...) schade".

1.21.2 Het Hof merkt deze overeenkomst aan als een vaststellingsovereenkomst (rov. 4). Tegenbewijs daartegen is uitgesloten (rov. 8). Het bewijsaanbod van Huelva stuit hierop af (rov. 9).

1.22 Blijkens twee aktes van schadetaxatie hebben de experts verklaard dat de schade - voorzover hier van belang - is vastgesteld op de daarin genoemde bedragen (rov. 5). Enig voorbehoud met betrekking tot het dak is niet gemaakt; daarvan blijkt ook anderszins niet (rov. 6).

1.23 Dat tijdens het onderzoek door de experts discussie is geweest over, dan wel aanvankelijk een voorbehoud is gemaakt nopens de dakconstructie doet hieraan niet af, evenmin als de rapportages van Romkes en CB. Immers is desondanks uiteindelijk, zonder enig voorbehoud, de gehele schade vastgesteld. Dit blijkt, nog steeds volgens het Hof, ondubbelzinnig uit de akkoordverklaringen/aktes (rov. 7).

1.24 Alleen ingeval sprake is "van ernstige gebreken in de beslissing" kan de gebondenheid aan de schadevaststelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in de zin van de artikelen 6:248 lid 2 en art. 7:904 lid 1 BW. De onder 1.23 genoemde omstandigheden en de omstandigheid dat het posterieure rapport van CB wellicht op schade aan de dakconstructie duidt, leveren niet zodanig gebrek op (rov. 11 en 12).

1.25 Het door Huelva bij de ondertekening van de schadekwitantie gemaakte voorbehoud doet aan een en ander niet af. Bovendien is de schadevaststelling niet afhankelijk van goedkeuring door partijen achteraf. Huelva had haar goedkeuring bovendien al bij voorbaat gegeven (rov. 13).

1.26 Geen "genoegzame feiten en/of omstandigheden" zijn gebleken waaruit, ondanks al het voorafgaande, zou kunnen volgen dat NN (in elk geval) had moeten begrijpen dat "de schade aan de dakconstructie van de schadevaststelling (hoe dan ook) was uitgezonderd, laat staan dat NN daarmee dan zou hebben ingestemd". Ook in zoverre is er geen grond om gebondenheid van Huelva naar de onder 1.24 genoemde maatstaf onaanvaardbaar te achten (rov. 14).

1.27 Huelva heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Dat is door NN tegengesproken.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Het eerste middel kant zich tegen rov. 3 en 4. De onderdelen 1, 2 en 3, in onderling verband gelezen, klagen erover dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat partijen de "procedure" van de artikelen 4 en 5 der polisvoorwaarden hebben gevolgd. In dat verband wijst Huelva er op dat:

a. NN haar deskundige niet "overeenkomstig artikel 4 polisvoorwaarden" heeft benoemd;

b. Huelva slechts een formulier heeft mogen invullen en aldus, zo begrijp ik, geen deskundige heeft benoemd in bedoelde zin;

c. in afwijking van de tekst van het formulier de schaderegeling van meet af aan in overleg met Huelva zou plaatsvinden; zij leidt dit kennelijk af uit de aan het slot van onderdeel 2 geciteerde verklaring van Tooren;

d. NN niet onherroepelijk was gebonden aan het oordeel van Tooren;

e. de vaststelling der brandschade afhankelijk is gemaakt van het oordeel van CB; Tooren was bereid daarop te wachten;

f. geen sprake is van een wederkerige overeenkomst; "immers" staat in de polisvoorwaarden niets omtrent de onherroepelijkheid van lastgeving en goedkeuring vooraf.

2.2 Al deze klachten stuiten reeds hierop af dat in feitelijke aanleg een betoog als daarin ontwikkeld niet is voorgedragen. Ware dat al anders dan vinden zij hun Waterloo in art. 407 lid 2 Rv. omdat niet wordt aangegeven waar dat zou zijn gebeurd.(6) Aan dit laatste doet niet af dat de onderdelen een enkele vindplaats in de stukken noemen; hetgeen daar is verwoord heeft een geheel andere strekking dan de onderdelen.

2.3 Ten overvloede loop ik de verschillende klachten nog kort langs:

a en b: zonder nadere toelichting, die geheel ontbreekt, is onduidelijk waarom de benoeming niet overeenkomstig art. 4 zou zijn geschied. In de s.t. van mr Budhu Lall wordt daarover gezegd dat Tooren in dienst was van NN; daarom zou hij niet zijn benoemd. Nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom iemand die in dienst is niet als deskundige zou kunnen worden benoemd(7), in het middel is geen hierop toegespitste klacht te lezen.(8)

c. naar ik begrijp, leidt Huelva uit de geciteerde verklaring van Tooren af dat de schade niet bindend zou kunnen worden vastgesteld zonder overleg met haar, waarbij zij vermoedelijk meent dat haar stem beslissende betekenis zou hebben. Aldus leest zij iets in die verklaring wat er niet staat. Tooren zegt niet meer of anders dan dat Huelva met de door haar benoemde expert kan overleggen. Dat overleg heeft ook plaatsgevonden en heeft geleid tot inschakeling van (in elk geval) CB;

d. deze klacht ziet er - onder meer - aan voorbij dat van gebondenheid aan het oordeel van één expert geen sprake is; art. 4 ziet op de vaststelling door twee (of drie) deskundigen;

e. de hier bedoelde stelling vindt geen steun in de feiten. Bovendien ziet Huelva over het hoofd dat CB op het moment dat de deskundigen de schade vaststelden geen stuk had geproduceerd waaruit viel af te leiden dat de dakconstructie was aangetast.(9) Ook het Hof wijst daarop; zie onder 1.24. Ik stip verder nog aan dat CB niet aanstonds als onafhankelijk kan worden beschouwd omdat zij, naar de eigen stellingen van Huelva, zelf het dak "heeft uitgelijnd" (zie onder 1.5 i.f.); ook haar onder 1.12 geciteerde - door Huelva zelf in geding gebrachte - verklaring spreekt niet zonder meer ten voordele van Huelva.

f. mij is niet goed duidelijk wat Huelva hiermee wil zeggen.

2.4 Voorzover onderdeel 1.4 al begrijpelijk is, strandt het op dezelfde klip als de onderdelen 1 - 3; zie onder 2.2. Bovendien ziet Huelva over het hoofd dat ook NN, op grond van art. 4 der polisvoorwaarden, gebonden was aan de schadevaststelling door de deskundigen. Van wederkerigheid was dus, anders dan zij meent, wel degelijk sprake.

2.5 Volgens de s.t. onder 5 heeft onderdeel 1.5 geen zelfstandige betekenis; ik behoef er dan ook niet op in te gaan.

2.6 Het tweede middel trekt ten strijde tegen rov. 5 - 7.

2.7 Onderdeel 2.1 behelst geen klacht, naar de s.t. onder 6 verduidelijkt. Tevens wordt daar betoogd dat onderdeel 2.4 een samenvatting is; ook daarop behoef ik dus niet in te gaan.

2.8 Alvorens de resterende klachten te bespreken, merk ik op dat de akte van schadetaxatie van maart 1993 m.i. zonder belang is. Deze heeft immers, naar het Hof overwoog, betrekking op het huurdersbelang (rov. 5). Daar gaat het in deze procedure niet om. Daarom behoeft slechts aandacht te worden geschonken aan de akte van 29 juni 1992.

2.9 Onderdeel 2.2 voert aan dat de akte van 29 juni 1992 geen melding maakt van een voorbehoud ter zake van het huurdersbelang. Op zich is dat juist. Omdat de akte van maart 1993 expliciet uitsluitend betrekking heeft op het huurdersbelang ligt alleszins voor de hand dat het Hof van een eerder voorbehoud te dier zake is uitgegaan. De weinig duidelijke klacht stuit hierop af.

2.10 Onderdeel 2.3 voert aan dat een expliciet voorbehoud op de akte van taxatie blijkbaar niet nodig is. Waarom zou dat dan anders zijn met betrekking tot het dak, zo parafraseer ik. Het antwoord is m.i. dat de deskundigen zich bij de akte van 29 juni 1992 niet duidelijk hebben uitgedrukt maar dat voor hen vaststond dat de schade ter zake het huurdersbelang nog moest worden vastgesteld. Zij hebben Huelva er niet de dupe van willen laten worden dat zulks - ten onrechte - niet op de akte was vermeld; NN heeft zich daartegen niet verzet. Dat leidt evenwel allerminst tot de slotsom dat hetzelfde geldt voor een schade(post) waarvan niet blijkt dat deskundigen deze hebben willen openhouden. 's Hofs oordeel zal in deze zin moeten worden begrepen. Aldus gelezen is het niet onbegrijpelijk.

2.11 Neemt men aan - zoals het Hof heeft gedaan en redelijkerwijs kon doen - dat na 29 juni 1992 uitsluitend de kwestie van het huurdersbelang nog openstond, dan doet niet ter zake of de discussie over het dak ná maart 1993 nog voortging. Ik roep hierbij in herinnering dat deskundigen ten tijde van het tekenen van de akte van 29 juni 1992 1) zelf geen schade aan de dakconstructie hadden geconstateerd, 2) na gesputter van Huelva(10) een externe deskundige (Romkes) evenmin schade daaraan heeft vastgesteld, terwijl datzelfde op dat moment kennelijk gold voor de door Huelva ingeschakelde expert CB.(11)

2.12 De uiteenzetting over de lekkage behelst geen begrijpelijke klacht.

2.13 Het derde middel komt op tegen rov. 8, 9, 10 en 17.

2.14 Onderdeel 3.1 - dat zegt voort te bouwen op voorafgaande klachten - bestrijdt in de eerste plaats 's Hofs oordeel dat sprake is van een vaststellings-overeenkomst. Voorzover deze klacht iets nieuws beoogt te vertolken, voldoet zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. nu niet wordt aangegeven waarom 's Hofs oordeel onjuist zou zijn.

2.15 Het onderdeel veronderstelt voorts dat het Hof zijn oordeel dat voor bewijslevering geen plaats is, heeft ge-baseerd op art. 7:900 lid 1 BW. Hoewel het Hof dat artikellid niet noemt, is aannemelijk dat het daar inderdaad het oog op heeft gehad.

2.16 Huelva verwijt het Hof te hebben miskend dat genoemde bepaling nog niet gold ten tijde van de schadevaststelling.

2.17 Juist is dat bedoelde bepaling eerst op 1 september 1993 inwerking is getreden. Niet juist is evenwel de stelling die, naar ik begrijp, door het onderdeel wordt geponeerd: dat onder het oude recht tegenbewijs tegen een dading kon worden geleverd.(12)

2.18 Nog daargelaten dat Huelva geen enkele bron noemt voor haar opvatting, haar betoog is niet in overeenstemming met het - m.i. zeer vergelijkbare - arrest Aegon/CSF dat onder de vigeur van het oude recht speelde.(13) Het onderdeel loopt daarop stuk, zoals onderdeel 3.2 trouwens lijkt te onderkennen.

2.19 Onderdeel 3.2 vertolkt een sympathieke maar onjuiste gedachte. Men zet de bijl aan vaststellingsovereenkomsten wanneer daaraan zou kunnen worden gemorreld op de enkele grond dat degenen die (toegespitst op gevallen als de onderhavige) de schade vaststellen zich hebben vergist of fouten hebben gemaakt.

2.20 Naar de kern genomen verwijt Huelva de deskundigen niet meer dan dat zij een onjuist - maar, zo merk ik op, door ten minste Romkes en ten minste aanvankelijk ook CB onderschreven - oordeel hebben gevormd over de vraag of de dakconstructie door de brand is aangetast; dat is onvoldoende. Dát die laatste situatie zich voordoet, staat intussen allerminst vast.

2.21 Opmerking verdient hierbij nog dat art. 7:904 lid 1 BW een uitlaatklep biedt voor bijzonder schrijnende gevallen. Uit de rechtspraak valt op te maken dat daarvan niet spoedig sprake is.(14)

2.22 Onderdeel 3.3 mist zelfstandige betekenis. Voorzover de s.t. onder 8 bedoelt te zeggen dat dit anders is, wordt niet duidelijk gemaakt wat deze klacht zou toevoegen aan de eerdere.

2.23 Het vierde middel richt pijlen op de rov. 11 - 14. Deze klachten falen reeds omdat Huelva in feitelijke aanleg geen beroep heeft gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen, is daarmee geheel ten overvloede.(15) Om de navolgende redenen behoeft op deze kwestie niet verder te worden ingegaan.

2.24 Onderdeel 4.1 vervalt, als ik het goed zie, in herhalingen en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

2.25 Onderdeel 4.2 betoogt dat uit gegevens die ná het ondertekenen van de akte van 29 juni 1992 beschikbaar zijn gekomen, voortvloeit dat de deskundigen hun "beslissing" op onjuiste gronden hebben genomen.

2.26 Deze klacht faalt. Hierboven gaf ik reeds aan dat de kwestie van het dak, in de visie van deskundigen, op 29 juni 1992 was afgehandeld; zie onder 3.8 - 3.10. Zou aan hun bindende schadevaststelling op grond van latere (intussen geenszins vaststaande) feiten de grond komen te ontvallen dan wordt het nuttige fenomeen van vaststellingsovereenkomsten naar de prullenmand verwezen. Het onderdeel miskent (voorts) dat slechts onder zéér bijzondere omstandigheden, waarop geen beroep wordt gedaan, de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid soelaas kan bieden; zie onder 2.21.

2.27 Ook de voortbouwende onderdelen 4.3 en 4.4, voorzover al begrijpelijk, lopen in het bovenstaande vast. Datzelfde geldt voor onderdeel 5.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Uit een door Huelva bij cvr in geding gebrachte brief van Romkes blijkt dat de brandhaard h.i. geen invloed heeft gehad op de "hoofddraagkonstrukties".

2 M.i. volgt dit niet zonder meer uit de door NN bij cva overlegde stukken waarnaar Huelva bij cvr verwijst. Wél valt er een aanwijzing uit te putten voor de gegrondheid van het betoog van Huelva.

3 Zij beroept zich daarbij op een als productie overgelegde brief van NN. Bij pleidooi heeft NN betoogd dat het hier gaat om een geheel andere schade in een deel van het pand waar geen brand heeft gewoed.

4 Vgl. Akte van NN van 13 april 2000 onder 20.

5 Zie voor de reactie van NN haar akte van 13 april 2000 onder 23.

6 HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82.

7 Of dat wenselijk is, behoeft geen beantwoording. Ik ga daarop dan ook niet in.

8 Ik laat rusten dat Huelva er in de s.t. m.i. te gemakkelijk van uitgaat dat eerst tijdens de pleidooien in appèl zou zijn gebleken dat Tooren in dienst was van NN.

9 Zie haar brief aan de directeur van Huelva van 20 mei 1992, door NN bij cva overgelegd.

10 Zie onder 1.5.

11 Vgl. de s.t. van mr Budhu Lall onder 9 en hierboven onder 1.24.

12 Ik laat hier rusten het onderscheid tussen de dading en de daarop gebaseerde schadevaststelling; zie de conclusie van A-G Bakels voor HR 12 september 1997, NJ 1998, 382 onder 3.19.

13 HR 14 februari 1992, NJ 1992, 245 PvS rov. 3.4 en HR 12 september 1997, NJ 1998, 382 MMM rov. 3.3.

14 Zie bijvoorbeeld HR 12 september 1997, NJ 1998, 382 MMM rov. 3.5 en de conclusie van A-G Bakels, met name onder 3.29.

15 Zie, ook voor vindplaatsen, T.F.E. Tjong Tjin Tai, WPNR 6482 met name onder 5.2 en 5.3.