Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4162

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
01169/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 365a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 501
NJ 2002, 629
VR 2002, 213
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01169/01

Mr Fokkens

Zitting: 11 juni 2002

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.(1)

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.

3. Namens verdachte heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd de Advocaat-Generaal niet-ontvankelijk te verklaren in zijn in de strafzaak gedane ontnemingsvordering, zoals weergegeven in diens ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde schriftelijke vordering.

5. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting en het arrest is gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Aldus heeft het Hof vastgesteld wat is gevorderd. Dat in de ter terechtzitting overgelegde schriftelijke vordering ook nog een vordering tot ontneming van fl. 3.620,- voorkomt doet daar niet aan af. (vgl. HR 28 april 1992, NJ 1992, 657). Het is in dit geval overigens ook duidelijk hoe de discrepantie tot stand is gekomen. De Advocaat-Generaal heeft kennelijk één requisitoir gehouden in de gelijktijdig behandelde hoofdzaak en ontnemingszaak en vervolgens een schriftelijke vordering overgelegd, waarin zowel de eis in de hoofdzaak als de eis in de ontnemingszaak was opgenomen. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

6. Het tweede middel klaagt erover dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen omstreeks de periode van 1 april 1996 tot en met 9 juni 1997 te Dordrecht meermalen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een (gebruikers)hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (Methyleendioxymethylamfetamine) en/of MDEA (Methyleendioxyethylamfetamine), zijnde MDMA en/of MDEA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."

8. De klacht dat de als bewijsmiddel 6 en 7 tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] innerlijk tegenstrijdig zijn, aangezien bewijsmiddel 6 inhoudt dat hij tot en met april 1997 XTC-tabletten heeft gekocht van de verdachte, terwijl bewijsmiddel 7 inhoudt dat hij eind maart 1997 voor de laatste keer pillen van de verdachte heeft gekocht, berust op een onjuiste lezing van bewijsmiddel 6. Dat bewijsmiddel houdt in dat [betrokkene 1] tot en met april 1997 XTC-tabletten heeft verkocht (en dus niet gekocht) en daarmee is niet onverenigbaar dat [betrokkene 1] eind maart 1997 voor het laatst XTC-tabletten van de verdachte heeft gekocht.

9. De klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, omdat daaruit niet blijkt dat ná eind maart 1997 nog verdovende middelen door de verdachte zijn verkocht en/of afgeleverd, berust op een onjuiste lezing van de bewezenverklaring. Deze houdt immers in dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden op tijdstippen omstreeks de periode van 1 april 1996 tot en met 9 juni 1997 en niet gedurende die volle periode. Dat de verdachte zich op tijdstippen in de periode van 1 april 1996 tot en met 9 juni 1997 heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde gedrag kan zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen.

10. Het middel is ondeugdelijk.

11. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof de in het verkorte arrest opgenomen nadere bewijsoverweging niet in de aanvulling op het verkorte arrest had mogen verbeteren en aanvullen.

12. De bewijsoverweging in het verkorte arrest luidt:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - kort samengevat - aangevoerd dat geenszins is uit te sluiten dat de door verdachte verhandelde 'XTC'-pillen steeds een niet strafbare verbinding bevat hebben, te weten MBDB, en dat verdachte daarom vrijgesproken dient te worden.

Het Hof verwerpt dit verweer van de raadsman van de verdachte en overweegt hiertoe het navolgende.

Verdachte heeft onder meer 'XTC'-pillen verhandeld met de benamingen "Woody Woodpecker", "Thunderdome" en "Zonnetje". Uit het door het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie de Rijswijk op 7 november 1997 uitgebrachte rapport blijkt dat in de onderzochte 'XTC'-pillen met de benamingen "Woody Woodpecker", "Thunderdome" en "Zonnetje" geen enkele maal het niet strafbare MBDB werd aangetroffen."

13. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof overwogen:

"Nadere overweging omtrent het bewijs ex artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering.

Op pagina 3 van het arrest is een verweer van de verdachte omschreven en vervolgens door het hof verworpen. Deze verwerping behoeft verbetering en aanvulling, zodat hier de juiste tekst volgt:

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - kort samengevat - aangevoerd dat geenszins is uit te sluiten dat de door verdachte verhandelde 'XTC'-pillen steeds een niet strafbare verbinding bevat hebben, te weten MBDB, en dat verdachte daarom vrijgesproken dient te worden.

Het Hof verwerpt dit verweer van de raadsman van de verdachte en overweegt hiertoe het navolgende.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat verdachte onder meer 'XTC'-pillen verhandelde met de benamingen "Woody Woodpecker", "Thunderdome" en "Zonnetje", in welke pillen het Gerechtelijk Laboratorium blijkens haar rapport van 7 november 1997 bij eerdere onderzoeken nimmer het niet strafbare MBDB heeft aangetroffen.

Dit gegeven, gevoegd bij het feit dat niet is gebleken dat door de afnemers van de door verdachte verkochte pillen ooit is geklaagd over de samenstelling en de kwaliteit van de pillen, en in aanmerking genomen de lange periode dat verdachte zich heeft bezig gehouden met de verkoop en aflevering van 'XTC'-pillen, leidt ertoe, dat het hof het niet aannemelijk acht dat de door verdachte verhandelde pillen de niet strafbare verbinding MBDB bevatten."

14. In zijn arrest van 16 maart 1999, NJ 1999, 387 heeft de Hoge Raad overwogen dat nu een nadere bewijsoverweging voor het eerst in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv mag worden opgenomen, redelijke wetsuitleg meebrengt dat een in het verkorte arrest opgenomen nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het verkorte arrest mag worden verbeterd. In het verlengde van deze uitspraak vermag ik niet in te zien waarom een in het verkorte arrest opgenomen aanvullende bewijsoverweging in de aanvulling daarop niet zou mogen worden aangevuld. De in de toelichting op het middel weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 26 september 1996 tot wijziging van de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering betreffende het proces-verbaal van de terechtzitting en het vonnis (Stb. 1996, 487) nopen niet tot een andersluidend oordeel. De in deze passages gemaakte opmerkingen hebben - bezien in de context waarin zij zijn gemaakt - uitsluitend betrekking op de ontoelaatbaarheid van het in de aanvulling op het verkorte vonnis/arrest aanbrengen van wijzigingen in die onderdelen van de uitspraak die verplicht in het verkorte vonnis/arrest moeten worden opgenomen (zie in dit verband HR 18 april 2000, NJ 2001, 352 m.nt. Kn omtrent de afbakening van de inhoud van het verkorte vonnis/arrest en de aanvulling daarop). Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

15. Het vierde middel klaagt erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het door de verdachte verkochte en afgeleverde materiaal MDMA en/of MDEA bevatte.

16. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden in:

(i) dat de verdachte in het begin MDMA'tjes heeft verkocht (bewijsmiddel 2);

(ii) dat hij voorts XTC-pillen van het type "Woody Woodpecker", "Thunderdome" en "Zonnetje" heeft verkocht (bewijsmiddelen 2 en 7) en

(iii) dat het Gerechtelijk Laboratorium bij eerdere onderzoeken van XTC-pillen van het type "Woody Woodpecker", "Thunderdome" en "Zonnetje" daarin de stoffen MDMA, MDEA en in een enkel geval amfetamine heeft aangetroffen.

17. Daaruit kon het Hof afleiden verklaren dat de verdachte materiaal bevattende MDMA en/of MDEA heeft verkocht en afgeleverd.

18. Het middel bevat voorts de klacht dat de gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden waaruit volgt dat de afnemers van de door de verdachte verkochte pillen nooit hebben geklaagd over de samenstelling en de kwaliteit van die pillen, zoals het Hof in zijn hiervoor onder 13 weergegeven nadere bewijsoverweging heeft overwogen. Dat is juist, maar behoeft niet tot cassatie te leiden aangezien deze overweging van het Hof aldus moet worden verstaan dat in het dossier geen indicaties zijn aangetroffen die doen twijfelen aan de juistheid van de uit de bewijsmiddelen getrokken conclusie dat door de verdachte verkochte en afgeleverde pillen MDMA en/of MDEA bevatten. Een dergelijke constatering behoeft niet uit de gebezigde bewijsmiddelen te blijken (vgl. mijn conclusie vóór HR 18 september 2001, LJN AD3530).

19. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

20. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

21. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie ook de ontnemingszaak met griffienummer 01168/01 P waarin ik heden eveneens concludeer.