Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4090

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
C01/304HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 514
NJ 2004, 175
VR 2003, 111
JWB 2002/345
JAR 2002/259 met annotatie van mr. D.M. Thierry
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr.: C01/304

Zitting: 7 juni 2001

Conclusie mr J. Spier inzake

[Eiseres]

tegen

FAIR PLAY CENTERS B.V.

(hierna: Fair Play)

1. Feiten

In deze zaak heeft de Rechtbank te Maastricht in rov. 3 van haar in cassatie bestreden vonnis de relevante feiten vastgesteld. Nadat ik deze aan het papier had toevertrouwd, ontstond een computerstoring en werden ze verminkt. Ik volsta er thans mee te verwijzen naar het vonnis.

2. Procesverloop

2.1 [Eiseres] heeft Fair Play gedagvaard voor de Kantonrechter te Heerlen en gevorderd (1) te verklaren voor recht dat Fair Play aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het bedrijfsongeval dat haar op 9 december 1996 is overkomen en (2) Fair Play te veroordelen tot vergoeding van alle door haar geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.

2.2 [Eiseres] heeft deze vordering gegrond op het bepaalde in art. 7:658 BW. Zij heeft gesteld dat Fair Play onvoldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen ter voorkoming van een ongeval als het onderhavige.

2.3.1 Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiseres] erop gewezen dat sprake was van een "gloednieuw vlijmscherp gekarteld broodmes" (dagvaarding onder 2).

2.3.2 [Eiseres] heeft voorts aangevoerd dat Fair Play geen deugdelijke instructies had uitgevaardigd voor het uitvoeren van de keukenwerkzaamheden, dat Fair Play geen toezicht hield op de uitvoering van die werkzaamheden en dat Fair Play haar werknemers voor die werkzaamheden ook geen deugdelijke voorzieningen in de vorm van beschermende handschoenen, een snijplank en/of een houten puntbroodjeshouder ter beschikking had gesteld, waardoor de kans op een ongeval aanmerkelijk is vergroot. In dit verband heeft [eiseres] erop gewezen dat Fair Play heeft nagelaten zorg te dragen voor een ongevalsrapport van de Arbeidsinspectie. Zou een dergelijk rapport wel zijn opgemaakt dan zou het voorgaande nog duidelijker dan nu het geval is kunnen worden aangetoond, aldus [eiseres] (dagvaarding onder 7; CvR onder 8, 10-14).

2.3.3 Daarnaast heeft [eiseres] aangevoerd dat Fair Play haar personeel onvoldoende heeft gewaarschuwd voor een zojuist aangeschaft vlijmscherp keukenmes. Daarbij heeft zij erop gewezen dat na haar nog twee andere werknemers zich aan hetzelfde mes hebben gesneden. Zij heeft betoogd dat een dergelijke waarschuwing in de rede ligt aangezien een mes na verloop van tijd bot wordt en de gebruikers gewend raken aan het gebruik van een bot mes. Bij deze gewenning levert de plotselinge confrontatie met een scherp mes bij het snijden van een - in dit geval - zacht puntbroodje gevaar op omdat de gebruiker "veel eerder dan verwacht aan het uiteinde van het broodje" komt (dagvaarding onder 7; CvR onder 15 en 16).

2.4 Fair Play heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Samengevat en voorzover in cassatie nog van belang heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij (wat de keukenwerkzaamheden betreft) niet tekort is geschoten in haar zorgverplichting ten aanzien van de veiligheid van haar werknemers. Volgens Fair Play heeft zij geen normen uit de ARBO-wetgeving geschonden, terwijl (voorts) niet valt in te zien welke voorzieningen en maatregelen zij (verder) had moeten en kunnen treffen of nemen om een ongeval als het onderhavige te voorkomen. Het gaat hier om een geval van "pech", dat bij normale oplettendheid niet zou hebben plaatsgevonden en waarvoor zij niet aansprakelijk kan worden gehouden, aldus Fair Play.

2.5 Ter onderbouwing van dit standpunt - en reagerend op de verwijten van [eiseres] - heeft Fair Play daarbij kort gezegd het volgende aangevoerd:

a. [Eiseres] had de betreffende werkzaamheden reeds vele malen uitgevoerd (CvA blz. 7-11; CvD blz. 5-6). Of het mes nieuw was doet niet ter zake. Messen moeten nu eenmaal scherp zijn. De mate waarin het mes scherp was ("vlijm" of niet) acht zij evenmin relevant (cvd blz. 2). Uit een bij cvd geciteerde verklaring van [eiseres] leidt Fair Play af dat [eiseres] wist dat sprake was van een nieuw mes (blz. 3).(1)

b. De arbeidsomstandigheden waren goed: de keuken was voldoende ruim en voorzien van goed materiaal. Met name het broodmes was deugdelijk. Bovendien stond [eiseres] alleen in de keuken, zodat zij niet werd afgeleid door anderen, terwijl ook geen sprake was van (hoge) werkdruk (CvA blz. 4; CvD blz. 3).

c. Elke nieuwe werknemer krijgt instructies met betrekking tot onder meer de keukenwerkzaamheden. Als het gaat om het gebruik van een broodmes, kende [eiseres] de veiligheidsnormen; het was haar bekend "dat zij niet in haar vinger moest snijden". Aangezien het bij het smeren van broodjes gaat om een handeling die men ook thuis meermalen uitvoert, kan van een werkgever in redelijkheid niet worden verwacht daar specifieke instructies aan te verbinden. Zij werpt de vraag op op [eiseres] "nu echt (verwacht) dat Fair Play in de vorm van veiligheidsinstructies (...) op gezette tijden moet voorhouden dat zij zich niet in hun vingers moet snijden bij het opensnijden van broodjes" (CvA blz. 5-6; CvD blz. 3).

d. De door [eiseres] gestelde voorzieningen kunnen niet bijdragen aan het voorkomen van een ongeval als het onderhavige en zijn van alle realiteitszin gespeend; "[eiseres] werkt niet in een slachterij". Navraag bij Gorissen Bedrijfskeukens heeft geleerd dat artikelen die kunnen voorkomen dat men zich in de vingers snijdt, zoals de genoemde houten puntbroodjeshouder, niet bestaan. Het dragen van dikke, beschermende handschoenen bij het snijden van een broodje is geen redelijke eis (CvA blz. 6; CvD blz. 4-5).

e. Dat Fair Play haar personeel had moeten waarschuwen dat het broodmes nieuw was, valt niet in te zien. Het ging hier om een normaal en gangbaar broodmes dat in iedere keuken aanwezing is en het is een wezenskenmerk van ieder mes dat het scherp is. Daarvoor te (moeten) waarschuwen is volgens Fair Play "ridicuul". In dit verband heeft Fair Play bij gebrek aan wetenschap betwist dat naast [eiseres] nog twee andere werknemers zich aan het bewuste mes zouden hebben gesneden (CvA blz. 6-7). De processtukken van Fair Play staan bol van de telkens weer opnieuw vertolkte stelling dat zij zich belachelijk zou hebben gemaakt door te waarschuwen. Ik citeer, bij wijze van voorbeeld, "Vanzelfsprekend zal Fair Play haar personeel veiligheidscursus en/of instructies geven waarin als deelonderwerp is opgenomen: "hoe ga ik veilig om met broodmessen bij het smeren van broodjes. (...) maar Fair Play kan geen werkgever in haar omgeving vinden die voor deze werkzaamheden een cursus of instructie geeft" (cvd blz. 3).

2.6 In haar vonnis van 5 juli 2000 heeft de Kantonrechter Heerlen de vordering van [eiseres] toegewezen. Samengevat weergegeven en voorzover in cassatie nog van belang heeft zij daartoe het volgende overwogen (rov. 3.2):

a. [eiseres] heeft onbestreden gesteld dat Fair Play een nieuw, vlijmscherp en gekarteld broodmes ter beschikking heeft gesteld en dat Fair Play terzake geen waarschuwing heeft gegeven of veiligheidsmaatregelen heeft getroffen ter voorkoming van het ongeval;

b. er ligt geen rapport van de Arbeidsinspectie waaruit zou kunnen blijken dat de door Fair Play gestelde arbeidsomstandigheden (geen afleiding, voldoende ruimte, goed materiaal, geen werkdruk) als veiligheidsmaatregelen zouden volstaan;

c. waarom het geven van instructies en/of een waarschuwing bij het ter beschikking stellen van een nieuw broodmes niet zou zijn geboden, is de Kantonrechter niet duidelijk. De noodzaak hiervan blijkt reeds uit het feit dat naast [eiseres] nog twee andere werknemers zich aan het mes hebben gesneden. Nu vaststaat dat deze instructie/waarschuwing niet is gegeven, is Fair Play aansprakelijk voor de door [eiseres] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.

2.7 Fair Play is van het vonnis in hoger beroep gekomen. Zij heeft tegen dit vonnis zeven grieven (A-C en I-IV) aangevoerd, waarvan grief II was gericht tegen het oordeel van de Kantonrechter in rov. 3.2 dat Fair Play tekort is geschoten in haar zorgplicht ten aanzien van de veiligheid (mvg blz. 7 - 24).

2.8 Hetgeen Fair Play in de uitgebreide toelichting op deze grief heeft aangevoerd, vormt in hoofdzaak een herhaling van zetten. Voorzover in cassatie nog van belang heeft zij nogmaals benadrukt dat [eiseres] wist dat zij een nieuw mes hanteerde (blz. 4, 13, 14 en 16) en dat het bij het smeren van zachte puntjes gaat om eenvoudige, reguliere werkzaamheden, die ook privé dagelijks worden verricht. Het is niet reëel van een werkgever te verwachten dat hij hiervoor instructies geeft of anderszins voorzieningen treft (blz. 13, 16-18 en 19-23). Voorts heeft Fair Play nog eens uiteengezet, waarom niet kan worden gezegd dat zij haar werknemers had moeten waarschuwen dat het broodmes nieuw was (blz. 18-19 en 20).

2.9.1.1 [Eiseres] heeft het hoger beroep bestreden. In het kader van haar bestrijding van grief II heeft zij het accent gelegd op de schending door Fair Play van de gestelde verplichting haar werknemers te waarschuwen voor de aanwezigheid van een nieuw, vlijmscherp mes. Zij herhaalt haar stelling dat ook twee andere werknemers zich aan het mes hebben gesneden (nrs. 9 en 14-25).

2.9.1.2 Volgens haar "kan (...) kloppen" dat geen houten puntbroodjeshouders" voorhanden zijn; doch "er is niet veel fantasie voor nodig om zo'n apparaat te ontwerpen". Wat het dragen van hanschoenen betreft, beaamt [eiseres] dat zulks geen bescherming biedt, maar "bij het aantrekken van die handschoenen ben je net even attent op de komende snijwerkzaamheden" (onder 22).

2.9.2 Voorzover in cassatie van belang heeft zij in dat verband uitdrukkelijk betwist dat zij wist dat zij een nieuw mes in handen had (Fair Play had deze stelling in eerste aanleg eerst in haar CvD betrokken) (onder 1-2, 9 en 18).

2.9.3.1 Voorts heeft zij gesteld dat het hier een professioneel mes betrof en niet, zoals door Fair Play gesteld, een "doodnormaal" en gangbaar broodmes. In dat verband beroept ze zich op een als productie aangehechte kopie van een folder van Victorinox-messen. De mva zegt daarover dat deze messen "zelfs (door) vakmensen als slagers en koks" worden gebruikt(nr. 8). Ik voeg hieraan toe dat de door [eiseres] in geding gebrachte folder de messen aanprijst als huishoudmessen en het litigieuze mes als keukenmes.

2.9.3.2 [Eiseres] beroept zich voorts op een door haar in geding gebrachte brief van (kennelijk) de importeur van de messen. Hij schrijft - voorzover thans van belang - dat sprake is van "een zeer courant" "normaal broodmes" dat onder meer ten verkoop wordt aangeboden aan de "consumentengerichte detailhandel".

2.9.4 Ten slotte wijst [eiseres] er op dat de werkgever rekening moet houden met het feit dat werknemers niet steeds oplettend zijn (onder 24).

2.10 In haar vonnis van 5 juli 2001 heeft de Rechtbank grief II gegrond bevonden, het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de vordering van [eiseres] afgewezen. Voorzover in cassatie van belang heeft zij daartoe het volgende overwogen (rov. 5.2):

"Als zijnde het meest verstrekkend, zal de rechtbank voor-aleerst grief 2 behandelen. (...).

De centrale vraag die in casu dient te worden beoordeeld is of Fair Play tekort is geschoten in haar zorgplicht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de in art. 7:658, lid 1 BW vastgelegde zorgplicht niet absoluut is, maar dat de werkgever die maatregelen dient te nemen die - mede gezien de aard van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder deze worden uitgevoerd - redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer bij het uitvoeren van die werkzaamheden schade lijdt. Daarnaast dient eveneens te worden uitgegaan van de normale door de werknemer in acht te nemen oplettendheid.

De rechtbank is van oordeel dat in casu geen zorgplicht geschonden is. Daartoe gelden de volgende overwegingen:

- Onbetwist is dat de keuken (...) voldoende ruimte bood, dat [eiseres] alleen aanwezig was, dat zij niet werd afgeleid en dat de werkzaamheden niet onder een grote werkdruk plaatsvonden;

- Onbetwist is verder dat het verzorgen van hapjes ten behoeve van de aanwezige gasten (waaronder het smeren van broodjes) slechts een onderdeel vormde van de door [eiseres] (...) uit te voeren taken;

- De stelling van Fair Play dat er geen richtlijnen (ARBO-richtlijnen, instructienormen en dergelijke) zijn, die aparte instructies voor deze soort werkzaamheden voorschrijven, heeft [eiseres] verder onbesproken gelaten;

- [Eiseres] was een ervaren kracht, bekend met de betreffende werkzaamheden. Bovendien wijken de betreffende werkzaamheden (het smeren van broodjes, althans het hanteren van een broodmes) niet af van in de thuissituatie regelmatig voorkomende werkzaamheden, waarvoor - buiten de normaal in acht te nemen voorzichtigheid - geen bijzondere aandacht, concentratie en/of kennis vereist is;

- Ten slotte, enerzijds gezien de aard van de werkzaamheden, waarbij per dienst bij toerbeurt een aantal broodjes dienden te worden gesmeerd, en anderzijds gezien de van een werknemer te verwachten normale oplettendheid bij die werkzaamheden, had Fair Play als werkgever niet behoren te weten, dan wel kunnen voorzien dat deze specifieke werkzaamheden dusdanig gevaarlijk waren dat het nemen van maatregelen geboden was.

Anders dan de kantonrechter is de rechtbank gezien deze overwegingen van mening dat - gegeven de omstandigheden en de specifieke werkzaamheden - de zorgplicht van Fair Play als werkgever niet zo ver strekt, dat redelijkerwijs van haar verlangd kan worden dat deze haar werknemers wijst op het aanwezig zijn in de keuken van een nieuw (of geslepen) broodmes. Dit betekent dat, nu bovendien van geen andere norm op dit punt is gebleken, Fair Play door het achterwege laten van een waarschuwing dan wel andere maatregel ter zake, niet te kort geschoten is in haar zorgplicht als bedoeld in art. 7:658, lid 1 BW."

2.11 [Eiseres] heeft tegen het vonnis van de Rechtbank tijdig beroep in cassatie ingesteld. Fair Play heeft het beroep bestreden.

3. Inleiding

3.1 Binnen en buiten Nederland woedt in de literatuur al decennia een discussie over de preventieve werking van het aansprakelijkheidsrecht. Ik heb, eerlijk gezegd, steeds behoord tot de sceptici. Na lezing van de processtukken - waaruit enkele sprekende passages hierboven werden geciteerd - is de vraag gerezen of die werking wellicht toch zou kunnen bestaan.

3.2 Ik neem zonder meer aan dat Fair Play oprecht en te goeder trouw meent dat zij niet tekort is geschoten en dat geen enkele instructie of maatregel geboden was; zij heeft daarbij de Rechtbank trouwens aan haar zijde gevonden. Fair Play vond het - in haar eigen woorden - ridicuul om daar anders over te denken. Feitelijk kan ik me die opvatting van de werkgever wel voorstellen.

3.3 Uw Raad en in zijn voetspoor ook de wetgever hebben van lieverlede een streng aansprakelijkheidsregime ontworpen. Daarin worden veel en strenge verplichtingen gelegd op de werkgever; ook moet hij er rekening mee houden dat werknemers - huiselijk gezegd - niet altijd verstandig handelen.

3.4 Het ligt dus niet zo simpel als Fair Play meent. Een oordeel van de rechter - en al helemaal van de Hoge Raad - dat zij tekort is geschoten (of dat de stellingen van [eiseres] niet belachelijk zijn) heeft, naar valt te verwachten, een nuttig effect voor de toekomst. Zeker nu Fair Play, zo versta ik de stukken, graag bereid is om noodzakelijke en nuttige veiligheidsmaatregelen te treffen.

3.5 Het ging in deze zaak om de vraag of de werkgever iets had moeten doen door te waarschuwen, instrueren, toezicht houden of ter beschikking stellen van veiliger gereedschap. De moeilijkheid waarvoor we ons bij beantwoording van die vraag geplaatst zien is dat een ieder weet (ook [eiseres] wist dat; zij heeft het ook niet weersproken) dat messen scherp (kunnen) zijn. Ik veronderstel dat iedereen ook weet dat men vanwege de scherpte van messen niet "naar zich toe" moet snijden. Toch is een feit van algemene bekendheid dat zeker niet iedereen zich naar deze wetenschap gedraagt. Meer in het algemeen geldt dat in de huiselijke sfeer met regelmaat dingen worden gedaan die onverstandig zijn. Veelal gaat dat goed. Maar zeker niet steeds; bekend is dat in huiselijke sferen zeer vele ongelukken ontstaan.

3.6 Het is, naar ik meen, geen retoriek de onder 3.5 geformuleerde vraag aldus te herformuleren: moet een werkgever een werknemer instructies geven omtrent een werkzaamheid (brood snijden) die a) dagelijks in de huiselijke sfeer wordt ondernomen terwijl b) de werknemer kan worden geacht bekend te zijn met de gevaren van die activiteit en de geëigende wijze van snijden ter voorkoming van ongelukken. Of iets anders gezegd: moet een werkgever er op toezien dat een zekere nonchalance die allicht in de privésfeer nu en dan insluipt bij bepaalde handelingen (als broodsnijden) in de zakelijke sfeer achterwege blijft? Daarbij stip ik aan dat bevestigende beantwoording van die laatste vraag alleen dan zinvol is wanneer zulks praktisch te effectueren is.

3.7 Deze zaak is, nog steeds uitgaande van de zoëven bedoelde vraag, in zoverre exemplarisch dat we worden gedwongen na te denken over de grenzen (en daarmee de consequenties) van de aansprakelijkheid van art. 7:658 BW. Hoewel het verleidelijk is om, al dan niet uitgesproken, een rol te laten spelen dat (volgens [eiseres]) de consequenties van de snee voor haar ernstig zijn, is het m.i. noodzakelijk daarvan te abstraheren. Aansprakelijkheid aannemen in deze zaak heeft potentieel verstrekkende gevolgen, tenzij het mogelijk zou zijn een zodanig specieuze regel te formuleren dat deze buiten het onderhavige geval betekenis mist.

3.8.1 Ik stip hierbij nog aan dat de verzekeraar van Fair Play heeft nagelaten iets te zeggen over de consequenties van het aannemen van aansprakelijkheid in een geval als het onderhavige. Hij schaart zich daarbij in het koor der zwijgzame verzekeraars dat een oorverdovende stilte teweegbrengt.

3.8.2 Hoewel het aldus onmogelijk is iets zinvols te zeggen over de mogelijke repercussies van het aanvaarden van de door [eiseres] bepleite aansprakelijkheid is er m.i. niet veel fantasie voor nodig om te begrijpen dat deze aanzienlijk kunnen zijn. Temeer nu door een (in elk geval voor situaties als de onderhavige betreurenswaardige) wijziging van de WAO voor langdurige arbeids-ongeschikten, bij gebreke van een aansprakelijke werkgever, al spoedig een aanzienlijk financieel probleem ontstaat.

3.9 Hiervoor werd beklemtoond wat de inzet van deze procedure in feitelijke aanleg was. [Eiseres] heeft, aanvankelijk met succes en later tevergeefs, getracht een verstrekkende zorgverplichting voor gevallen als de onderhavige ingang te doen vinden. In cassatie heeft het geschil zich versmald tot een waarschuwingsverplichting voor een nieuw scherp mes. Ik veronderstel dat de olievlekwerking van een mogelijk oordeel dat voor zo'n mes moet worden gewaarschuwd betrekkelijk beperkt is.

3.10.1 Mede ter vermijding van misverstand en ook om te benadrukken dat de bomen ook bij de aansprakelijkheid van art. 7:658 BW niet tot in de hemel groeien, geef ik als mijn mening dat, los van een eventuele waarschuwingsverplichting voor het in gebruik nemen van een nieuw scherp mes, in een geval als het onderhavige onvoldoende is gesteld om anderszins schending van een zorgverplichting van de werkgever te kunnen aannemen. Daarbij acht ik met name van belang dat:

a. naar de Rechtbank in cassatie niet bestreden heeft aangenomen de werkgever geen ARBO-richtlijnen of andere regels heeft overtreden;(2)

b. van de door [eiseres] gewenste maatregelen, naar zij zelf heeft uitgedragen, niets nuttigs viel te verwachten; zie onder 2.9.1;

c. sprake is van een normaal broodmes dat mede is bestemd voor en wordt gebruikt in huiselijke situaties, naar uit de eigen door [eiseres] geproduceerde stukken valt op te maken; zie onder 2.9.3;

d. [eiseres] al geruime tijd voor Fair Play werkzaam was; zie rov. 5.2 van het bestreden vonnis.

3.10.2 De enkele omstandigheid dat een werkgever rekening moet houden met het niet steeds betrachten van de wenselijke voorzichtigheid door de werknemer(3), brengt m.i. niet mee dat gewaarschuwd moet worden voor gevaren die van algemene bekendheid zijn. Niet ondenkbaar is dat, zelfs in zo'n situatie, (enig) toezicht op veilig werken geboden is; hetgeen [eiseres] in feitelijke aanleg - en al helemaal in cassatie - daarover heeft aangevoerd, noopte de Rechtbank niet daarop in te gaan.

3.11 Door deze zaak terug te brengen tot de onder 3.9 genoemde vraag, is m.i. de principiële angel uit deze zaak getrokken.

4. Bespreking van het middel

4.1 Het - uit vier onderdelen opgebouwde - middel strekt ten betoge dat de Rechtbank uit het oog heeft verloren dat hier sprake was van een nieuw (althans geslepen) mes. Daarom/daarvoor had Fair Play moeten waarschuwen.

Hypothetische feitelijke grondslag

4.2 Zie ik het goed dan nemen de verschillende onderdelen tot uitgangspunt dat [eiseres] er niet van op de hoogte was dat zij werkte met een nieuw mes. Dát dit het geval was, is tussen partijen in geschil; zie voor de betwisting van Fair Play onder 2.5 onder a en 2.8. Waar de Rechtbank niet heeft vastgesteld of de door [eiseres] op dit punt betrokken stelling feitelijk juist is, mag in cassatie bij wege van feitelijk hypothetische grondslag worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling.

Juridisch kader

4.3 Het juridisch kader in deze zaak wordt gevormd door het op 1 april 1997 in werking getreden art. 7:658 BW. Deze bepaling, die in de plaats is gekomen van art. 7A:1638x (oud) BW, heeft ingevolge art. 68a Ow onmiddellijke werking en is daarom ook van toepassing op arbeidsongevallen die zich vóór die datum hebben voorgedaan.(4)

4.4 Van belang is hier het bepaalde in het eerste en tweede lid van art. 7:658 BW. Ingevolge lid 1 rust op de werkgever de verplichting om de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten zodaning in te richten en te onderhouden als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Hij is mede gehouden te dien einde passende maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken. Lid 2 bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont (i) dat hij de in lid 1 bedoelde verplichtingen is nagekomen of (ii) dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

4.5 In deze zaak gaat het om de vraag of Fair Play heeft voldaan aan alle ingevolge art. 7:658 lid 1 BW op haar rustende verplichtingen dit specifieke ongeval te voorkomen.

4.6 De verplichting van art. 7:658 lid 1 BW, waarmee de wetgever ondanks de afwijkende redactie geen materiële wijziging ten opzichte van art. 7A:1638x (oud) heeft beoogd, betreft een zorgplicht, niet een absolute waarborg voor de werknemer. Zij vindt haar grens in hetgeen "redelijkerwijs nodig" is. Dat neemt echter niet weg dat de lat voor de werkgever hoog ligt: de werkgever dient een zeer hoge mate van zorg te betrachten.(5) Dit reikt verder dan het enkele naleven van wettelijke veiligheidsvoorschriften.(6)

4.7 Wat de zorgplicht in een concrete situatie meebrengt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.(7) Relevante omstandigheden zijn daarbij onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten oplet-tendheid van de werknemer en de bezwaarlijkheid van het treffen van maatregelen.(8)

4.8 De Rechtbank noemt in rov. 5.2 een aantal omstandigheden die in haar ogen relevant zijn. Daarop volgt het oordeel dat Fair Play "onder deze omstandigheden" niet behoefde te waarschuwen voor een nieuw broodmes. Voorzover het middel bedoelt te betogen dat de Rechtbank niet op de stelling dat sprake was van een nieuw mes heeft geantwoord, mist het feitelijke grondslag.

4.9 Het komt mij voor dat de meeste door de Rechtbank genoemde omstandigheden zo al enig, dan toch zeer weinig gewicht in de schaal leggen ter beantwoording van de vraag of waarschuwing voor een nieuw mes geboden was.(9) Het middel behelst daarover evenwel geen klachten. Hetgeen de s.t. van mr Grabandt onder 8 daarover opmerkt, mist daarom belang.

4.10 In feite poneert de Rechtbank weinig anders dan een apodictische stelling. Daartegen behoeft geen bezwaar te bestaan wanneer de juistheid van het oordeel zich opdringt. Dat is evenwel niet zonder meer het geval.

4.11 De vraag of waarschuwing aangewezen was, valt of staat m.i. met die of 1) [eiseres] op de hoogte was met de aanwezigheid van het nieuwe mes, 2) of dit in relevante mate gevaarlijker was dan het vervangen mes en 3) of er verschillende messen waren met uiteenlopende scherpte. Als gezegd moet er, veronderstellenderwijs, van worden uitgegaan dat [eiseres] niet op de hoogte was van het nieuwe mes 1). Over 3) is niets aangevoerd; het moet thans (en na een eventuele verwijzing) blijven rusten.

4.12.1 [Eiseres] heeft steeds gesteld dat het nieuwe mes wezenlijk scherper was dan het eerdere (vgl. 4.11 onder 2). Bij die stand van zaken had de Rechtbank zich moeten verdiepen in de mate van de kans op ongelukken en de eventuele ernst van het letsel bij verwezenlijking van die kans als gevolg van het nieuwe mes.(10) Zij heeft een dergelijk onderzoek achterwege gelaten. In het middel (vooral in onderdeel b) ligt een daarop gerichte klacht besloten.(11) Deze slaagt.

4.12.2 De verwijzingsrechter zal in dit verband ook aandacht moeten schenken aan de door onderdeel c genoemde omstandigheid. Daarbij verdient vermelding dat het mij niet nodig lijkt dat de werkgever de werknemer de gevaren van een nieuw scherp mes inscherpt, zoals het onderdeel mogelijk wil zeggen. Die diende [eiseres] immers zelf te kennen; zie onder 3.10.

4.13 Volledigheidshalve zij nog vermeld dat [eiseres] er in feitelijke aanleg een en andermaal op heeft gewezen dat niet alleen zij, maar ook twee andere werknemers zich aan het litigieuze mes hebben gesneden. Deze omstandigheid is van belang.(12) Het middel behelst evenwel geen klacht dat de Rechtbank aan die kwestie geen aandacht heeft geschonken.(13) Na verwijzing kan deze omstandigheid daarom niet meer aan de orde komen.

Conclusie

Deze strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing naar het Hof 's-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De geciteerde passage kan inderdaad zo worden gelezen; dwingend is deze lezing zeker niet. Zie voorts mva onder 2.

2 Zie nader bijv. S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (2000) blz. 32/33.

3 Onder meer HR 14 april 1978, NJ 1979, 245; HR 22 maart 1991, NJ 1991, 420 rov. 3.2 en HR 18 september 1998, NJ 1999, 45 rov. 3.3.

4 HR 10 december 1999, NJ 2000, 211 PAS rov. 3.4; HR 15 december 2000, NJ 2001, 252 PAS rov. 3.3. en HR 9 december 2001, RvdW 2001, 176 rov. 3.3.

5 S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, 2000, blz. 29 , Chr. H. van Dijk, Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade 2002 blz. 4, 8 en A.T. Bolt, preadv. NJV 1996 blz. 91 e.v.. D. Christe, Arbeidsrecht, aant. 3 op art. 7:658 meent dat uit de jurisprudentie per saldo het beeld naar voren komt dat de veiligheidsver-plichting zo ver strekt dat de werknemer bij de redelijke uitvoering van zijn werkzaamheden geen schade kan lijden.

6 A.T. Bolt, preadv. NJV 1996 blz. 89 en 95; Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 1999, blz. 154-155.

7 Bolt, a.w. blz. 93.

8 Lindenbergh, a.w. blz. 33 - 40.

9 Mr Castermans ziet dat anders; s.t. m.b.t. onderdeel a. Doch zijn standpunt wordt niet toegelicht.

10 Vgl. HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 663 rov. 3.5.2.

11 De s.t. zoekt de kern van de klachten elders; zie onder 8.

12 Vgl. HR 9 november 2001, NJ 2002, 80 rov. 4.2.

13 Vgl. S.t. mr Castermans blz. 5.