Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4040

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R01/122HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4040
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 405
JWB 2002/272
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R01/122

Parket 24 mei 2002

Conclusie mr J. Spier inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door het Hof Arnhem in rov. 3.1-3.2 en 3.4-3.5 van zijn in cassatie bestreden beschikking.

1.2 Partijen zijn op 31 januari 1964 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van de Rechtbank te Almelo van 28 december 1988 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis is op 16 januari 1989 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.3 Bij voormeld vonnis is bepaald dat de man als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van het vonnis een bedrag van f. 1.500,-- per maand zal voldoen. Deze bijdrage is bij beschikking van de Rechtbank Almelo van 26 februari 1997 gewijzigd in een bedrag van f. 1.135,-- per maand met ingang van 20 november 1996. Bij beschikking van het Hof Arnhem van 16 september 1997 is laatstgenoemde beschikking vernietigd en is de bijdrage vastgesteld op f. 1.500,-- per maand met ingang van 20 november 1996 met uitsluiting van de wettelijke indexering voor het jaar 1997.

1.4 De man is hertrouwd met [betrokkene 1] (hierna: de partner van de man). Uit dit huwelijk is op 26 oktober 1990 geboren [het kind]. De man ontvangt een BWOO-uitkering. Deze uitkering bedroeg volgens de specificatie over de maand mei 2001

f. 6.417,62 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag. De lasten van de man bedragen per maand:

- f. 1.230,42 aan huur tot 1 juli 2001; met ingang van die datum bedraagt de huur f. 1.267,84;

- f. 366,-- premie levensverzekering;

- f. 234,22 premie ziektekostenverzekering;

- f. 57,-- premie aanvullende ziektekostenverzekering.

1.5 De vrouw is alleenstaand. Zij ontvangt sinds april 2000 een AOW-uitkering van f. 1.575,59 bruto/f. 1.435,48 netto per maand en een uitkering van PGGM van f. 1.276,83/f. 1.093,35 netto per maand. Daarnaast ontvangt zij tot 10 april 2005 een onbelaste uitkering van Nationale Nederlanden van f. 1.207,-- per jaar. De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- f. 844,89 huur;

- f. 76,85 premie Amicon, waarvan f. 30,-- nominale premie;

- f. 15,77 premie begrafenisverzekering.

2. Procesverloop

2.1 Bij verzoekschrift van 10 augustus 2000 heeft de man de Rechtbank te Almelo verzocht de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud op nihil te stellen dan wel te verlagen.

2.2 Hij heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden dat de beschikking niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet (onder 2), nu - voor zover in cassatie nog van belang(1) - (i) de inkomsten van zijn partner zijn gedaald tot nihil en (ii) zijn maandelijkse woonlasten zijn gestegen tot f 1.204,14(2). De man maakt voorts nog melding van de navolgende lasten: (a) rente en aflossing schulden, zijnde maandelijks een bedrag van f.1.295,64, en (b) premie levensverzekering, zijnde maandelijks een bedrag van f. 366,--(3) en (c) ziektekostenverzekering f. 234.22 en f. 57(4). Daarnaast vermeldt hij dat hij een eigen risico heeft van f. 2000,--, welk bedrag in 1999 'volledig is voldaan' (onder 3). Er zou bij de man sprake zijn van een 'negatieve draagkracht' (onder 4).

2.3.1 Naar de mening van de vrouw snijden de argumenten van de man geen hout. De man zou onnodig aanzienlijk duurder zijn gaan wonen. De gestegen woonlasten en de rente en aflossing van de - volgens de vrouw niet geadstrueerde - schulden behoren, aldus de vrouw, voor rekening van de man te blijven. Ditzelfde zou moeten gelden voor de - overigens door de vrouw ernstig betwijfelde - beweerde inkomstendaling van de nieuwe partner van de man. Laatstgenoemde moet namelijk, aldus de vrouw, in staat worden geacht tot het leveren van een substantiële bijdrage aan het gezinsinkomen (verweerschrift onder 3). De vrouw stelt voorts dat in haar inkomenssituatie sinds de beslissing van het Hof van 16 september 1997 geen relevante wijziging is opgetreden (onder 7). De man heeft dit laatste betwist (fax mr Oude Breuil van 8 november 2000).

2.3.2 De vrouw heeft voorts betoogd dat de man, die in het onderwijs werkzaam was geweest, 'naar alle waarschijnlijkheid' een zeer gunstig aanbod tot herintreding heeft ontvangen (onder 4). Bij brief van de advocaat van de vrouw van 1 december 2000(5) is een brief overgelegd van de BVE-raad van 17 augustus 2000. In de BVE-brief is te lezen dat sprake is van een groot personeelstekort in het onderwijs. Iedere wachtgelder vanaf 45 jaar heeft daarom de mogelijkheid terug te keren in het onderwijs. Om de terugkeer "te vergemakkelijken" wordt een aantal financiële maatregelen genoemd.

2.3.3 De man heeft hiertegen ingebracht dat het, gezien zijn leeftijd (destijds 61 jaar), zijn hernia en zijn achterstand op het vakgebied, geen houdbaar standpunt is dat hij moet gaan werken (p.-v. mondelinge behandeling door de Rechtbank van 8 november 2000 blz. 1).

2.4.1 De man heeft een verklaring overgelegd 'van de huisarts met betrekking tot [betrokkene 1]' van 1 november 2000 (bijlage bij fax mr Oude Breuil van 8 november 2000), waarin wordt verklaard:

"In verband met veel klachten zowel lichamelijk als geestelijk heel [onleesbaar] consumptie en niet in staat tot verrichten arbeid".

Na "hr./mevr./kind:" is vermeld: [betrokkene 1] (of iets dergelijks).

2.4.2 Bij brief van 21 november 2000 dan wel - het is niet geheel duidelijk - de fax van 24 november 2000(6) heeft mr Oude Breuil nog een verklaring van huisarts [betrokkene 2] overgelegd. In die verklaring - waarvan het onderwerp [betrokkene 1] (verder onleesbaar) is - staat dat:

"gedurende meerdere jaren en met name het laatste 1/2 (of 1 1/2, dat is niet goed leesbaar, JS) jaar er sprake is geweest van vele en frekwente gezondheidsklachten. Welke ondanks intensieve bemoeienis van o.a. specialisten telkenmale recidiveren. Een blijvende oplossing valt op korte termijn niet te verwachten.

Het verrichten van werkzaamheden buitenshuis bij deze stressgevoelige vrouw is mijns inziens dan ook niet aangewezen."(7)

2.5 In de onder 2.4.1 genoemde fax heeft de man de Rechtbank verzocht tevens te bepalen dat het door de man sinds de datum der indiening van het verzoekschrift (teveel) aan de vrouw betaalde door haar moet worden terugbetaald.

2.6 Met betrekking tot de verhuizingen heeft de advocaat van de man gesteld dat de man is verhuisd naar [woonplaats], naar [plaats A] en later - '[i]n [plaats A] was het niet prettig'- weer terug naar (dezelfde straat in) [woonplaats]. De leningen zijn,

aldus de man, aangegaan vanwege de vele verhuizingen (p.-v. van 8 november 2000 blz. 1). De man wijst erop dat het (op dat moment niet mogelijk, maar wel) nodig is een jus-vergelijking te maken. De man verzoekt om, indien hij wel alimentatie zal moeten betalen, de wettelijke indexering voor 2001 uit te sluiten (blz. 2).

2.7 De vrouw wijst erop dat zij geen bewijs heeft gezien van de noodzaak van een krediet van f. 34.000,-- voor het verhuizen (blz. 2).

2.8 Bij brief van 21 november 2000 wijst de man er nog op dat de vrouw op geen enkele wijze aantoont dat zij nog behoefte heeft aan een bijdrage van de man. Hij wijst erop dat de vrouw sinds april 2000 een AOW-uitkering ontvangt 'en voorts een aanvullende pensioenuitkering' en dat op haar een ander - blijkbaar gunstiger - fiscaal tarief van toepassing is (blz. 1).

2.9 Bij beschikking van 24 januari 2001 heeft de Rechtbank Almelo de beschikking van het Hof te Arnhem van 16 september 1997 gewijzigd en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud met ingang van 14 augustus 2000 bepaald op f. 680,--. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.10 De Rechtbank overwoog daartoe dat de partner van de man geen inkomsten meer heeft, hetgeen meebrengt dat sprake was van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw mogelijk maakt (rov. 4.1).

2.11 Vervolgens overwoog de Rechtbank - voorzover in cassatie nog van belang - dat niet was gebleken dat de behoeftigheid van de vrouw was afgenomen (rov. 4.2). De Rechtbank oordeelde dat, gezien zijn leeftijd (62 jaar) en zijn medische klachten, noch van de man, noch ook, gezien haar medische klachten, van zijn partner kon worden verwacht dat zij "serieuze pogingen" deden om hogere respectievelijk nieuwe inkomsten te verkrijgen uit arbeid (rov. 4.3).

2.12 De Rechtbank heeft de gestegen woonlasten bij de berekening van de alimentatie, gezien het inkomen van de man en het feit dat het inkomen van zijn partner tot nihil was gedaald, in aanmerking genomen tot een bedrag van f. 1.100,--. Het door de man opgevoerde bedrag aan rente en aflossing heeft de Rechtbank bij de berekening van de alimentatie buiten beschouwing gelaten op de grond dat de man op geen enkele wijze had aangegeven waarvoor hij de schulden was aangegaan, zodat de Rechtbank zich ook geen oordeel kon vormen omtrent de noodzaak daarvan (rov. 4.4).

2.13 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zij verzoekt de Rechtbank primair te bepalen dat de man is gehouden alsnog te voldoen aan zijn betalingsverplichting conform de beschikking van het Hof van 16 september 1997, subsidiair te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage wordt vastgesteld op f. 1.500,-- per maand met ingang van 10 augustus 2000.

2.14 De vrouw komt op tegen het oordeel dat de partner van de man geen inkomsten als lampenkappennaaister meer verwerft. Subsidiair stelt de vrouw te dien aanzien dat 'noch medische noch andere gronden' zijn aangevoerd voor het door de partner van de man anders dan uit vrije wil staken van haar werkzaamheden, waarbij de vrouw herhaalt van mening te zijn dat de stelling van de man ten deze in strijd met de waarheid is (beroepschrift onder 4). Ook wijst de vrouw erop dat de verklaring van de huisarts betrekking heeft op het buitenshuis verrichten van werkzaamheden (onder 6). De vrouw bestrijdt voorts het oordeel van de Rechtbank dat van de man niet kan worden verwacht dat hij pogingen doet om hogere inkomsten uit arbeid te verwerven (onder 5). De vrouw stelt dat de man ten tijde van het hoger beroep en ook medio 2000 een aanzienlijk hoger inkomen had dan in de periode waarop de beslissing van het Hof van 16 september 1997 betrekking had, zodat ook ingeval de partner van de man 'terecht' geen inkomsten meer geniet, de man per saldo geen lager inkomen heeft (onder 7).

2.15 De man heeft ten aanzien van zijn hogere huurlasten in appèl nog gesteld dat deze ten onrechte door de Rechtbank in de berekening niet volledig zijn meegenomen (verweerschrift onder 7). Voorts heeft hij gesteld dat, voorzover het Hof mocht oordelen dat zijn draagkracht groter is dan door de Rechtbank is aangenomen, er een draagkrachtvergelijking dient te worden gemaakt op de grond dat de vrouw naast de door haar ontvangen alimentatie ook nog inkomsten uit AOW en pensioen geniet. Hiertoe zou de vrouw actuele gegevens met betrekking tot haar financiële situatie moeten overleggen (onder 8).

2.16 De man heeft het Hof verzocht 'primair (...) de beschikking van de Rechtbank d.d. 24 januari 2001 te bekrachtigen, dan wel een lagere door hem maandelijks te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen (...) en subsidiair om de vrouw te gelasten haar actuele financiële situatie inzichtelijk te maken opdat een draagkrachtvergelijking kan worden gemaakt (...)'.

2.17 Er is (ik neem aan door de man) nog een derde verklaring van huisarts [betrokkene 2] van 23 juli 2001 overgelegd nopens de gezondheidstoestand van de partner van de man.(8) Daarin staat:

"Met betrekking tot de gezondheidstoestand van bovengenoemde (lees:) patiënte, gedurende 11 jaren bij mij als (lees:) patiënt bekend, kan ik u het volgende mededelen.

Gedurende deze jaren was er een frekwent spreekuurcontact, waarbij meerdere malen ook specialistische interventie noodzakelijk was.

De aard van deze klachten was dusdanig dat mijns inziens het verrichten van arbeid buitenshuis niet bevorderlijk is voor haar gezondheidstoestand."

2.18 Mr Oude Breuil heeft bij de mondelinge behandeling ten Hove op 24 juli 2001 verklaard:

a. de medische situatie van de partner van de man is niet veranderd. "Het gaat hierbij om werkzaamheden buitenshuis, dus anders dan huishoudelijk werk" (p.v. blz. 2);

b. het inkomen van 's mans partner is vervallen (idem);

c. dat de partner van de man haar werkzaamheden thuis op zolder verrichtte (p.-v. blz. 3).

2.19 De man heeft verklaard:

"Toen ik 62 jaar was kreeg ik een nieuwe brief. Als ik toen was gaan werken, zou de inkomensgarantie van f. 3.200,- komen te vervallen en zou daarvoor in de plaats komen het salaris dat ik dan zou verdienen. (...)".

2.20 Het Hof te Arnhem heeft in zijn beschikking van 14 augustus 2001 de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man afgewezen. Het overweegt daartoe in de eerste plaats dat:

"de man niet voldoende heeft toegelicht en daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn partner niet langer meer in staat is met haar werkzaamheden als lampenkappenmaakster f. 5.000,- per jaar te verdienen. De in appèl overgelegde verklaring van de huisarts van [betrokkene 1] sluit immers niet uit dat dergelijke binnenshuis te verrichten werkzaamheden door die partner van de man kunnen worden verricht, en, anderszins is evenmin aannemelijk gemaakt dat en waarom die partner wordt gehinderd bij die werkzaamheden. Daarnaast heeft de man naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat door gebruik te maken van de herintredingsmogelijkheid (...) zijn inkomensgarantie zou komen te vervallen en dat hij in die situatie minder zou verdienen dan de uitkering die hij thans ontvangt. Daarmee heeft de man, hoewel dat op zijn weg lag, de stelling van de vrouw dat hij bij herintreden meer inkomen kan verwerven onvoldoende weerlegd." (rov. 4.2)

2.21 Het Hof is van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de inkomenssituatie van hem en zijn echtgenote een wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van het Hof van 16 september 1997 (rov. 4.3).

2.22 Met betrekking tot de woonlasten overweegt het Hof dan:

"De woonlasten van de man zijn tengevolge van een (aantal) verhuizing(en) gewijzigd ten opzichte van zijn woonlasten zoals genoemd in de genoemde beschikking van dit hof. Naar het oordeel van het hof heeft de man desgevraagd de noodzaak van deze verhuizingen niet aangetoond zodat het hof met wijziging van woonlasten geen rekening houdt" (rov. 4.4).

2.23 Op grond van deze feiten en omstandigheden en van hetgeen het Hof daaromtrent heeft overwogen, komt het dan tot de slotsom dat zich geen relevante wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de te betalen bijdrage rechtvaardigt (rov. 4.5).

2.24 Met betrekking tot de door de man verzochte draagkrachtvergelijking overweegt het Hof tenslotte:

"Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is een vergelijking van de draagkracht van partijen niet aan de orde en ook niet mogelijk nu de man, zoals hiervoor overwogen, onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn eigen financiële omstandigheden dan wel mogelijkheden" (rov. 4.6).

2.25 De man heeft tegen deze beschikking tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft zich in zijn beroepschrift 'uitdrukkelijk het recht (...) voorbehouden tot aanvulling of verbetering' daarvan indien kennisneming van het ten tijde van het verstrijken van de cassatietermijn naar zijn zeggen nog niet beschikbare proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 24 juli 2001 daartoe zou nopen.(9)

2.26 De man heeft op 20 december 2001 een aanvullend verzoekschrift tot cassatie ingediend. Door de vrouw is gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.27 De cassatieadvocaat van de man stelt het p.-v. op 30 november 2001 te hebben ontvangen (aanvullend verzoekschrift onder 2). M.i. kan het indienen van een aanvullend verzoekschrift niet meer drie weken na ontvangst plaatsvinden.(10) Aan dit schriftuur besteed ik daarom geen aandacht.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Ingevolge art. 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien, door wijziging van omstandigheden, ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat van zodanige wijziging van omstandigheden geen sprake is. Aldus oordelend heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast (rov. 4.5).(11)

3.3 De vraag of van zodanige wijziging sprake is, is voorbehouden aan de feitenrechter. Deze is vrij in zijn waardering van de omstandigheden waaraan hij betekenis wil toekennen.(12)

3.4 Tegen deze achtergrond bezien, zijn de kansen om 's Hofs beslissing met succes in cassatie aan te tasten gering.

3.5 Ik kom dan op de klachten. Deze voldoen geen van alle aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.(13) Weliswaar wordt het Hof verweten niet of onvoldoende op bepaalde stellingen te hebben geantwoord, maar niet wordt onthuld waar deze stellingen in feitelijke aanleg zouden zijn betrokken. Ten overvloede bespreek ik kort de afzonderlijke klachten, waarbij opmerking verdient dat hetgeen onder 1 - 3 is vermeld een inleiding is.

3.6 De onderdelen 3.1 - 3.3 zien eraan voorbij dat, volgens de advocaat van de man, 's mans inkomen ongewijzigd was; zie hierboven voetnoot 1. Bij die stand van zaken missen de klachten belang. 's Hofs oordeel is hoe dan ook juist, wat er ook zij van de redengeving.

3.7 Onderdeel 3.4 miskent 's Hofs motivering (buitenshuis) en loopt daarop stuk. Het ziet er bovendien aan voorbij dat 1) de verklaring van de huisarts [betrokkene 2] expliciet slechts spreekt over "buitenshuis"; zie onder 2.17, terwijl 2) 's mans advocaat ter zitting van het Hof heeft verklaard dat de partner van de man de werkzaamheden "thuis op zolder" verrichtte (zie onder 2.18 c).

3.8 Onderdeel 3.5 poneert weliswaar de stelling dat de man de noodzaak van verhuizen heeft aangetoond, maar laat na te vermelden hoe dat zou zijn gebeurd en waarom het Hof dat zou hebben miskend. Het voldoet daarmee niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

3.9 Onderdeel 3.6 mist belang. Wat er zij van de daarin betrokken stelling, het ziet er aan voorbij dat, naar 's Hofs oordeel, geen sprake is van een (relevante) wijziging van omstandigheden. Voor een wijziging van de alimentatie bestond dan ook geen reden.

3.10 Voorzover onderdeel 3.7 al begrijpelijk is, bouwt het voort op de voorafgaande onderdelen. Het is daarmee gedoemd hun lot te delen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De man stelt onder meer nog dat hij een wachtgelduitkering ontvangt ten bedrage van netto f. 3.921,29 per maand. De advocaat van de man heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep doen weten dat het inkomen van de man gelijk is gebleven en dat het erom gaat dat het inkomen van zijn partner is komen te vervallen (p.-v., blz. 2).

2 Rekening was gehouden met een bedrag van f. 957,--, beschikking Hof te Arnhem van 16 september 1997, blz. 3, prod. 1 bij inl. verzoekschrift.

3 Rekening was gehouden met een bedrag van f. 200,-- t.b.v. zijn echtgenote en f. 50,-- t.b.v. zijn dochter, beschikking Hof te Arnhem van 16 september 1997, blz. 3.

4 Rekening was gehouden met een bedrag van f. 414,--, beschikking Hof te Arnhem van 16 september 1997, blz. 3.

5 Een van de producties van de vrouw in het B-dossier, gehecht aan (maar geen deeluitmakend van) het verweerschrift; in het A-dossier ontbreekt dit stuk.

6 De (begeleidende) fax ontbreekt in het A-dossier.

7 Helaas ontstaan door problemen in het nieuwe computersysteem telkens weer wijzigingen in de tekst. Daarom heb ik deze en andere onvolkomenheden in de opmaak - met tegenzin - voor lief genomen.

8 De verklaring ontbreekt in het B-dossier.

9 Dat het onder bijzondere omstandigheden mogelijk is in een beroepschrift een voorbehoud te maken inhoudende dat de gronden van het beroep nader worden geformuleerd, blijkt uit Hoge Raad 31 augustus 1981, NJ 1981, 615.

10 Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (1989) zegt over de mogelijkheid onder bijzondere omstandigheden na het verstrijken van de cassatietermijn (nieuwe) bezwaren tegen de bestreden beslissing aan te voeren: "Het lijkt veilig daarbij een termijn van veertien dagen niet te overschrijden" nr 135, blz. 255 noot 7.

11 Vgl. HR 5 november 1999, NJ 2000, 22 rov. 2.3 en de daaraan voorafgaande conclusie van plv. P-G Mok onder 2.7.

12 HR 27 maart 1998, NJ 1998, 551 rov. 3.4 en de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer, met name noot 4; zie voorts, ook voor verdere gegevens, Personen- en familierecht Artikel 401 (Wortmann) aant. 4a en 8.

13 HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82.