Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4039

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R01/136HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2001:AP1810
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4039
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-07-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 407
JWB 2002/271

Conclusie

Rek.nr. R01/136HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 31 mei 2002

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze procedure, waarin de man wijziging verzoekt van de hem opgelegde alimentatie ten behoeve van zijn gewezen echtgenote, gaat het om de vraag in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud, alsmede om de vraag of de door de man verzochte limitering in de tijd van zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw voor toewijzing in aanmerking komt.

2. Partijen zijn op 19 december 1975 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 4 maart 1998 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de Rechtbank te Utrecht van 24 december 1997 in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Bij de echtscheidingsbeschikking is de vrouw belast met het ouderlijk gezag over de twee jongste (toen nog minderjarige) kinderen.

3. Bij de echtscheidingsbeschikking is de uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw bepaald op f 1.400,- per maand. De alimentatie voor de twee jongste kinderen werd vastgesteld op f 300,- per kind per maand. De onderhavige procedure betreft uitsluitend de alimentatie voor de vrouw; voor de kinderen, die inmiddels financieel op eigen benen staan, betaalt de man geen alimentatie meer.

4. De man heeft op 4 juli 2000 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht een verzoekschrift ingediend waarbij hij de Rechtbank verzocht de beschikking van 24 december 1997 te wijzigen in dier voege dat de alimentatie van de vrouw op nihil wordt gesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage omdat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien door haar werkzaamheden uit te breiden.

5. De vrouw heeft het verzoek weersproken. Zij heeft aangevoerd dat zij sinds 1975 door de rolverdeling binnen het huwelijk geen betaalde arbeid meer had verricht, maar dat zij inmiddels een baan heeft voor 14 uur in de week als assistent-verzorgster in een bejaardentehuis. De vrouw heeft naar voren gebracht dat zij haar werkzaamheden niet kan uitbreiden omdat het werk voor haar dan te zwaar is. De vrouw heeft van haar kant een zelfstandig tegenverzoek ingediend dat ertoe strekt dat de bijdrage in haar levensonderhoud wordt vastgesteld op f 2.500,- per maand met ingang van 15 augustus 2000.

6. Bij beschikking van 13 december 2000 heeft de Rechtbank de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde alimentatie ten behoeve van de vrouw gewijzigd en bepaald op f 2.000,- per maand met ingang van 16 augustus 2000. Daartoe heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat de vrouw nog steeds een rechtens relevante behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Gelet op de welstand tijdens het huwelijk heeft de Rechtbank deze behoefte bepaald op f 40.000,- bruto per jaar. Waar het inkomen van de vrouw gemiddeld ongeveer f 1.250,- netto per maand bedraagt, heeft de Rechtbank de behoefte van de vrouw aan alimentatie vastgesteld op f 2.000,- bruto per maand.

7. De man is van de beschikking van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Na wijziging van zijn verzoek ter terechtzitting van het Hof heeft hij verzocht primair de beschikking waarvan beroep te vernietigen en te bepalen dat geen alimentatie verschuldigd is, zo nodig onder wijziging van de echtscheidingsbeschikking met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2000, en subsidiair alimentatiebeperking in de tijd. De man heeft opnieuw aangevoerd dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage omdat zij geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien door meer werkzaamheden te verrichten dan zij thans doet. Hij heeft bestreden dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er bij haar sprake is van arbeidsbeperkingen in medische zin. Ook heeft de man zich beklaagd over de berekening door de Rechtbank van de behoefte van de vrouw en de hoogte van de alimentatie.

8. De vrouw heeft het beroepschrift van de man weersproken. Op 27 augustus 2001 is de zaak ter terechtzitting van het Hof behandeld.

9. Bij beschikking van 18 oktober 2001 heeft het Hof het beroep van de man verworpen en de bestreden beschikking bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof als volgt overwogen. De draagkracht van de man staat niet ter discussie. Hetgeen de vrouw, ondersteund door schriftelijke verklaringen van het afdelingshoofd van haar werkgever en van haar huisarts, heeft gesteld omtrent haar gezondheidstoestand is door de man onvoldoende weersproken. Het is voldoende aannemelijk geworden dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij haar huidige dienstverband uitbreidt. Gelet op het opleidingsniveau van de vrouw en haar rugklachten, alsmede het feit dat zij gedurende lange tijd niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, is aannemelijk geworden dat niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij andere werkzaamheden zal gaan verrichten dan zij thans doet. Mede in aanmerking genomen het welstandsniveau van partijen ten tijde van het huwelijk, heeft de vrouw een rechtens relevante behoefte aan de uitkering tot haar levensonderhoud zoals bepaald bij de beschikking waarvan beroep. Het door de Rechtbank bepaalde bedrag van f 2.000,- per maand is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Voorts heeft het Hof het subsidiaire verzoek van de man om de alimentatie te beperken in tijd afgewezen, zulks op grond van de overweging dat de man dit verzoek, dat hij voor het eerst in hoger beroep ter terechtzitting heeft gedaan, niet heeft onderbouwd.

10. De man is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

11. Het eerste middel (cassatierekest onder 3.1) richt zich met motiveringsklachten tegen 's Hofs afwijzing van het verzoek van de man om de alimentatie te limiteren in tijd. Zie ik het goed, dan klaagt het middel in de eerste plaats dat onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat de man dit verzoek voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan, nu in het beroepschrift in het kader van grief I is verzocht "om de behoefte in tijd te laten verlopen in een glijdende schaal naar beneden". Volgens het middel hield grief I derhalve een verzoek tot limitering in tijd in. Voorts acht het middel onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat het verzoek tot limitering niet is onderbouwd. Het middel wijst erop dat de man in het kader van grief I heeft verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

12. De laatstbedoelde klacht faalt. De verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet aangemerkt als een onderbouwing van het verzoek tot limitering. Wat er van die uitspraak ook zij, voor een onderbouwing van het verzoek had de man partijen betreffende feiten en omstandigheden behoren te stellen. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de man zodanige feiten en omstandigheden niet heeft aangevoerd. Het middel noemt ook geen vindplaatsen. Daarmee is tevens het lot van de eerstbedoelde klacht bezegeld: de klacht faalt reeds wegens gebrek aan belang, aangezien het - tevergeefs bestreden - oordeel van het Hof dat het verzoek tot limitering door de man niet is onderbouwd de beslissing tot afwijzing zelfstandig kan dragen.

13. Het tweede middel (cassatierekest onder 3.2) klaagt dat het Hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de stelling van de man dat de vrouw haar werkweek zou kunnen uitbreiden tot ten minste 26,6 uur en dat de man heeft verzocht om een verslag van een terzake kundige arts/specialist en van een arbeidsdeskundige. Het middel bestrijdt de relevantie van de overgelegde verklaringen van het afdelingshoofd en de huisarts. Voorts bestrijdt het middel 's Hofs oordeel dat de man onvoldoende gemotiveerd de stellingen van de vrouw heeft weersproken. Het middel wijst erop dat de man dit wèl heeft gedaan in zijn bij de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde toelichting.

14. Het is juist dat de man in zijn bij de mondelinge behandeling overgelegde toelichting is ingegaan op de verklaringen van het afdelingshoofd en de huisarts. Zijn stellingen komen op het volgende neer: (a) de man blijft in het ongewisse waarom een vervolgopleiding te veel van de vrouw zou vergen; (b) van de vrouw kan verwacht worden dat zij ander werk zoekt dat psychisch minder belastend is; (c) het is onduidelijk op welke medische redenen de huisarts doelt, terwijl de man niet bekend is met de door de huisarts genoemde zware mishandelingen in de jeugd van de vrouw; (d) een verslag van een terzake kundige arts/specialist en een verslag van een arbeidsdeskundige ontbreken.

15. De stellingen onder (a) en (c) kunnen niet worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van de verklaringen van het afdelingshoofd en de huisarts. De stelling onder (b) is door het Hof besproken. Het Hof heeft immers geoordeeld dat, gelet op het opleidingsniveau van de vrouw en haar rugklachten, alsmede het feit dat zij gedurende lange tijd niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, aannemelijk is geworden dat niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij andere werkzaamheden zal gaan verrichten dan zij thans doet. Mede gelet op de summiere betwisting door de man, had het Hof kennelijk geen behoefte aan een nader verslag van een arts/specialist of arbeidsdeskundige. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat het Hof een deskundige had moeten benoemen, faalt het omdat het aan het beleid van het Hof is overgelaten of het wil overgaan tot het benoemen van een deskundige (zie recent HR 14 december 2001, NJ 2002, 73). Het middel faalt.

16. Het derde middel (cassatierekest onder 3.3) strekt ten betoge dat het onbegrijpelijk is hoe het Hof is gekomen tot zijn vaststelling van de alimentatie op een bedrag van f 2.000,- bruto per maand (hetgeen neerkomt op f 24.000,- per jaar). Het middel voert aan dat het Hof heeft vastgesteld dat het fiscale jaarloon van de vrouw over het jaar 2000 f 20.525,- bedraagt en dat de behoefte van de vrouw f 40.000,- per jaar bedraagt, zodat de man slechts f 19.475,- per jaar zou behoeven bij te dragen. Over het jaar 2001 zou de bijdrage van de man zelfs nog geringer behoren te zijn omdat het eigen inkomen van de vrouw in dat jaar - gelet op de beschikbare gegevens - vermoedelijk uitkomt op f 27.924,-.

17. Bij de beoordeling van het middel heeft als uitgangspunt te gelden dat naar vaste rechtspraak de afweging en waardering van de factoren die de draagkracht en de behoefte bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Voorts geldt dat aan rechterlijke beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden in het algemeen geen hoge motiveringseisen kunnen worden gesteld (zie recent bijv. HR 10 december 1999, NJ 2000, 4; HR 4 september 1998, NJ 1998, 827). De rechter behoeft zijn berekeningen niet in zijn uitspraak op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt (HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313).

18. Dit een en ander in aanmerking genomen, kan het middel niet tot cassatie leiden: het aangevallen oordeel van het Hof berust op een afweging en waardering van de met het oog op de behoefte van de vrouw door partijen naar voren gebrachte financiële omstandigheden van de vrouw en is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het middel er kennelijk aan voorbij ziet dat in het genoemde jaarinkomensten van de vrouw vergoedingen voor overwerk waren inbegrepen. Naar aanleiding van stellingen van de vrouw dat zij niet meer dan 15 uur per week kan werken, heeft het Hof overwogen dat voldoende aannemelijk is dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof in zijn berekening kennelijk en niet onbegrijpelijk geen rekening gehouden met vergoeding voor overwerk.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,