Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE4037

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R02/013HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE4037
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 410
NJ 2002, 541
JWB 2002/268

Conclusie

Rekest nr. R02/013

Mr. J. K. Moltmaker

Echtscheiding

Parket, 31 mei 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar college,

1 Feiten en procesgang

1.1 Verzoekster tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn op 5 december 1968 met elkaar gehuwd.

1.2 De man heeft zich gewend tot de rechtbank te Arnhem en heeft verzocht, voor zover in cassatie nog van belang, echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

1.3 De vrouw heeft betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Tegenover deze betwisting heeft de man gesteld dat de vrouw en hij al twee jaar gescheiden leven en dat hij de samenleving met de vrouw niet wil hervatten. De man heeft bovendien een nieuwe partner met wie hij samenwoont.

1.4 De rechtbank oordeelde dat de duurzame ontwrichting was komen vast te staan en heeft de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 10 mei 2001.

1.5 De vrouw heeft tegen deze beschikking hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof te Arnhem.

1.6 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigd bij beschikking van 4 december 2001. Met betrekking tot de duurzame ontwrichting heeft het hof het volgende overwogen:

"4.3 Gelet op het feit dat partijen al ruim twee jaar gescheiden leven en dat de man de samenleving en de relatie met de vrouw niet wenst te hervatten, neemt het hof als vaststaand aan dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is, zodat de bestreden beschikking in zoverre dient te worden bekrachtigd."

1.7 De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking van het hof. De man heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 De klachten

2.1.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 4.3 van de beschikking van het hof. Daarin heeft het hof overwogen dat het als vaststaand aanneemt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht omdat partijen al twee jaar gescheiden leven en de man de samenleving met de vrouw niet wenst te hervatten.

2.1.2 In nr. 3.6 en 3.7 van het middel wordt geklaagd dat de man zijn verzoek tot echtscheiding niet vergezeld heeft doen gaan van voorstellen tot het regelen van alle gevolgen van de echtscheiding.

2.1.3 In nr. 3.7 en 3.8 van het middel wordt geklaagd dat het hof de mogelijkheden voor verzoening niet heeft onderzocht. Nr. 3.8 bevat bovendien de klacht dat het hof onbesproken heeft gelaten de stelling van de vrouw dat de geloofsovertuiging van partijen in de weg staat aan echtscheiding.

2.1.4 In nr. 3.9 wordt betoogd dat het hof had moeten onderzoeken of de samenleving ondraaglijk is geworden en of geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen bestaat.

2.1.5 Nu bij wet van 31 mei 2001, Stb. 2001, 275, de verplichting tot samenwoning is opgeheven, had het huwelijk van partijen niet ontbonden hoeven worden om aan de wens van de man tot beƫindiging van de samenwoning met de vrouw te voldoen. Daarom had het hof het verzoek van de man moeten afwijzen, aldus ten slotte de klacht in nr. 3.10.

2.2 Beoordeling

2.2.1 De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling van de vraag of een huwelijk duurzaam is ontwricht, komt het vooral aan op de mening van de verzoeker. Als de verzoekende echtgenoot stelt en blijft volhouden dat hij niet met de verwerende echtgenoot kan samenleven, dient dit door de rechter te worden opgevat als een ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting inderdaad bestaat (HR 6 december 1996, NJ 1997, 189). Het oordeel van het hof dat vaststaat dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht nu partijen meer dan twee jaar niet meer samenwonen en de man niet bereid is de samenwoning te hervatten, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en hoefde niet nader gemotiveerd te worden, zie HR 1 februari 1980, NJ 1980, 318.

2.2.2 De in het middel verdedigde opvatting dat een echtgenoot alleen dan echtscheiding kan verzoeken indien hij tegelijkertijd een voorstel doet ter regeling van alle gevolgen van de echtscheiding, vindt geen steun in het recht.

2.2.3 Op de rechter rust niet de plicht actief de mogelijkheden voor verzoening tussen de echtgenoten te onderzoeken. Het hof hoefde niet te responderen op de stelling van de vrouw dat de geloofsovertuiging van beide partijen aan echtscheiding in de weg staat omdat die stelling niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van duurzame ontwrichting. Dat de vrouw de ontwrichting duldt, heft de toestand van ontwrichting niet op (Personen- en familierecht, S. Wortmann, aant. 2 bij art. 1:151 BW).

3 Conclusie

Het cassatiemiddel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G i.b.d.