Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE3548

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
03345/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE3548
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 03345/00

Mr. Fokkens

Zitting 14 mei 2002

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is op 20 maart 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens - kort gezegd - gekwalificeerde diefstal en poging tot gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een in het kader daarvan gestelde bijzondere voorwaarde.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld. Alvorens dit middel te bespreken, vermeld ik dat aanvankelijk een middel was voorgesteld dat betrekking had op het ontbreken van een bladzijde houdende de bewijsmiddelen van het arrest van het Hof dat ter griffie van de Hoge Raad was ingekomen en vervolgens aan de raadsman was gezonden. Nadat de raadsman een volledig exemplaar van het arrest was gezonden, heeft hij het betreffende middel ingetrokken en een middel voorgesteld dat voortvloeit uit het ontbreken van die bladzijde (HR 3 oktober 2000, nr. 1441/00/U).

3. Het middel behelst de klacht dat bij de behandeling van de zaak in cassatie de redelijke termijn is overschreden.

4. Het middel baseert de schending van de redelijke termijn hoofdzakelijk op het tijdverloop tussen het instellen van cassatieberoep en het inkomen van de complete stukken ter griffie van de Hoge Raad, waarbij meer dan acht maanden zijn verstreken.

5. Of in de onderhavige zaak de acht-maanden-termijn is overschreden, kan onbesproken blijven nu het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht op berechting binnen redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in cassatie reeds om de volgende reden is overschreden. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 2 april 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 2 jaar zijn verstreken na het op 24 maart 2000 instellen van cassatieberoep (HR 11 december 2001, NJ 2002, 85 rov. 4.). Of hiernaast de inzendtermijn is overschreden, is vervolgens niet van belang voor de strafvermindering die moet volgen.

6. Overigens is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, met vermindering daarvan en met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.