Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE3546

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
00328/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE3546
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 252
JOL 2002, 442
NJ 2002, 474
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00328/01

Mr Wortel

Zitting: 21 mei 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1), 2) en 4) telkens "verkrachting" en 3) en 5) telkens "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen" veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot het verrichten van tweehonderdveertig uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, in plaats van zes maanden jeugddetentie. Voorts heeft het Hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.M.M.E. Beijnes, advocaat te Utrecht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een door de gerechtelijk deskundige dr H.J.G. Soppe opgesteld rapport, maar niet de bijzondere redenen heeft genoemd waarom het redengevende kracht aan dit rapport heeft toegekend, hetgeen het Hof wel had moeten doen aangezien namens verzoeker is betoogd dat het door dr Soppe uitgevoerde onderzoek vaktechnisch en methodisch onjuist, onvolledig en onbetrouwbaar is.

4. Het rapport van deze deskundige, een psycholoog, heeft betrekking op het door hem ingestelde onderzoek naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen die bij de politie (in zogenaamde 'studioverhoren') zijn afgelegd - en op videoband opgenomen - door de minderjarige getuigen/slachtoffers (hierna aangeduid als 'aangevers'). Tot de bewijsmiddelen behoort de in het rapport opgenomen conclusie, luidende:

"Samengevat kan worden gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in ruime mate voldoen aan de in de vakliteratuur beschreven geloofwaardigheidskenmerken en dat er weinig redenen aanwezig lijken om te veronderstellen dat [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] een motief hadden om verdachte valselijk te beschuldigen."

5. Tamelijk ferme kritiek op het door dr Soppe uitgevoerde onderzoek is te vinden in de pleitaantekeningen die zijn gehecht aan het proces-verbaal van de op 1 november 2000 gehouden terechtzitting in hoger beroep.

Daarbij is enerzijds verwezen naar publicaties van vaktechnische aard, in de pleitaantekeningen aldus samengevat dat er geen zekerheid over bestaat aan welke van negentien tot de zogeheten 'Criteria Based Content Analyses' behorende criteria moet zijn voldaan vooraleer een verklaring authentiek genoemd kan worden; dat er in de wetenschap overeenstemming over zou bestaan dat dit CBCA nog gereed gemaakt moet worden voor forensische toepassing, en deze methode niet bruikbaar is om onware verhalen als zodanig te herkennen.

Anderzijds is gewezen op een rapport dat met betrekking tot de onderhavige zaak is opgesteld door prof. dr A.A. Wagenaar.

6. De in dit, bij de pleitaantekeningen gevoegde, rapport uiteengezette zienswijzen vangen aan met de opmerking:

"Blijkens bijgevoegde concept-publicatie van mijn hand is één van de fundamentele problemen bij expertise over de betrouwbaarheid van aangiftes van sexueel misbruik, dat die neigt zich te concentreren op één kant van de zaak; terwijl de doorgaans gebruikte methode van Criterium Based Content Analysis toch expliciet uitgaat van een symmetrische behandeling van beide kanten. In genoemde publicatie verwijzen wij naar de opvattingen van Dr. Soppe, die daarover heeft gepubliceerd. Het valt mij op dat in de zaak [verdachte] Dr. Soppe geheel anders heeft gehandeld dan hij in zijn vakpublicatie voorschrijft. Het volgende moge ter adstructie van deze opvatting dienen."

7. Vervolgens heeft prof. Wagenaar, samengevat, op het volgende gewezen. Waar het ene verhaal tegenover het andere staat, en geen fysiek bewijs voorhanden is dat steun kan bieden aan de juistheid van slechts één van die verhalen, ligt het voor de hand om ook de (ontkennende) lezing van de verdachte serieus te onderzoeken. Op zijn minst, aldus prof. Wagenaar, zou van de deskundige verwacht moeten worden dat die ook de betrouwbaarheid van de door de verdachte afgelegde verklaringen onderzoekt. Dr. Soppe zou kunnen aanvoeren dat de hem gegeven opdracht daar niet toe strekt, maar zijn professionele opvattingen zouden hem hebben moeten nopen daaromtrent een kanttekening in zijn rapport te maken.

8. Het beschikbare materiaal had volgens prof. Wagenaar voorts aanleiding behoren te geven de betrouwbaarheid van de door de aangevers te toetsen aan de hand van twee tegen over elkaar te stellen hypothesen. Enerzijds de hypothese dat er sexueel misbruik heeft plaatsgevonden als in de aangiften beschreven. Daartegenover de hypothese dat de aangevers hun verhalen verzonnen hebben, "uitgaande van de eerdere, toegegeven feiten".

Uit dit rapport en de pleitaantekeningen maak ik op dat met deze eerdere feiten is gedoeld op, enerzijds, iets dat voorafgaand aan het tenlastegelegde tussen verzoeker en de aangevers is voorgevallen, en anderzijds sexuele spelletjes die de aangevers zelf met een zekere [betrokkene A], een stiefzusje, hebben gespeeld.

Prof. Wagenaar heeft uiteengezet - benadrukkend dat het om niet meer dan een hypothese gaat - dat denkbaar is dat de aangevers, omdat zij op enig moment hebben begrepen dat zij met deze [betrokkene A] te ver waren gegaan, een verklaring of rechtvaardiging voor hun gedrag hebben ontwikkeld door te verzinnen dat zij zelf slachtoffer zijn geweest van door verzoeker gepleegd misbruik.

9. Prof. Wagenaar heeft aangeven welke feitelijkheden betreffende de achtergronden en de inhoud van de door de aangevers afgelegde verklaringen nader onderzoek vergen, opgemerkt dat in die verklaringen misbruik naar voren komt waarin geen enkele ontwikkeling zit, hetgeen niet typerend is voor sexueel misbruik terwijl een "vlakke, weinig dynamische beschrijving van een pedofiele relatie" past bij de hypothese dat het verhaal is verzonnen, en er verder op gewezen dat het hem verbaast dat de aangevers niet aan de tand zijn gevoeld over iets dat met ophalen van visgerei samenhangt. Uit de pleitaantekeningen valt te begrijpen dat wordt gedoeld op een tegenstrijdigheid die een bij de behandeling in hoger beroep door één van de aangevers afgelegde verklaring vertoont ten opzichte van hetgeen hij eerder heeft gezegd.

10. Vervolgens heeft prof. Wagenaar opgemerkt:

"Over het rapport van Dr. Soppe heb ik weinig concrete opmerkingen. Het is bekend dat de validiteit van de CBCS methode in de praktijk laag is; dit betekent dat uitspraken over de waarachtigheid van verklaringen lang niet altijd correct zijn. Het oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van zulke verklaringen moet zeker niet in overwegende mate door een CBCS-analyse worden bepaald.

(..)

Aan de andere kant heeft Dr. Soppe de CBCS-analyse, met al zijn beperkingen, vakbekwaam en nauwgezet uitgevoerd. Het heeft weinig zin om die analyse op hetzelfde materiaal te laten herhalen door een tweede deskundige, omdat de uitkomst daarvan niet anders zou zijn.

Gegeven het feit dat Dr. Soppe juist een evenwichtig en tweezijdig onderzoek voorstaat, zou ik mij kunnen voorstellen dat aan hem wordt gevraagd zijn onderzoek uit te breiden door middel van een psychologisch onderzoek bij beide jongens, waarin een aantal van de hierboven geformuleerde vragen zijn opgenomen. Ik heb er alle vertrouwen in dat Dr. Soppe een dergelijk onderzoek vakbekwaam en met grote objectiviteit zou uitvoeren. Het is natuurlijk ook denkbaar dat deze vragen door een andere deskundige worden beantwoord.

Samenvattend wil ik opmerken dat het deskundigenonderzoek in deze zaak tot dusverre slechts de helft van de problematiek beslaat, waardoor een zeer onevenwichtig beeld kan zijn ontstaan. Dit is des te bezwaarlijker, waar toch de kernen voor een alternatieve hypothese door het gehele dossier verspreid liggen. Het onderzoek zelf is vakbekwaam uitgevoerd, ook al moet in het oog worden gehouden dat de validiteit ten aanzien van de vraag of de verklaring van de jongens op waarheid berust, noodzakelijkerwijs klein is."

11. Er kan nog op worden gewezen dat dr Soppe als deskundige voor de behandeling in hoger beroep is opgeroepen, maar dat van diens verhoor moest worden afgezien wegens een zo ernstige ziekte dat het niet aannemelijk was dat hij nog zou kunnen verschijnen.

12. De steller van het middel meent, verwijzende naar HR NJ 1998, 318, HR NJ 1998, 404 en HR NJ 1995, 451, dat het Hof niet had mogen nalaten een met redenen omklede beslissing te geven op de betwisting van het door dr Soppe opgestelde rapport.

13. In die uitspraken is benadrukt dat het in beginsel aan de rechter die over de feiten moet oordelen is voorbehouden om van het voorhanden materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat daartoe, ook uit een oogpunt van betrouwbaarheid, dienstig voorkomt, zonder dat hij daaromtrent nadere rekenschap behoeft af te leggen. In deze uitspraken is vastgesteld dat, als uitzondering op dit beginsel, onder omstandigheden niettemin een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden verbonden zijn aan de bijzondere aard van de materie en aan hetgeen ter terechtzitting door of namens de verdachte is aangevoerd.

14. Ik meen dat die omstandigheden aldus omschreven moeten worden dat het bewijs zal moeten stoelen op een door een deskundige gegeven waardering van feitelijkheden die zozeer verweven is met bijzondere technische inzichten of vaardigheden dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de rechter de juistheid van die waardering zelfstandig en volledig kan nagaan, terwijl met klem van argumenten is betoogd dat het deskundig oordeel niet kan zijn voortgekomen uit (een verantwoorde toepassing van) de bijzondere deskundigheid waaraan dat oordeel zijn betekenis moet ontlenen.

15. Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat de verdediging de bevindingen van dr Soppe heeft betwist.

De vraag is evenwel of dat betoog voldoende onderbouwd was om nu te kunnen vaststellen dat het uitblijven van een afzonderlijke beslissing op dat verweer een motiveringsgebrek vormt dat tot vernietiging van de betsreden uitspraak moet leiden.

16. De stelling dat de (kennelijk door dr Soppe gehanteerde) CBCA methode van wetenschappelijk zijde kritiek ontmoet wordt geschraagd door prof. Wagenaars opmerking dat bekend is dat de validiteit van de CBCS methode (waarmee gedoeld moet zijn op de CBCA methode) in de praktijk laag is, hetgeen meebrengt dat uitspraken over de waarachtigheid van verklaringen lang niet altijd correct zijn.

Daarmee is echter niet gezegd dat die methode per definitie ongeschikt is om betrouwbare resultaten op te leveren. Het door prof. Wagenaar ingenomen standpunt dat het oordeel van de rechter zeker niet in overwegende mate door een CBCS (CBCA) analyse bepaald moet worden is verenigbaar met het strafprocessuele uitgangspunt dat de waardering van bewijsmateriaal een taak is die de rechter uiteindelijk geheel zelfstandig moet uitvoeren. In dit opzicht kwam het aangevoerde er niet op neer dat het rapport van dr Soppe berust op toepassing van een zó ongeschikte methodiek dat het resultaat ervan op geen enkele wijze zou mogen bijdragen aan de aan het Hof voorbehouden waardering van de betrouwbaarheid van de door de aangevers afgelegde verklaringen.

17. Voorts zijn in de pleitaantekeningen "kritische kanttekeningen ten aanzien van de door Soppe gebruikte criteria" geplaatst (p. 9), maar daar moet tegenovergesteld worden dat prof. Wagenaar heeft bevonden dat dr Soppe zijn analyse, met alle beperkingen die de methodiek eigen zijn, vakbekwaam en nauwgezet heeft uitgevoerd, en dat een door een andere deskundige uit te voeren tweede analyse van hetzelfde materiaal weinig zin zou hebben omdat de uitkomst ervan geen andere zou zijn. Aldus is in het verweer ook niet de behoorlijk onderbouwde stelling te vinden dat dr Soppe de door hem gebruikte analysemethode op een wetenschappelijk niet verantwoorde wijze heeft toegepast.

18. In hoofdzaak komt het in de pleitaantekeningen opgenomen betoog er op neer dat de bevindingen van dr Soppe steunen op een ontoereikende feitelijke basis, aangezien deze deskundige geen kennis heeft genomen van door de moeder en de broer van verzoeker afgelegde verklaringen, medische rapporten betreffende de aangevers (pleitaantekeningen, p. 4) en bovenal een verklaring van één der aangevers betreffende het voorval dat met vistuig te maken heeft, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, die wezenlijk afwijkt van hetgeen hij in de eerdere studioverhoren heeft gezegd (pleitaantekeningen, p. 6).

19. Dat betoog vindt slechts in zoverre steun in de bevindingen van prof. Wagenaar dat deze er op heeft gewezen dat naar zijn inzicht veel meer onderzoek gedaan had moeten worden naar de achtergronden van de feiten en van de aangevers. Die kritiek laat zich aldus begrijpen dat zij niet het door dr Soppe uitgevoerde onderzoek betreft - dat naar het oordeel van prof. Wagenaar vakbekwaam en nauwgezet is verricht - maar het vooronderzoek in zijn geheel. Dat wordt niet anders doordat prof. Wagenaar zich op het standpunt heeft gesteld dat dr Soppe er op had moeten wijzen dat het van hem gevraagde oordeel een onvolledige basis zou vormen voor de in het strafproces vast te stellen juistheid van de door de aangevers afgelegde verklaringen.

20. Naar mijn inzicht komt het er op neer dat de verdediging heeft betoogd dat voor een goede waardering van de betrouwbaarheid van de door de aangevers afgelegde verklaringen meer materiaal in ogenschouw genomen moet worden dan waarop dr Soppe zijn bevindingen heeft gebaseerd, en voorts aangevoerd dat er in die verklaringen diverse vaagheden, onwaarschijnlijkheden of tegenstrijdigheden zijn te vinden die tot een ander oordeel omtrent verschillende tot de CBCA-analyse behorende criteria kunnen leiden.

Ik meen evenwel niet dat het gevoerde verweer de voldoende onderbouwde stelling inhoudt dat het door dr Soppe gegeven oordeel berust op een onderzoeksmethode die naar haar aard ongeschikt is ter beantwoording van de aan deze deskundige voorgelegde vragen, of dat diens oordeel niet kan zijn voortgekomen uit (een verantwoorde toepassing van) de bijzondere deskundigheid waaraan dat oordeel zijn betekenis moet ontlenen.

21. Het komt mij daarom voor dat het ontbreken van een afzonderlijke en gemotiveerde beslissing op het gevoerde verweer niet meebrengt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

Derhalve kan het middel naar mijn oordeel geen doel treffen.

22. Dit neemt niet weg dat het Hof er naar mijn inzicht goed aan gedaan zou hebben in de uitspraak aandacht aan dat verweer te schenken. Een goede rechtsbedeling is er (de woorden van één mijner illustere ambtsvoorgangers parafraserend) mee gediend dat niet wordt volstaan met hetgeen nodig is om tot een onaantastbare uitspraak te komen, maar dat ook boven de bestaande motiveringsverplichtingen uitgaande inspanningen worden geleverd om uit te leggen waarom in ernst betrokken stellingen niet worden gevolgd.

Dat klemt in dit geval te meer omdat het, dunkt mij, weinig moeite had gekost om duidelijk te maken waarom het Hof heeft gemeend het oordeel van dr Soppe te kunnen volgen. Ter terechtzitting van 12 juli 2000 heeft het Hof de beide aangevers gehoord. Het lijkt mij dat de nu opgeworpen klacht voorkomen had kunnen worden door er in de uitspraak op te wijzen dat de tegen het rapport van dr Soppe aangevoerde bezwaren zijn weggenomen door het beeld dat het Hof zich zelf heeft kunnen vormen van de betrouwbaarheid van de aangevers en de door hen afgelegde verklaringen.

23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,