Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE3382

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
01305/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE3382
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 163
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 464
NJ 2004, 352 met annotatie van D.H. de Jong
VR 2002, 194
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01305/01

Mr Wortel

Zitting: 21 mei 2002

Conclusie inzake:

[Verzoekster=verdachte]

1. Verzoekster is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde, en wegens "poging tot overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van 1.500 gulden, subsidiair 30 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden.

2. Namens verzoekster hebben mrs G.P. Hamer en A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het namens verzoekster gevoerde verweer dat niet kan worden bewezen dat verzoekster als bestuurder is opgetreden is verworpen op ontoereikende, althans onbegrijpelijke gronden.

4. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd, met verwijzing naar (de conclusie bij) HR NJ 1997, 706 en HR NJ 1996, 323, dat uit de jurisprudentie volgt dat onder besturen dient te worden verstaan: feitelijk besturen, terwijl aanstalten maken om te gaan besturen hier niet onder kan vallen. Daarom zou het Hof ten onrechte hebben overwogen dat verzoekster het voornemen had om als bestuurder met een auto weg te rijden.

5. Bewezen is verklaard dat verzoekster

"Op 16 mei 1998 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig te gaan besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 795 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, met voormeld voornemen op de bestuurdersplaats van voornoemde personenauto heeft plaatsgenomen en de motor van voornoemde personenauto heeft gestart en de verlichting van voornoemde auto heeft ontstoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

6. In de bestreden uitspraak zijn nadere overwegingen omtrent het bewijs opgenomen, luidende:

"De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat - zakelijk weergegeven - niet bewezen kan worden dat verdachte als bestuurder is opgetreden, waarbij zij heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 1997, NJ 1997/706.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is komen vast te staan dat

- verdachte, toen zij op 16 mei 1998, omstreeks 2.30 uur, het uitgaanscentrum van het Stratumseind verliet, onvast ter been was en de gehele rijbaan in de breedte nodig had om naar het parkeerterrein te lopen;

- zij vervolgens over het parkeerterrein "zwalkte" en zichtbaar moeite met het lopen had;

- zij na enige tijd bij een personenauto stond, sleutels pakte en het portier aan de bestuurderszijde wilde openen;

- zij hierop werd aangesproken door verbalisant Spork, die rook dat haar adem naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte en zag dat haar ogen bloeddoorlopen waren;

- verbalisant Spork verdachte vervolgens mededeelde dat zij teveel gedronken had om nog te gaan rijden;

- verdachte vervolgens weer richting Stratumseind is "gelopen";

- verdachte op een hoekje stond te kijken totdat verbalisant Spork uit het zicht was verdwenen;

- ongeveer 10 minuten later verbalisanten Van Bragt en Spork verdachte slingerend over het parkeerterrein aan de Smalle Haven te Eindhoven zagen lopen;

- verdachte naar haar auto liep en het portier opende;

- door genoemde verbalisanten werd waargenomen dat enkele seconden nadat verdachte in de auto was gestapt, de achterlichten van de auto werden ontstoken en de motor van de auto was gestart;

- blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting er een aparte handeling voor nodig is om de verlichting van de auto te ontsteken;

- verbalisant Van Bragt vervolgens het autoportier aan de bestuurderszijde heeft geopend en de autosleutel uit het contact heeft getrokken.

Uit het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - leidt het hof af dat verdachte het voornemen had om als bestuurder van een voertuig (personenauto) weg te rijden, welk wegrijden slechts door tijdig politie-optreden is voorkomen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen."

7. In het Voorlopig Verslag ten aanzien van het wetsontwerp strekkende tot wijziging van de voormalige Wegenverkeerswet, waaronder het invoeren van art. 33a van die Wet, is ten aanzien van art. 26 WVW het volgende aan de orde gesteld:

"Nu in het wetsontwerp de beperking tot het rijden op de openbare weg vervalt, leek het verscheidene leden wenselijk een definitie van het begrip besturen in de wet op te nemen. Naar hun vaste overtuiging zou daaronder niet mogen worden verstaan het plaats nemen achter het stuur van een motorvoertuig, het omdraaien van de contactsleutel, het starten van de motor en het losmaken van de handrem. Eerst het daadwerkelijk in beweging brengen en vervolgens houden van het voertuig zou onder besturen mogen worden verstaan. Daarbij zouden de eerstgenoemde handelingen ook niet als poging tot besturen mogen worden aangemerkt. Zij zouden gaarne van de Regering vernemen of deze hun standpunt deelt.

Andere leden vroegen daarentegen of het geen aanbeveling verdient de werking van dit artikel uit te breiden tot hen, die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen. Vele leden zouden het minder gelukkig oordelen als de bestaande jurisprudentie, dat ook de bestuurder van een stilstaand voertuig tot de verkeersdeelnemers behoort, niet meer gehanteerd zou kunnen worden."

(Kamerstukken II, 1969/1970, 10 038, nr 5, p. 5 rechterkolom en p. 6 linkerkolom)

8. Daarop is in de Memorie van Antwoord als volgt gereageerd:

"Volgens de jurisprudentie moet onder het besturen van een voertuig worden verstaan het als bestuurder daarmee rijden. In het in het voorlopig verslag, blz. 5, rechterkolom, laatste alinea gegeven voorbeeld is nog niet gereden. Of sprake is van poging, moet beoordeeld worden volgens de criteria van artikel 45, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wanneer iemand achter het stuur van een motorvoertuig plaats neemt, zich vervolgens bedenkt en weer uitstapt zal nog niet van een poging tot besturen (c.q. onder invloed) kunnen worden gesproken (vrijwillig terugtreden). Wanneer omstanders of de politie de betrokkene beletten weg te rijden, zal wel sprake kunnen zijn van een strafbare poging. Voor een beperking op de algemene regeling van de poging zien de ondergetekenden geen aanleiding. Deze zou in het systeem van ons strafrecht niet passen; bovendien zou zo'n beperking niet stroken met de algemeen gevoelde behoefte aan preventie van het rijden onder invloed.

Voor wat betreft degenen die aanstalten maken een voertuig (onder invloed) te besturen (voorlopig verslag blz. 6, linkerkolom) geldt artikel 28 [het thans in art. 162 WVW 1994 voorziene rijverbod, JW]. Dergelijke personen, die zich dus nog niet hebben schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, kan zonodig het besturen worden verboden."

(Kamerstukken II, 1970/1971, 10 038, nr 6, p. 11 linkerkolom)

9. In de parlementaire behandeling van de huidige Wegenverkeerswet 1994 vond ik geen aanwijzing dat de wetgever tot een ander inzicht is gekomen dan in de zo-even aangehaalde passages tot uitdrukking komt.

Een strafbare poging tot de thans in art. 8 WVW 1994 verboden gedragingen heeft de wetgever derhalve niet willen uitsluiten.

10. De beide in de toelichting op het middel aangehaalde arresten betroffen de weigering, door personen die ervan werden verdacht als bestuurder in strijd met art. 26 WVW te hebben gehandeld, mee te werken aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 33a, tweede lid, WVW, thans art. 163, eerste lid, WVW 1994. In beide gevallen ging het om iemand die door de politie op de bestuurdersplaats van een stilstaande auto werd aangetroffen. In het ene geval stelde de politie vast dat de auto (in het holst van de nacht) op het trottoir stond en de op de bestuurdersplaats zittende persoon keer op keer gas gaf zonder dat de auto in beweging kwam. In het andere geval werd het verweer gevoerd dat de verdachte in zijn auto, die met draaiende motor in een parkeervak stond, slechts een telefoongesprek zat te voeren (en volgens de verdediging zelfs niet weg had kunnen rijden omdat het voertuig door de politie-auto was klemgezet).

In laatstbedoelde zaak (HR NJ 1996, 323) oordeelde de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat iemand achter het stuur van een auto heeft plaatsgenomen en "slechts de motor daarvan heeft gestart" nog niet meebrengt dat die persoon is aan te merken als 'bestuurder' in de zin van art. 1 WVW. Dat werd in HR NJ 1997, 706 ook geoordeeld ten aanzien van de persoon die keer op keer gas gaf zonder dat de auto in beweging kwam.

11. Aldus heeft de Hoge Raad benadrukt dat van optreden als bestuurder pas sprake is bij (een samenstel van) gedragingen waardoor het voertuig in beweging wordt gebracht of gehouden. Dat behoeft naar mijn inzicht niet mee te brengen dat er vóór dat moment, indien nog niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het voertuig in beweging heeft gebracht, geen sprake kan zijn van een strafbare poging tot optreden als bestuurder.

12. Er is in de litteratuur wel op gewezen dat er in de wetgeving een nevenschikking voorkomt van optreden als bestuurder en aanstalten maken om een voertuig te gaan besturen, vgl. J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeersrecht; De WVW '94, begripsbepalingen en uitgangspunten, Arnhem 1995, p. 74 - 75. Zowel de bestuurder als degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen kunnen worden onderworpen aan een voorlopig ademonderzoek (art. 160, vijfde lid, WVW 1994). Aan beide kan een rijverbod worden opgelegd (art. 162, eerste lid, WVW 1994). Deze nevenschikking levert naar mijn inzicht geen doorslaggevend argument om te betogen dat een strafbare poging tot besturen niet mogelijk is. Veeleer dienen deze bepalingen aldus te worden verstaan dat een rechtmatige toepassing van de daarin neergelegde bevoegdheden niet steeds verbonden is aan de verdenking dat iemand reeds een voertuig heeft bestuurd. Die bepalingen hebben zodoende nadrukkelijk een preventief bereik gekregen.

13. Dat laat, dunkt mij, onverlet dat strafbaarheid reeds kan ontstaan bij degene die is begonnen zijn voonemen om een voertuig te besturen tot uitvoering te brengen, zonder dit voornemen tot voltooiïng te brengen door het voertuig in beweging te zetten.

Dat is in overeenstemming met hetgeen de wetgever voor ogen heeft gehad.

Ook in de litteratuur wordt het overigens voor mogelijk gehouden dat zich een strafbare poging tot (kort gezegd) rijden onder invloed voordoet, vgl de hierna te noemen annotatie in VR 1998, 25.

14. De zo-even genoemde arresten van de Hoge Raad dwingen evenmin tot een andere opvatting. Opmerking verdient dat daarin steeds werd vastgesteld dat de vastgestelde feiten niet zonder meer de verdenking konden rechtvaardigen dat de verdachte als bestuurder was opgetreden. Onder omstandigheden kan, naar mij voorkomt, die verdenking bestaan ook zonder dat is vastgesteld dat de verdachte het voertuig in beweging heeft gebracht (daarmee daadwerkelijk aan het verkeer heeft deelgenomen) bestaan. In dat geval zal moeten blijken dat de wèl vastgestelde, op besturen van het voertuig gerichte, handelingen voortkwamen uit het voornemen om te gaan rijden. Ik kom hier op terug bij bespreking van het tweede middel.

15. 's Hofs oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van verzoeksters voornemen de personenauto te gaan besturen, en dat dit een strafbare poging tot handelen in strijd met het in art. 8, tweede lid, aanhef en onder a WVW 1994 opgenomen verbod oplevert, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.

16. In de hierboven weergegeven bewijsoverwegingen is het verworpen verweer aldus samengevat dat niet bewezen zou kunnen worden dat verzoekster als bestuurder is opgetreden. Dat kan enige verwarring wekken, nu de door het Hof genomen beslissingen inhouden dat er ook naar zijn inzicht geen sprake is geweest van optreden als bestuurder van de auto als voltooide gedraging.

Het in dit middel bedoelde verweer had, zoals het is aangeduid in de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen, betrekking op het primair tenlastegelegde feit - het voltooid delict - waarvan verzoekster is vrijgesproken. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan worden afgeleid dat de raadsvrouwe het verweer ter terechtzitting een breder bereik heeft gegeven, met dien verstande dat werd betoogd dat ook het subsidiaire feit (de poging) niet bewezen zou kunnen worden omdat verzoekster niet de bedoeling had met de auto weg te rijden.

17. Het komt mij voor dat de bewijsoverwegingen zich in die zin laten verstaan dat het verweer, niettegenstaande de wijze waarop het is samengevat, is begrepen als mede betrekking hebbend op de subsidiair tenlastegelegde poging, in het bijzonder op het bewijs dat verzoekster het voornemen had om met de auto te gaan rijden.

De door het Hof genoemde feiten en omstandigheden kunnen zijn oordeel dat verzoekster dat voornemen had opgevat dragen.

18. In de toelichting op het middel wordt nog opgemerkt dat, ofschoon onder de door het Hof weergegeven omstandigheden van een poging tot handelen in strijd met art. 8 WVW 1994 gesproken kan worden, de toepassing van het pogingsleerstuk op deze bepaling niet meebrengt dat het begrip 'bestuurder' wordt uitgebreid. Ik heb de indruk dat deze opmerking is ontleend aan de annotatie bij HR 29 april 1997 in VR 1998, 25. De annotator stelde zich op het standpunt dat een (strafbare) poging tot handelen in strijd met art. 8 WVW 1994 denkbaar is, maar dat dit geen betekenis heeft voor de verplichting tot medewerking aan een adem- of bloedonderzoek als bedoeld in art. 163 WVW 1994, omdat het begrip 'bestuurder' in dit voorschrift niet wordt uitgebreid door de strafbaarheid van een poging tot handelen in strijd met één van de in art. 8 WVW 1994 opgenomen verbodsnormen.

19. Op de door het Hof gegeven beslissing betreffende de reikwijdte van art. 163 WVW 1994 richt zich het tweede middel, maar 's Hofs oordeel dat verzoekster het voornemen heeft gehad om als bestuurder van een personenauto weg te rijden, zodat gesproken kan worden van een strafbare poging tot handelen in strijd met het in art. 8, tweede lid, aanhef en onder a WVW 1994 gestelde verbod, is, gelet op het daartoe overwogene, niet onbegrijpelijk. Het in dit middel bedoelde verweer is op toereikende gronden verworpen.

Het middel faalt.

20. In het tweede middel wordt geklaagd over de beslissing op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen:

"Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouwe het verweer gevoerd dat de uitgevoerde ademanalyse onrechtmatig was en dat de resultaten van de ademanalyse niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt in het eerste lid dat bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van die wet de opsporingsambtenaar hem/haar kan bevelen zijn/haar medewerking te verlenen aan de ademanalyse.

Naar het oordeel van het Hof moet hieronder ook - zoals in casu - het geval worden gerekend dat verdachte artikel 8 van die wet (op een strafbare wijze) overtreedt, dat wil zeggen ook wanneer het voornemen van de verdachte om artikel 8 van die wet te overtreden zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

Dat artikel 160, vijfde lid, van die wet aan opsporingsambtenaren de mogelijkheid biedt om degene die aanstalten maakt een voertuig te besturen te verplichten zijn/haar medewerking te verlenen aan een ademtest, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

Het verweer wordt derhalve verworpen."

21. Het middel stelt de vraag aan de orde of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de verdenking "dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8", als bedoeld in art. 163, eerste lid, WVW 1994, mede kan omvatten dat er een aanvang is gemaakt met de uitvoering van het voornemen in strijd met art. 8 WVW 1994 te handelen.

22. In dit verband meen ik te moeten wijzen op HR NJ 1993, 475. Daarin werd de reeds bekende opvatting bevestigd dat (in verband met art. 33a WVW, de voorloper van art. 163 WVW 1994) niet behoeft te blijken dat degene van wie medewerking aan een alcoholonderzoek wordt gevorderd werkelijk met een voertuig heeft gereden, doch onder 'bestuurder' in deze bepaling moet worden verstaan: degene die ervan wordt verdacht als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met art. 26 WVW. De Hoge Raad overwoog dat deze ruime opvatting (de verdenking onder invloed van alcohol te hebben gereden volstaat)

"strookt met de strekking van de wet, zoals deze blijkt uit de wetsgeschiedenis van de wet van 23 mei 1972, Stb 282, en die van de wet van 1 juli 1987, Stb 315, waarmee de wetgever een zo effectief mogelijke controle op en bestrijding van overmatig drankgebruik in het verkeer heeft beoogd".

23. Dezelfde gedachtengang kan, en naar mijn inzicht: moet, worden gevolgd bij de nu opgeworpen vraag of die verdenking ook een poging in de zin van art. 45 Sr kan betreffen. Het belang dat deelneming aan het verkeer door bestuurders die overmatig alcohol hebben genuttigd zo effectief mogelijk wordt tegengegaan zou er niet mee gediend zijn indien opsporingsambtenaren hun optreden moeten uitstellen totdat zij kunnen vaststellen dat een vermoedelijk onder invloed van alcohol verkerende persoon een voertuig daadwerkelijk in beweging heeft gebracht.

24. Daar zou tegenover gesteld kunnen worden dat opsporingsambtenaren vóór dat moment niet machteloos zijn: zij kunnen toepassing geven aan het reeds genoemde art. 162, eerste lid (laatste volzin) WVW 1994, en - eventueel na een voorlopig ademonderzoek - een rijverbod opleggen.

Dat lijkt mij evenwel niet doorslaggevend te kunnen zijn. Er moet niet uit het oog worden verloren dat art. 45 Sr een uitbreiding geeft aan het bereik van strafbaarstellingen, voor zover het om misdrijven gaat, omdat reeds de bereidheid om het feit te begaan, groot genoeg om werkelijk tot de uitvoering ervan over te gaan, een gebrek aan respect voor rechtsregels en belangen van anderen uitstraalt die toepassing van straffen in beginsel aangewezen maakt. In art. 91 Sr is neergelegd dat dit uitgangspunt evenzeer geldt voor de strafbaarstellingen die in bijzondere wetten zijn opgenomen, zolang de wetgever niet anders bepaalt.

25. Ten aanzien van art. 8 WVW 1994 heeft de wetgever niet bepaald dat art. 45 Sr niet toepasselijk kan of moet zijn. Integendeel levert de wetsgeschiedenis een aanwijzing dat de wetgever een strafbare poging tot overtreding van de in art. 8 WVW 1994 opgenomen verbodsnormen denkbaar heeft geacht, vgl hierboven, onder 7 en 8. Nu er naar het inzicht van de wetgever voldoende aanleiding kan zijn om, binnen de in art. 45 Sr getrokken grenzen, ook op de poging tot handelen in strijd met art. 8 WVW 1994 met strafoplegging te reageren, zullen de opsporingsbevoegdheden beschikbaar moeten zijn die deze strafoplegging mogelijk maken. Daarmee is niet te verenigen dat van de in art. 163, eerste lid, WVW 1994 gegeven bevoegdheid geen gebruik gemaakt mag worden indien de verdenking een poging betreft.

26. Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt dat bij de strafrechtelijke rechtshandhaving onder misdrijf ook de poging tot het begaan ervan begrepen wordt, welk beginsel niet alleen geldt voor bepalingen die tot het materiële strafrecht behoren (art. 78 Sr), maar ook voor de toepassing van voorzieningen van strafprocessuele aard (129 Sv).

27. Zoals hiervoor (onder 12) reeds naar aanleiding van het eerste middel werd opgemerkt, meen ik dat deze benadering niet strijdig is met de omstandigheid dat in art.160, vijfde lid, WVW 1994 (het voorlopig ademonderzoek) en in art.162, eerste lid, WVW 1994 (het rijverbod) is voorzien in bevoegdheden die zowel ten aanzien van de bestuurders van voertuigen als ten aanzien van degenen die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen kunnen worden toegepast. De beschikbaarheid van deze op voorkoming van strafbare feiten gerichte bevoegdheden behoeft niet tot de gevolgtrekking te voeren dat de op vervolging gerichte opsporing alleen betrekking kan hebben op geheel tot uitvoering gebrachte overtredingen van de in art. 8 WVW 994 opgenomen verbodsnormen.

28. Derhalve getuigt 's Hofs oordeel dat de in art. 163, eerste lid, WVW 1994 bedoelde verdenking dat de bestuurder van een voertuig in strijd met art. 8 WVW 1994 heeft gehandeld mede de verdenking omvat dat het voornemen tot handelen in strijd met een in die bepaling opgenomen verbodsnorm zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard, naar mijn inzicht niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Voorts is het oordeel dat de opsporingsambtenaren de verdenking hebben kunnen opvatten dat verzoeksters voornemen tot het begaan van het misdrijf zich door een begin van uitvoering had geopenbaard, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk.

Het verweer is op toereikende gronden verworpen, zodat het middel faalt.

29. Het derde middel bevat de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.

Er wordt op gewezen dat in eerste aanleg geen ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd, terwijl dat in hoger beroep wel is gebeurd.

Nu aldus in hoger beroep een zwaardere straf is opgelegd dan in eerste aanleg is geschied, zo wordt betoogd, had het Hof niet mogen volstaan met verwijzing naar de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan.

Voorts wordt aangevoerd dat de verwijzing naar de ernst van het feit onvoldoende inzicht geeft in de redenen voor het opleggen van een zwaardere straf omdat er geen sprake is geweest van besturen in de zin van art. 8 WVW 1994.

30. De klacht faalt bij gebreke aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft de strafoplegging namelijk breder gemotiveerd dan in de toelichting op het middel wordt voorgesteld. Met betrekking tot de strafoplegging is in de bestreden uitspraak overwogen, voor zover in dit verband van belang:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

(...)

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor wat betreft het subsidiair bewezen verklaarde en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

(...)

Het verweer dat de verdachte, kort gezegd, het rijdbewijs niet kan missen wordt door het hof verworpen omdat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van het rijbewijs in het hieronder te bepalen tijdvak.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een bijkomende straf als door de advocaat-generaal gevorderd gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan."

31. Gelet op deze overwegingen kan niet worden gezegd dat het opleggen van de bijkomende straf, waar die in eerste aanleg niet is toegepast, een verbazing wekt die slechts door een nog verdere uiteenzetting van de redenen voor die oplegging had kunnen worden voorkomen, vgl G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, derde druk, p. 694. Aangezien het Hof nadrukkelijk heeft verwezen naar het subsidiair bewezenverklaarde feit is niet uit het oog verloren dat de straffen niet zijn opgelegd ter zake van optreden als bestuurder van een motorvoertuig als voltooid delict, maar ter zake van een poging daartoe. Daar de bewezenverklaring inhoudt dat verzoekster een poging heeft ondernomen het voertuig te besturen terwijl het alcoholgehalte in haar ademlucht de grens van het strafbare in aanzienlijke mate overschreed, wekt de strafoplegging ook in dit opzicht geen verbazing.

32. Het derde middel leent zich mijns inziens voor toepassing van art. 81 RO.

33. Naar aanleiding van een aan de bestreden uitspraak gehecht schrijven van de griffier van het Hof, waarin op een misslag wordt gewezen, merk ik op dat er aanleiding is de bestreden uitspraak verbeterd te lezen. In het dictum dient, in overeenstemming met de bewezenverklaring en de zo-even aangehaalde overwegingen ter bepaling van de bijkomende straf, voor

"Ontzegt de verdachte terzake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden"

te worden gelezen:

"Ontzegt de verdachte terzake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden"

34. Overigens heb ik geen gronden aangetroffen waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,