Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE3374

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
20-09-2002
Zaaknummer
C01/022HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE3374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 197
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 198
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 483
JWB 2002/311
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer C01/022

Mr Huydecoper

Zitting 17 mei 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerster]

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Het gaat in dit geschil tussen (naaste) familieleden, in cassatie uitsluitend om de vraag of een bepaalde onderhandse acte in de feitelijke instanties terecht en op voldoende steekhoudende gronden als echt is aangemerkt. Ik geef de feitelijke context in korte samenvatting weer:

2) De verweerster in cassatie ([verweerster]) stelde dat zij op 24 juli 1978 een koopovereenkomst heeft gesloten met haar moeder, [erflaatster]. Die overeenkomst had betrekking op het pand [c-straat 1] (thans [2]) te [woonplaats]. [Verweerster] stelde dat haar moeder de koop had bevestigd in een eigenhandig opgestelde schriftelijke verklaring van dezelfde datum(1).

3) In augustus 1990 heeft [verweerster] de gezamenlijke erfgenamen van haar inmiddels overleden moeder gedagvaard, en een bevel gevorderd tot medewerking aan de eigendomsoverdracht van het beweerdelijk aan haar verkochte pand. De huidige eiser tot cassatie ([eiser]) is een van de erfgenamen (hij is ook een kind van [verweersters] moeder), en is tevens executeur testamentair van de nalatenschap. Hij heeft (samen met andere, thans niet meer meeprocederende erfgenamen) verweer gevoerd. Daarbij werd o.a. de door [verweerster] gestelde koopovereenkomst betwist, de echtheid van de handtekening van de erflaatster onder de bevestigende schriftelijke verklaring van 24 juli 1978 betwist, en (later) ook de echtheid van de tekst van die verklaring betwist. In cassatie gaat het, zoals al aangestipt, alleen nog om de laatstgenoemde aspecten, en dus, kort gezegd, om het oordeel van het hof over de vraag of de schriftelijke verklaring van 24 juli 1978 al dan niet echt is.

4) In appel heeft het hof geoordeeld, kort gezegd, dat de bewijslast met betrekking tot de echtheid van de handtekening ingevolge art.186 lid 2 Rv (inmiddels art.159 lid 2 Rv) op [verweerster] rustte, en de bewijslast met betrekking tot de inhoudelijke valsheid van de omstreden verklaring op [eiser]. Het hof verstrekte een bewijsopdracht aan [verweerster], en gelastte vervolgens (nadat getuigen waren gehoord) een grafologisch deskundigenbericht. Aan de hand van de uitkomsten van de bewijslevering en vooral van het deskundigenbericht kwam het hof in het eindarrest tot de slotsom dat de handtekening onder de verklaring echt was, en dat hetzelfde gold voor de inhoud daarvan.

5) Het tijdig ingesteld cassatieberoep bestrijdt de aldus kort weergegeven beslissingen van het hof. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

6) De cassatiemiddelen bestrijden verschillende aspecten van de bestreden arresten, die geen vragen van meer algemene strekking aansnijden en die ook geen relevant verband met elkaar vertonen. Ik zal de middelen daarom (maar gewoon) bespreken in de volgorde waarin ze zijn voorgedragen.

7) Middel I bevat, als ik het goed zie, drie klachten. Geen daarvan acht ik doeltreffend:

- de klacht in onderdeel 1.2 is ongegrond omdat het hof de daar bedoelde feiten als onweersproken mocht - en zelfs moest - aanmerken. Blijkens de onderdelen 1.2 en 1.3 wordt immers (impliciet) erkend dat de betreffende feiten onweersproken waren toen het hof daarover in zijn interlocutoir arrest van 10 april 1996 oordeelde ([eiser] heeft die feiten pas later alsnog weersproken). De klacht miskent dat partijen, wanneer zij de rechter om een uitspraak verzoeken, er in het algemeen rekening mee moeten houden dat de rechter dan aan de hand van de hem voorgelegde gegevens zal beslissen. Er was in de onderhavige zaak geen aanleiding, voor het hof, om de hier bedoelde stellingen (nog) niet te beoordelen.

- De klachten van dit middel zijn daarnaast zonder belang. Het hof heeft in zijn verdere beslissingen geen gebruik meer gemaakt van het gegeven waarop de onderdelen 1.2 en 1.3 doelen. Daarom doet niet terzake of dit gegeven al-dan-niet terecht als vaststaand is aangenomen. Anders dan in dit middel wordt gesuggereerd verplicht niets de rechter om, als hij zijn verdere oordeel op andere gegevens baseert, alsnog aan te geven hoe hij oordeelt over een (achteraf geformuleerde betwisting van een) eerder (terecht) als onweersproken aangenomen gegeven, dat echter vervolgens niet in de verdere beoordeling wordt betrokken.

- De klacht van onderdeel 1.5 miskent dat beoordeling van de vraag welk vergelijkingsmateriaal (in dit geval: in het kader van een grafologisch onderzoek) relevant is en als basis voor het van de rechter gevraagde oordeel kan dienen, aan de rechters van de feitelijke instanties is voorbehouden. Het hof heeft klaarblijkelijk vooral het vergelijkingsmateriaal waarop het deskundigenbericht gebaseerd was als relevant beoordeeld. Dat oordeel - dat neerkomt op een instemmen met de door de deskundigen gemaakte selectie - is goed te begrijpen(2). Het behoefde (dan ook) geen nadere motivering(3).

8) Middel II komt erop neer dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat de bewijslast met betrekking tot de inhoudelijke valsheid van de in geding zijnde verklaring op [eiser] rustte. Dit oordeel is echter in overeenstemming met recente beslissingen van de Hoge Raad(4). Die beslissingen verwijzen ernaar dat de gevonden regel zowel bij de wetstekst als bij de wetsgeschiedenis aansluit. Namens [eiser] worden geen argumenten aangevoerd, die aandringen dat de Hoge Raad van de in deze rechtspraak uitgezette lijn zou moeten terugkomen. Zelf zie ik in het geheel geen argumenten die dat zouden kunnen rechtvaardigen.

Ten overvloede: het is begrijpelijk dat het hof niet heeft geoordeeld dat de beschikbare aanwijzingen opleverden dat [eiser] het bewijs waarvoor de bewijslast op hem rustte reeds geleverd had; en dat oordeel behoefde geen nadere motivering.

9) Voorzover in onderdeel 2.4 nog de klacht valt te lezen dat het hof zou hebben miskend dat na de bewijsvoering omtrent de echtheid van de handtekening, de echtheid van de verklaring zelf nog als zelfstandig aspect moest worden beoordeeld, faalt deze omdat uit het arrest onomstotelijk blijkt dat het hof deze twee aspecten wel degelijk heeft onderscheiden. Beide zijn dan ook in het arrest zorgvuldig onderzocht.

10) De klachten uit het tamelijk omvangrijke Middel III bevinden zich in de onderdelen 3.4 en 3.5. Zij komen neer op een drieledig verwijt: deskundigen hebben partijen niet gehoord; daarom had het hof nadat [eiser] zijn kritiek op het deskundigenbericht had ingebracht, deskundigen de gelegenheid moeten geven om nog op [eisers] kritiek te reageren; en in het licht van [eisers] kritiek had het hof [eiser] tot nadere bewijslevering - als tegenbewijs - moeten toelaten. Deze verwijten beoordeel ik in ieder van de drie aangegeven opzichten als ongegrond:

- dat deskundigen in strijd met art. 223 Rv (thans art. 197 en 198 Rv) hebben verzuimd partijen te horen belet niet dat de rechter van de bevindingen van deskundigen gebruik maakt als die hem aannemelijk voorkomen(5);

- het is ter beoordeling van de (feitelijke) rechter of hij over de informatie beschikt die hij voor zijn oordeel nodig heeft, en dus ook: of er behoefte bestaat aan een nadere reactie van door de rechter benoemde deskundigen. Ook als partijen expliciet hebben gevraagd dat de rechter deskundigen om een nadere reactie verzoekt, is hij - de rechter - niet verplicht dat verzoek te honoreren(6). Een verplichting om deskundigen nader te raadplegen bestaat dus al helemaal niet wanneer - zoals in het onderhavige geval - een dergelijk verzoek niet is gedaan.

- Ook voor tegenbewijs (waarvoor, anders dan het geval is bij "gewoon" bewijs, niet de eis mag worden gesteld dat een aanbod daarvan gespecificeerd is), geldt wél de eis dat de betreffende procespartij duidelijk moet hebben gemaakt dat hij tegenbewijs wil leveren; bij gebreke waarvan de rechter niet verplicht is om de betreffende partij (ambtshalve) tot tegenbewijs toe te laten(7). [Eiser] had geen enkele indicatie gegeven dat hij tegenbewijs bij wilde brengen (en na de uitvoerige instructie die al had plaatsgehad lag het ook bepaald niet in de rede om te vermoeden dat dat het geval zou zijn). Daarop strandt het onderhavige verwijt.

Ik merk nog op dat de motivering die het hof heeft gegeven voldoende is; en dat voorzover er klachten in dit middel besloten liggen die ertoe strekken dat het namens [eiser] aangevoerde het hof tot een bredere motivering verplichtte, die klachten volgens mij geen doel treffen(8).

11) Middel IV klaagt opnieuw over de bewijslastverdeling, en over het feit dat [eiser] niet is toegelaten tot het bewijs van, wat het hof noemt, "een aantal buiten de verklaring van 24 juli 1978 zelf gelegen feiten en omstandigheden" (rov. 6 van het eindarrest). Daarnaast wordt geklaagd over de motivering van het eindarrest.

De klachten over de bewijslastverdeling stuiten in de eerste plaats af op het oordeel van het hof dat bewijslevering van de bedoelde feiten en omstandigheden niet ter zake dienend zou zijn (zie ook het aan het slot van voetnoot 8 opgemerkte). Anders dan het middel aanvoert, behoeft de rechter feiten niet nader te onderzoeken als hij oordeelt dat die feiten, of zij nu juist zijn of niet, niet tot de te bereiken slotsom kunnen bijdragen. Dat betekent dat onderdelen 4.2 en 4.3 (onderdeel 4.1 bevat geen klacht) niet op gaan.

12) Onderdeel 4.4 neemt een aantal van de onjuiste argumenten van de eerdere middelen tot uitgangspunt, en is in dat opzicht om dezelfde redenen ongegrond als de klachten waarop het voortbouwt. De klacht dat het hof betekenis heeft toegekend aan de rov . 6 en 7 van het vonnis van de rechtbank miskent bovendien dat het hof de betreffende overweging "volledigheidshalve", en dus kennelijk ten overvloede, heeft gegeven.

Overigens meen ik dat het hof de rov. 6 en 7 uit het vonnis van de rechtbank wel in de gegeven beoordeling mocht betrekken. Weliswaar had het hof de rechtbank niet gevolgd in het oordeel dat de bewijslast ten aanzien van de echtheid of valsheid van de onder de verklaring van de moeder van partijen geplaatste handtekening op [eiser] rustte; maar het hof had (inmiddels) wel vastgesteld dat de handtekening voor echt moest worden gehouden en dat er geen argumenten waren aangevoerd die ertoe konden leiden dat de tekst van de verklaring als vals moest worden aangemerkt. Bij die feitelijke stand van zaken kwam alsnog aan de orde de vraag, of latere verklaringen (of andere gesties) van [verweerster] of haar moeder konden meebrengen dat op de in juli 1978 vastgelegde transactie was teruggekomen (al-dan-niet in die vorm, dat [verweerster] van haar rechten uit die transactie afstand zou hebben gedaan). Dat is de vraag die de rechtbank in de hier bedoelde rechtsoverwegingen heeft onderzocht. Voor het oordeel van het hof kwam, in die omstandigheden, wel betekenis toe aan het feit dat [eiser] de vaststellingen van de rechtbank in deze rechtsoverwegingen in appel niet had bestreden. Dat kon immers bijdragen tot de overtuiging van het hof dat de door [eiser] in dit opzicht aangevoerde argumenten geen hout sneden.

Ook daarom lijkt de klacht van dit middelonderdeel mij niet doeltreffend.

13) Onderdeel 4.5 klaagt erover dat [eiser] door het hof niet tot tegenbewijs is toegelaten. Die klacht miskent dat de hier besproken oordelen van het hof zien op het gegeven waarvoor [eiser] de bewijslast droeg (namelijk de valsheid van de tekst van de verklaring van juli 1978). Het hof was niet gehouden om [eiser] ambtshalve toe te laten tot nader bewijs van een gegeven ten aanzien waarvan de bewijslast op hem rustte, en hij geen bewijs had aangeboden. Hetzelfde zou trouwens gegolden hebben als het wel om tegenbewijs zou zijn gegaan, omdat het hof ook in dit opzicht met recht kon vaststellen dat [eiser] er in het geheel geen blijk van had gegeven dat hij nog tegenbewijs wilde leveren(9).

Voorzover dit middelonderdeel ook de klacht met betrekking tot het eerste bewijsthema herhaalt, valt het samen met onderdeel 3.5 en faalt het om dezelfde reden als dat onderdeel (zie alinea 10, derde "gedachtestreepje" hiervóór).

14) Middel V bevat geen inhoudelijke klacht.

15) Ik meen dat de middelen geen vragen aan de orde stellen waarop in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling een antwoord gewenst is.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Conclusie van Repliek tevens houdende vermeerdering van eis, nr. 2.

2 De beoordeling door het hof is eens temeer begrijpelijk omdat partijen de gelegenheid hadden gekregen zich voorafgaand aan het deskundigenbericht ter comparitie uit te laten over het vergelijkingsmateriaal dat de deskundigen ter beschikking zou worden gesteld en om vergelijkingsmateriaal aan te dragen, en omdat het hof bij de beslissing omtrent het aantal te benoemen deskundigen het feit heeft betrokken dat slechts een beperkte hoeveelheid vergelijkingsmateriaal beschikbaar was.

3 Ik laat daarom maar daar of het middelonderdeel, nu dat niet nader aangeeft welk vergelijkingsmateriaal ten onrechte buiten beschouwing zou zijn gelaten of waarom daarover anders had moeten worden geoordeeld, beantwoordt aan de eis van art. 407 lid 2 Rv.

4 HR 14 januari 2000, NJ 2000, 236, rov. 3.3 en 3.4; HR 21 april 1995, NJ 1996, 652 m.nt. WMK, rov. 3.7.2 (verwijzend naar) HR 15 januari 1993, NJ 1993, 179 rov. 3.5.

5 HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435, rov. 3.4 en 3.6; HR 7 januari 1994, NJ 1994, 320, rov. 3.5. In de onderhavige zaak kon het hof al daarom van het deskundigenbericht gebruik maken, omdat [eiser] er in de feitelijke instanties niet over heeft geklaagd dat de partijen door de deskundigen niet gehoord waren, en [eiser] wel alle gelegenheid heeft gehad om zich over de kwaliteiten van het deskundigenbericht uit te spreken ([eiser] heeft die gelegenheid ook uitvoerig benut).

6 Zie bijvoorbeeld - maar wel telkens in een ander verband - HR 16 april 1999, NJ 1999, 666 rov. 3.7; HR 14 mei 1993, NJ 1994, 448, rov. 3.3 en 3.4. Dat de rechter in dit opzicht niet tot een bepaalde beleidskeuze gehouden is volgt al uit de algemene regel dat het aan het beleid van de rechter is overgelaten of hij het geraden oordeelt een deskundigenbericht te bevelen: HR 14 december 2001, NJ 2002, 73, rov. 3.3.3; HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433, rov. 3.5.3.

7 Zie bijvoorbeeld HR 6 oktober 1995, NJ 1998, 190 m.nt. CJHB, rov. 3.5.

8 Ook hier doet zich overigens het probleem voor waar ik in voetnoot 3 aan voorbij ben gegaan. Ik ga daar ook dit keer aan voorbij. Ten overvloede geldt dan nog, dat het hof ook heeft geoordeeld dat wat [eiser] in dit verband gesteld had onvoldoende was om de door [eiser] daaraan verbonden gevolgtrekkingen te kunnen dragen. De klachten stuiten ook daarop af, omdat hierin immers besloten ligt dat bewijs van de betreffende stellingen niet terzake deed.

9 Zie de in voetnoot 7 aangehaalde beslissing.