Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE3346

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R01/137HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE3346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 408
JWB 2002/258
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R01/137HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 3 mei 2002

Conclusie inzake

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], heeft op 4 september 2001 ter griffie van de Rechtbank te Dordrecht een verzoekschrift ingediend, strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2. [Verzoekers] totale schuldenlast bedraagt f 53.188,22. Hiervan heeft een bedrag van f 6.024,64 betrekking op een zestal vorderingen van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en een bedrag van f 16.625,60 op een vordering van de gemeente Papendrecht. De vorderingen van het CJIB hebben voornamelijk betrekking op verkeersboetes. Eén vordering vloeit voort uit frauduleus gebruik van een bankpas voor welk feit [verzoeker] door de strafrechter is veroordeeld. Van de vordering van de Gemeente heeft een bedrag van f 7.878,07 betrekking op een terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand, nu [verzoeker] in 1994, 1998 en 1999 naast een bijstandsuitkering inkomsten uit arbeid genoot.

3. De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 oktober 2001 het verzoek van [verzoeker] afgewezen, zulks op grond van de overweging dat de schulden aan de gemeente Papendrecht en het CJIB niet te goeder trouw zijn ontstaan (art. 288, lid 2, aanhef en sub b, Fw).

4. [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij bestreed het oordeel van de Rechtbank dat de schulden aan de gemeente Papendrecht en het CJIB niet te goeder trouw zijn ontstaan. Wat de schuld aan het CJIB betreft, voerde [verzoeker] aan dat hij de aantijgingen van fraude met een bankpas betwist en voorts dat niet zeker is dat hij in die zaak terecht is veroordeeld, nu hij in die zaak nimmer voor de rechter is verschenen omdat hij niet op de hoogte was van het feit dat een terechtzitting zou plaatsvinden. Wat de schuld aan de gemeente Papendrecht betreft, voerde [verzoeker] aan dat hij weliswaar ondanks de uitkering arbeid heeft verricht, maar dat hij dit deed met de intentie daardoor de aflossing van zijn schulden sneller te kunnen doen plaatsvinden zonder zich de consequenties daarvan ten aanzien van de gemeentelijke sociale dienst te realiseren, zodat de constatering van de Rechtbank dat [verzoeker] te kwader trouw was gerelativeerd dient te worden. Bovendien voerde [verzoeker] aan dat hij vooruitzicht heeft op inkomsten uit arbeid nu hij een opleiding volgt tot vrachtwagenchauffeur en na het behalen van de benodigde rijbewijzen en diploma's in dienst zal kunnen treden bij een transportonderneming te Dordrecht.

5. [Verzoeker] had geen succes. Bij arrest van 4 december 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof overwoog daartoe onder meer dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van in ieder geval een substantieel deel van de schulden niet te goeder trouw is geweest en dat thans (nog) geen sprake is van omstandigheden welke niettemin de toepassing van de schuldsaneringsregeling kunnen billijken (r.o. 5).

6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het Hof (tijdig; zie art. 292 lid 4 Fw) in cassatie gekomen.

7. Het cassatieberoep berust, als ik het goed zie, op twee klachten.

8. De eerste klacht houdt in dat het Hof niet is ingegaan op de bezwaren van [verzoeker] tegen het oordeel van de Rechtbank dat de schulden aan de gemeente Papendrecht en het CJIB niet te goeder trouw zijn ontstaan. De beslissing van het Hof is daarom onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht.

9. Voor zover de klacht ertoe strekt te betogen dat het Hof in het geheel niet is ingegaan op de bezwaren van [verzoeker], mist zij feitelijke grondslag. Het Hof heeft blijkens r.o. 3 van zijn arrest onderkend dat [verzoeker] heeft betwist dat sprake is geweest van frauduleus gebruik van een bankpas. Waar het Hof overweegt dat "[verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van in ieder geval een substantieel deel van de schulden niet te goeder trouw is geweest", heeft het Hof die betwisting kennelijk niet voldoende geoordeeld om het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de schuld aan het CJIB terzijde te stellen. Dit oordeel van het Hof is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk: [verzoeker] heeft niet betwist dat hij de verkeersboetes, die het grootste gedeelte uitmaken van de schuld aan het CJIB, wèl verschuldigd is. Voorts blijkt uit r.o. 4 van het bestreden arrest dat het Hof onder ogen heeft gezien wat [verzoeker] te berde heeft gebracht ten aanzien van de schuld aan de gemeente Papendrecht. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, nu - zoals het Hof vaststelt - [verzoeker] heeft erkend dat hij in 1994, 1998 en 1999 naast een bijstandsuitkering inkomsten uit arbeid genoot, de beweerde goede bedoelingen van [verzoeker] niet kunnen weg nemen dat de bijstandsuitkering in bedoelde perioden onrechtmatig is verkregen.

10. Voor zover de klacht voorts ertoe strekt te betogen dat het Hof [verzoeker] niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van het Hof (nader) toe te lichten (cassatierekest, sub 5, slot), mist de klacht feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal dat van die mondelinge behandeling is opgemaakt blijkt niet dat [verzoeker] (of zijn advocaat) door het Hof niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te spreken over zijn bezwaren tegen het vonnis van de Rechtbank. De eerste klacht faalt derhalve.

11. De tweede klacht houdt in dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom er naar zijn oordeel geen sprake is van omstandigheden welke niettemin de toepassing van de schuldsaneringsregeling kunnen billijken.

12. Ook deze klacht komt mij ongegrond voor. [Verzoeker] heeft aangevoerd dat hij een opleiding volgt tot vrachtwagenchauffeur en na het behalen van de benodigde rijbewijzen en diploma's in dienst zal kunnen treden bij een transportonderneming te Dordrecht. Tijdens de mondelinge behandeling van het Hof heeft [verzoeker] verklaard dat hij de opleiding heeft moeten uitstellen en dat het contract met de transportonderneming is uitgesteld. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld ("thans is (nog) geen sprake van omstandigheden welke niettemin de toepassing van de schuldsaneringsregeling kunnen billijken") dat de plannen van [verzoeker] nog te weinig concreet zijn om op grond daarvan thans reeds te kunnen aannemen dat [verzoeker] voldoende blijk geeft van gevoel van verantwoordelijkheid jegens zijn schuldeisers (vgl. HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178). Gelet op het recente karakter van de schulden aan het CJIB en aan de gemeente Papendrecht en op de wijze waarop deze schulden zijn ontstaan, is dit oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,