Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE3344

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R02/014HR R02/015HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE3344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354, geldigheid: 2002-07-12
Faillissementswet 358, geldigheid: 2002-07-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429a, geldigheid: 2002-07-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429n, geldigheid: 2002-07-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 411
NJ 2002, 532
RvdW 2002, 121
JWB 2002/265

Conclusie

R 02/014 en R 02/015 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 24 mei 2002

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

respectievelijk:

[Verzoeker]

In deze twee samenhangende cassatieberoepen gaat het om procedurele vraagstukken rond de beëindiging van een schuldsanering.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Bij vonnis van de rechtbank te Breda van 9 november 1998 zijn de verzoekers tot cassatie, [verzoeker] onderscheidenlijk zijn echtgenote (hierna te noemen: de schuldenaars), in staat van faillissement verklaard. Op 28 maart 2000 is ten aanzien van ieder van hen de schuldsaneringsregeling definitief van toepassing verklaard(1).

1.2. Bij vonnissen van 10 juli 2001 heeft de rechtbank ten aanzien van beide schuldenaars een saneringsplan vastgesteld (art. 338 lid 5 Fw) en de termijn bepaald gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep op 1 augustus 2001 deze vonnissen vernietigd uitsluitend voor wat betreft de termijn. Het hof heeft een termijn vastgesteld welke zou verstrijken op 28 november 2001.

1.3. De rechtbank heeft de terechtzitting waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld vastgesteld op 27 november 2001. De rechtbank heeft op genoemde datum de behandeling aangehouden tot 18 december 2001. De bewindvoerder heeft verslag uitgebracht (art. 353 lid 1 Fw). Zijn verslag houdt in dat redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat aan schuldeisers enige uitkering zal worden gedaan. Het verslag houdt verder in dat, naar de mening van de bewindvoerder, de schuldenaars hun uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen. Twee schuldeisers hebben ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen "het verlenen van de schone lei"(2), omdat de man in het schuldsaneringstijdvak betrokken zou zijn geweest bij de oprichting van een eigen zaak en de beide schuldenaars hieromtrent onvoldoende opening van zaken zouden hebben gegeven.

1.4. Bij gelijkluidende vonnissen van 18 december 2001 heeft de rechtbank (ook in het dictum) de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. In dezelfde vonnissen heeft de rechtbank een rechter-commissaris benoemd voor het houden van nader onderzoek, waaronder het horen van de schuldenaar en twee getuigen(3).

1.5. De schuldenaars hebben ieder voor zich hoger beroep ingesteld. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de benoeming van een rechter-commissaris en het aanhouden van de beslissing omtrent de "schone lei"; zij menen dat daartoe geen aanleiding bestond. Daarnaast maakten zij er bezwaar tegen dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling reeds heeft beëindigd vóórdat zekerheid bestond omtrent het intreden van het rechtsgevolg van art. 358 Fw (de "schone lei"). De schuldenaars vreesden namelijk dat in de tussentijd de schuldeisers hun vorderingen op de gewone wijze bij hen zouden willen invorderen.

1.6. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 januari 2002 de vonnissen van de rechtbank vernietigd voor zover daarin de beëindiging werd uitgesproken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het hof wees erop dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege eindigt zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, waarvoor noodzakelijk is dat de uitspraak ex art. 354 lid 1 Fw kracht van gewijsde heeft verkregen (rov. 4.4). Verder verklaarde het hof de schuldenaars niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing tot benoeming van een rechter-commissaris en tot aanhouding van iedere verdere beslissing in afwachting van het resultaat van diens onderzoek. Het hof was van oordeel dat het hier gaat om een tussenbeslissing, waarop het verbod van tussentijds hoger beroep zoals bedoeld in art. 429n lid 3 (oud) Rv, overeenkomstig moet worden toegepast (rov. 4.5). Niettemin heeft het hof - niet geheel consequent - één van de grieven van de schuldenaars tegen die tussenbeslissing behandeld. Het hof oordeelde dat het aanhouden van de beslissing als bedoeld in art. 354 lid 1 Fw in dit geval wettelijk toelaatbaar is (rov. 4.6).

1.7. De schuldenaars hebben ieder voor zich - tijdig(4) - cassatieberoep ingesteld. Er is geen verweerschrift in cassatie ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. De onderdelen 1 en 2 van het middel hebben betrekking op rov. 4.5. Onderdeel 1 komt neer op de klacht dat de uitsluiting van afzonderlijk (tussentijds) hoger beroep tenzij de rechter anders bepaalt, zoals bedoeld in art. 429n, derde lid, (oud) Rv, niet geldt voor schuldsaneringsprocedures en evenmin overeenkomstig mag worden toegepast. Onderdeel 2 klaagt subsidiair dat, ook al zou een uitsluiting van tussentijds hoger beroep gelden, het hof heeft miskend dat het vonnis van de rechtbank een gedeeltelijk eindvonnis (deelvonnis) was. In geval van hoger beroep tegen een deelvonnis mag volgens het middel ook het interlocutoire element van dat vonnis in het hoger beroep worden betrokken.

2.2. Alvorens op deze klachten in te gaan, schets ik in het kort de procedure voor beëindiging van de toepassing van een schuldsaneringsregeling. De normale gang van zaken is dat de rechtbank tegelijk met het saneringsplan de termijn vaststelt gedurende welke de schuldsaneringsregeling wordt toegepast (art. 343 lid 2 Fw). Tegen het einde van deze termijn wordt op voordracht van de rechter-commissaris, op verzoek van de bewindvoerder of van de schuldenaar dan wel ambtshalve door de rechtbank een zitting bepaald (art. 352 lid 1 Fw). Binnen acht dagen na deze zitting doet de rechtbank uitspraak over de vraag of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en of de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend (art. 354 lid 1 Fw). Zodra die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, gaat de bewindvoerder over tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. De toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt van rechtswege zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (art. 356 lid 2 Rv). Dit laatste brengt mee, dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op een latere datum kan eindigen dan de dag waarop de krachtens art. 343 lid 2 Fw vastgestelde termijn verstrijkt(5). Naast de gewone beëindiging van de toepassing van een schuldsaneringsregeling bestaat de mogelijkheid van een tussentijdse beëindiging door de rechter. Deze wordt geregeld in art. 350-351 Fw.

2.3. Een prealabele vraag is of cassatieberoep openstaat tegen de onderhavige niet-ontvankelijkverklaring door het hof. Art. 360 Fw bepaalt immers dat tegen de beslissingen van de rechter, ingevolge titel III gegeven, geen hogere voorziening openstaat behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald. Ten aanzien van schuldsaneringsprocedures bestaat derhalve een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Art. 360 Fw is ontleend aan art. 282 Fw. Volgens HR 10 juni 1983, NJ 1984, 270 m.nt. WHH, vallen onder de bepaling van art. 282 die beslissingen waartoe de rechter ingevolge enige bepaling van deze titel van de Faillissementswet uitdrukkelijk wordt geroepen(6). Art. 355 Fw opent voor de schuldenaar en voor de ter terechtzitting verschenen schuldeisers de mogelijkheid van hoger beroep tegen "het vonnis bedoeld in artikel 354". De vraag is, hoe dit laatste moet worden verstaan.

2.4. Buiten twijfel staat dat de wetgever hoger beroep mogelijk heeft willen maken tegen de materiële beslissing als bedoeld in art. 354 Fw. Zou art. 355 Fw zó worden gelezen, dat uitsluitend hoger beroep openstaat tegen het vonnis waarin een definitief oordeel wordt gegeven over de materiële vraag of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, zo ja, of deze tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend, dan zou geen hoger beroep open staan tegen een tussenbeslissing (in casu: tot het instellen van nader onderzoek), noch tegen een beslissing waarin de rechtbank vanwege een bevoegdheids- of ontvankelijkheidsprobleem, of om welke reden dan ook, niet toekomt aan de beantwoording van deze materiële vraag. M.i. is dat niet de bedoeling en heeft art. 355 Fw de strekking dat hoger beroep openstaat tegen iedere beslissing waartoe de rechter in een procedure ingevolge art. 354 Fw wordt geroepen. In deze opvatting is ook hoger beroep mogelijk tegen de tussenvonnissen en tegen de eindvonnissen waarin de rechtbank om enigerlei reden (nog) niet toekomt aan de materiële beslissing als bedoeld in art. 354 Fw. De slotsom is dat art. 360 Fw niet in de weg staat aan dit cassatieberoep(7).

2.5. Dan kom ik nu toe aan de klacht zelf. De twaalfde titel van Boek 1 (oud) Rv, waartoe art. 429n Rv behoorde, is slechts in werking getreden voor bepaalde procedures. Tot de aangewezen procedures behoren niet de schuldsaneringsprocedures als bedoeld in titel III van de Faillissementswet(8). Art. 429n (oud) Rv is dus niet rechtstreeks van toepassing. Van die gedachte is ook het hof in het bestreden arrest uitgegaan. Sedert 1 januari 2002 is het beginsel van uitsluiting van tussentijds hoger beroep opgenomen in art. 358 lid 3 Rv voor rekestprocedures. Eenzelfde regel geldt sinds 1 januari 2002 voor rolprocedures: zie art. 337 lid 2 Rv(9). De schuldsaneringsprocedures zijn na 1 januari 2002 rekestprocedures gebleven die in een vonnis eindigen. Sedert 1 januari 2002 bepaalt art. 362 lid 2 Fw dat de derde titel van boek 1 Rv (verzoekschriftprocedure in eerste aanleg) niet van toepassing is op verzoeken ingevolge de Faillissementswet(10). Een merkwaardig gevolg van het afsplitsen van de bepalingen omtrent het hoger beroep van beschikkingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering(11) is dat art. 362 lid 2 Fw nu alleen iets zegt over de niet-toepasselijkheid van de procedurevoorschriften in eerste aanleg. In het ongewisse blijft of in de bedoeling van de wetgever de nieuwe art. 358 - 362 Rv wel van toepassing zijn op surseance- en schuldsaneringsprocedures. Een aantal van die bepalingen botst met procedurele voorschriften in de Faillissementswet. De sleutelbepaling lijkt gelegen te zijn in het nieuwe art. 362 Rv: "voor zover uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit".

2.6. In dit geschil is het tot 1 januari 2002 geldende recht toepasselijk. De Hoge Raad heeft al meermalen bepalingen uit de twaalfde titel van het eerste boek (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overeenkomstig toegepast in gevallen waarin die bepalingen niet van toepassing waren doch zonder bezwaar konden worden toegepast. Het middel stelt de vraag aan de orde of ook art. 429n lid 3 (oud) Rv, zich leent voor overeenkomstige toepassing in procedures waarop dat artikel strikt genomen niet van toepassing is. Een aantal argumenten vóór en tégen analogische toepassing van art. 429n lid 3 (oud) Rv is uiteengezet in de alinea's 2.9 - 2.12 van de conclusie voor HR 14 juli 2000, NJ 2000, 715 m.nt. PAS, een huurzaak. Ik ben van mening dat een stelsel waarin tussentijds hoger beroep wordt uitgesloten tenzij de rechter anders bepaalt, in het algemeen de voorkeur verdient boven een stelsel waarin tussentijds hoger beroep mogelijk is tenzij de rechter anders bepaalt. De vraag is evenwel, of het de wetgever dan wel de rechter moet zijn die uitmaakt welk van beide stelsels geldt. In de genoemde huurzaak van 14 juli 2000, rov. 3.5, heeft de Hoge Raad voor dat geval geen aanleiding gezien tot overeenkomstige toepassing van het bepaalde in art. 429n lid 3 (oud) Rv.

2.7. In schuldsaneringsprocedures is de problematiek klemmender dan in de genoemde huurzaak. Een tussentijds hoger beroep verdraagt zich niet goed met de spoedeisende aard van schuldsaneringsprocedures. Die spoedeisende aard komt tot uitdrukking in de korte appeltermijn (8 dagen). Dat pleit voor een overeenkomstige toepassing van art. 429n (oud) Rv in schuldsaneringsprocedures, zoals het hof heeft gedaan. Tegen een overeenkomstige toepassing pleit dat de wetgever de twaalfde titel van boek I (oud) Rv niet van toepassing heeft verklaard in schuldsaneringsprocedures en, blijkens art. 362 lid 2 (nieuw) Fw, in elk geval voor wat betreft de procedurevoorschriften in eerste aanleg daar nog steeds niet voor voelt. Per saldo meen ik dat de techniek van analogische wetstoepassing hier zijn grens vindt en dat voor een niet-ontvankelijkverklaring op de door het hof gebezigde grond geen plaats is(12). Ik acht de klacht dus gegrond.

2.8. In een voetnoot onder de beide vonnissen van de rechtbank d.d. 18 december 2001 staat in een klein lettertype de volgende standaardtekst:

"Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat en procureur binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen."

Deze tekst roept de vraag op of de rechtbank in de zin van art. 429n, derde lid (oud) Rv heeft bepaald dat hoger beroep openstaat vóór het eindvonnis. Een bevestigend antwoord op die vraag is door geen der partijen verdedigd. M.i. gaat het om een rechtsmiddelvermelding door de griffier en niet om een deel van het vonnis.

2.9. Bij gegrondbevinding van onderdeel 1 kan de subsidiaire klacht van onderdeel 2 onbesproken blijven. Niettemin wil ik onderdeel 2 bespreken. In de jurisprudentie over art. 337 lid 2 (oud) Rv(13) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat wanneer sprake is van een gedeeltelijk eindvonnis (d.w.z. wanneer in het vonnis omtrent enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde aan het geding wordt gemaakt), hoger beroep tegen het finale gedeelte van het vonnis moet worden ingesteld binnen de appeltermijn. De verklaring van de rechter op de voet van art. 337 lid 2 (oud) Rv, dat tussentijds hoger beroep van het vonnis niet is toegestaan, doet aan niet af aan die appeltermijn. Stelt een procespartij binnen die appeltermijn hoger beroep in tegen het deelvonnis, dan mag zij, niettegenstaande de rechterlijke verklaring ex art. 337 lid 2 (oud) Rv, naast haar grieven tegen het finale gedeelte van het vonnis ook grieven richten tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis(14). In de vakliteratuur is de vraag gerezen of deze jurisprudentieregel ook moet worden toegepast wanneer sprake is van een deelbeschikking in een rekestprocedure. Dat zou betekenen dat - niettegenstaande art. 429n, derde lid (oud) Rv - tegelijk met de grieven tegen het finale gedeelte van de beschikking ook grieven mogen worden gericht tegen het interlocutoire gedeelte van de beschikking vóórdat de eindbeschikking is gegeven. In de literatuur wordt deze vraag bevestigend beantwoord(15). Ik sluit me daarbij aan en acht onderdeel 2 gegrond.

2.10. Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 4.6. De schuldenaars wijzen op art. 354 lid 1 Fw, waar wordt bepaald dat de rechtbank uitspraak doet "op de dag van de terechtzitting, of anders uiterlijk op de achtste dag daarna". Volgens het onderdeel biedt deze wettelijke termijn de rechtbank geen ruimte om de beslissing over de schone lei langer dan acht dagen aan te houden. Het onderdeel vervolgt: "Voor zover er op het moment van de bedoelde terechtzitting (...) geen aanleiding is om aan te nemen dat de schuldenaar (toerekenbaar) is tekortgeschoten (...) dient aan de schuldenaar de schone lei te worden gegeven".

2.11. De ratio van de termijn van acht dagen in art. 354 Fw is niet met zoveel woorden vastgelegd. Zij kan worden afgeleid uit art. 352 Fw. De wetgever heeft zich voorgesteld dat uiterlijk een maand vóórdat de termijn verstrijkt gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is, een zittingsdatum wordt bepaald. De zitting wordt binnen 14 - 21 dagen nadien gehouden. Er resteert dan nog (ruim) een week vóórdat de krachtens art. 343 lid 2 Fw vastgestelde termijn verstrijkt.

2.12. De schuldenaars hebben er belang bij, dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet eindigt vóórdat de schone lei-verklaring wordt gegeven (zie alinea 1.5 hiervoor). Aan dat belang is door het hof reeds tegemoet gekomen. De toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt pas nadat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden(16). Ik zie onvoldoende reden om aan te nemen dat de wetgever de termijn van acht dagen na de terechtzitting als een fatale beslistermijn heeft beschouwd. De schuldenaars hebben er vanzelfsprekend belang bij, zo spoedig mogelijk uitsluitsel te verkrijgen of zij in aanmerking komen voor de schone lei-verklaring. Daartegenover staat dat een schone lei-verklaring ingrijpende gevolgen heeft voor de schuldeisers. Op de schuldenaar rust een verplichting om tijdens de schuldsaneringsperiode een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning te leveren, opdat zoveel mogelijk activa in de boedel worden gebracht in het belang van de schuldeisers(17). De schuldeisers moeten erop kunnen vertrouwen dat de rechtbank verifieert of aan deze verplichting (en aan andere verplichtingen) door de schuldenaar is voldaan. Dit belang van de schuldeisers brengt mee dat de opvatting van de schuldenaars, zoals geciteerd in het slot van alinea 2.10, niet kan worden aanvaard. Blijkbaar heeft de rechtbank in de verklaring van de ter zitting verschenen schuldeisers aanleiding gezien tot nader onderzoek. Het belang van dat onderzoek rechtvaardigt een overschrijding van de termijn van acht dagen.

2.13. De mogelijkheid van herroeping van de schone lei (art. 358a Fw) staat m.i. los van de vraag of de termijn van acht dagen in art. 354 lid 1 Fw overschreden mag worden. Bovendien geldt art. 358a Fw voor feiten of omstandigheden die ná de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling aan het licht komen. Het voorgaande voert tot de slotsom dat rov. 4.6 tevergeefs wordt bestreden. Ook de motiveringsklacht faalt: een rechtsoordeel kan niet met vrucht met motiveringsklachten worden bestreden. Overigens acht ik de motivering in rov. 4.6 niet onbegrijpelijk.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Ingevolge art. 15b lid 1 Fw in verbinding met de overgangsbepaling in art. II van de wet van 25 juni 1998, Stb. 445, kon het faillissement worden opgeheven en gelijktijdig de schuldsaneringsregeling van toepassing worden verklaard.

2 Dit is de gangbare aanduiding voor het rechtsgevolg als bedoeld in art. 358 Fw, waarvoor essentieel is of de rechter heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten zonder dat het een tekortkoming betreft die, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (art. 354 lid 1 en lid 2 Fw).

3 De namen van deze getuigen zijn genoemd in een brief d.d. 17 december 2001 van de raadsman van de schuldenaars. Zij zouden een verklaring kunnen afleggen over werkzaamheden van de man gedurende het schuldsaneringstijdvak.

4 Op grond van art. 355 Fw staat voor de schuldenaar en de verschenen schuldeisers binnen 8 dagen hoger beroep open. Het tweede lid verklaart art. 342, derde lid, Fw van toepassing. Hieruit volgt dat gedurende 8 dagen na het arrest cassatieberoep kan worden ingesteld door middel van indiening van een verzoekschrift bij de griffie van de Hoge Raad.

5 Dit laatste is door de wetgever onderkend, maar onvermijdelijk bevonden: MvT, TK 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 66. Zie i.h.a. over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling: Polak-Wessels, Insolventierecht IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), hoofdstuk IX; R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (1998), hoofdstuk 10; N.J. Polak/C.E. Polak, Faillissementsrecht (1999), hoofdstuk 25.

6 Zie ook: HR 15 december 2000, NJ 2001, 262 m.nt. PvS, waar wel de ontvankelijkheidsvraag maar niet een tussenbeslissing aan de orde was, en Polak-Wessels, Insolventierecht VIII (2000) nrs. 8457-8458.

7 Art. 399 Rv staat m.i. evenmin in de weg aan het cassatieberoep: de niet-ontvankelijkverklaring is een eindbeslissing, waarop het hof niet terug kan komen. Zie verder: H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. 1998, nr. 265.

8 Zie losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 en 55 e.v. op Boek I, titel 12 (oud) Rv (J.E. Doek en E.M. Wesseling-van Gent); vgl. de noot van J.B.M. Vranken, NJ 1991, 36, punt 1.

9 Ingevolge de overgangsbepaling (art. VII lid 2) blijft het tot 1 januari 2002 geldende procesrecht van toepassing t.a.v. de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing die voor die datum tot stand is gekomen.

10 Wet van 6 december 2001, Stb. 581, aanpassing Fw aan het gewijzigde W.v.B.Rv., onderdeel G. De MvT vermeldt dat "voor verzoekschriftprocedures ingevolge de Faillissementswet, gegeven de specifieke rechtsgang die in die wet is neergelegd, de derde titel buiten toepassing zou moeten worden verklaard" (TK 2000/01, 27 824, nr. 3 blz. 3).

11 De inhoud van art. 429n - 429q (oud) Rv is overgebracht naar titel VII van boek I Rv (art. 358 -362 nieuw Rv). Aan die keuze lagen wetssystematische redenen ten grondslag: MvT 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 161.

12 In de rechtspraak vond ik geen precedent. HR 15 juli 1985, NJ 1985, 856 betrof het appel tegen een vergelijkbare tussenbeslissing in een procedure tot faillietverklaring, maar in die zaak was het appel gelijktijdig ingesteld met het appel tegen de einduitspraak.

13 De bepaling dat de rechter tussentijds hoger beroep van incidentele en interlocutoire vonnissen kan uitsluiten.

14 HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS; HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482.

15 Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), nr. 368 in fine, met verdere verwijzingen.

16 Tenzij er reden zou zijn voor een tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 Fw.

17 MvT, TK 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 6.