Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2761

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
21-08-2002
Zaaknummer
00965/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2761
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

.

Wetsverwijzingen
Grondwet 121, geldigheid: 2002-07-09
Wetboek van Strafvordering 269, geldigheid: 2002-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 00965/01

Mr Wortel

Zitting: 7 mei 2002

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1) "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven"; 2) "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder van die organisatie is"; 3) "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd"; en 4) "medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, negen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste tot en met het achtste middel behelzen klachten ten aanzien van de verwerping van de in hoger beroep gevoerde verweren, gericht tegen een door het openbaar ministerie met een zekere [betrokkene 1] gesloten overeenkomst. De steller van de middelen heeft die van inleidende opmerkingen voorzien, waarin op het volgende is gewezen. [Betrokkene 1] is als verdachte aangemerkt in een zogeheten 'Carex-onderzoek', dat is gehouden onder verantwoordelijkheid van het arrondissementsparket te Haarlem. De aan dat parket verbonden officier van justitie [...] heeft onderhandelingen met [betrokkene 1] gevoerd met het oog op een overeenkomst die evenwel niet tot stand is gekomen. [Betrokkene 1] is door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. Daarbij is hij vrijgesproken van betrokkenheid bij het binnen Nederland brengen van 700 kilogram cocaïne. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.

De aan het Landelijk Parket verbonden officier van justitie [...] is besprekingen met [betrokkene 1] aangegaan, die wèl tot een overeenkomst (gesloten op 6 november 1998) hebben geleid. In verband met (onderhandelingen over) die overeenkomst heeft [betrokkene 1] verschillende voor verzoeker belastende verklaringen afgelegd. Nadien heeft het openbaar ministerie het hoger beroep tegen de uitspraak van de Haarlemse Rechtbank ingetrokken. [Betrokkene 1] is in de met hem gesloten overeenkomst strafvermindering toegezegd. Een groot aantal van de door hem afgelegde verklaringen is in de onderhavige zaak voor het bewijs gebruikt.

4. Het eerste middel keert zich tegen 's Hofs beslissing om geluidsbanden, waarop verhoren van [betrokkene 1] zijn opgenomen, met gesloten deuren ter terechtzitting te doen afspelen.

5. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is ter terechtzitting van 14 februari 2000 het verzoek van de verdediging om ter terechtzitting geluidsbanden af te spelen ter sprake geweest. Uit de stukken (onder meer het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 februari 2000) valt op te maken dat het gaat om opnamen van verhoren die [betrokkene 1] zijn afgenomen in de loop van het 'Haarlemse onderzoek', in verband met de overeenkomst die toen niet tot stand is gekomen.

De op die terechtzitting van 14 februari 2000 als getuige aanwezige [betrokkene 1] heeft opgemerkt dat hij enkele dagen nadien zijn advocaat zou spreken; dat hij eventueel nog "een klein bezwaar" met die advocaat wilde bespreken, dat niets met de inhoud van de opgenomen gesprekken te maken had, maar samenhing met het in het openbaar afspelen ervan.

Na beraad heeft de voorzitter als beslissing van het Hof medegedeeld dat, ervan uitgaande dat [betrokkene 1] daarvoor toestemming zou geven, de geluidsbanden dienden te worden overgelegd, met dien verstande dat het Hof er de voorkeur aan gaf de banden met gesloten deuren af te spelen. De getuige [betrokkene 1] heeft vervolgens opgemerkt dat hij er geen bezwaar tegen had dat de banden met gesloten deuren ter terechtzitting afgespeeld zouden worden.

Ter terechtzitting van 17 februari 2000 heeft de advocaat-generaal medegedeeld telefonisch van de officier van justitie [...] te hebben vernomen dat deze geen bezwaar had tegen het overleggen van de geluidsbanden, ofschoon hij zich nog wel wilde verstaan met Van Brummen (destijds hoofdofficier van justitie te Haarlem), in verband met de mogelijkheid dat de geluidsbanden gevoelige informatie over lopende onderzoeken zouden bevatten.

6. Ter terechtzitting van 13 april 2000 was [betrokkene 1] wederom als getuige aanwezig. Die verklaarde onder meer:

"De voorzitter deelt mij mede dat over enkele ogenblikken de geluidsopnamen van de verhoren in Haarlem zullen worden afgespeeld. Ik ben daarmee eerder accoord gegaan. Ik heb mijn toestemming voor het afspelen van die geluidsopnamen slechts gegeven onder de voorwaarde dat dit zou geschieden tijdens een zitting met gesloten deuren. Daar blijf ik bij."

De raadsman van verzoeker heeft daarop te kennen gegeven de openbaarheid van de terechtzitting in het algemeen een groot goed te vinden, en verzocht de deuren gedurende het afspelen van de geluidsbanden niet te sluiten.

De voorzitter deelde mede dat de op de vorige terechtzitting genomen beslissing tot het doen afspelen van de geluidsopnamen tijdens een zitting met gesloten deuren "mede was ingegeven door de visie van [...], inhoudende dat - conform de door hem met [betrokkene 1] gemaakte afspraak - de inhoud van de op geluidsband vastgelegde verhoren bij het niet sluiten van de deal niet in de openbaarheid zou komen, alsook het standpunt van [betrokkene 1]".

Daarop heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij zijn toestemming voor het afspelen van de geluidsopnamen introk, indien dit zou gaan gebeuren tijdens een openbare terechtzitting.

De raadsman van verzoeker deelde vervolgens mede dat hij zijn verzoeken (de deuren tijdens het afspelen niet te sluiten en op schrift gestelde woordelijke uitwerkingen van de gesprekken aan het dossier te doen toevoegen) in het belang van de verdediging introk.

7. In het middel wordt betoogd dat de art. 269 Sv en 6 EVRM zijn geschonden, nu het Hof niet op begrijpelijke en toereikende wijze de omstandigheden heeft genoemd die zwaarder kunnen wegen dan het in deze bepalingen onderstreepte 'eminente belang' dat de behandeling van een strafzaak ter openbare terechtzitting plaatsvindt. Naar het inzicht van de steller van het middel kunnen de door het Hof genoemde redenen - de visie van [...] en het standpunt van [betrokkene 1] - niet de in art. 269 Sv bedoelde gewichtige redenen opleveren.

8. De motivering van 's Hofs beslissing wordt ontoereikend of onbegrijpelijk genoemd omdat het Hof niet heeft aangegeven onder welke van de in art. 6, eerste lid, EVRM en art. 269 Sv genoemde belangen - goede zeden, openbare orde, nationale veiligheid, persoonlijke levenssfeer van een procesdeelnemer of behoorlijke rechtspleging - de visie van [...] en het standpunt van [betrokkene 1] gerangschikt moeten worden.

9. Het komt mij voor dat van de rechter, die een voldoende reden aanwezig acht om af te wijken van het uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting in het openbaar geschied en de deuren gedurende (een deel van) de behandeling te sluiten, niet gevergd behoeft te worden dat hij nadrukkelijk opgeeft onder welke van de in art. 269, eerste lid, Sv genoemde gronden die reden te brengen is.

10. Voorts lijken de hier bestreden overwegingen mij slechts voor één uitleg vatbaar: het Hof heeft de in art. 269, eerste lid, Sv bedoelde 'gewichtige redenen' gevonden in de destijds aan [betrokkene 1] gedane toezegging dat diens op geluidsband opgenomen verklaringen niet in de openbaarheid zouden komen indien de overeenkomst, in verband waarmee [betrokkene 1] die verklaringen heeft afgelegd, niet tot stand zou komen. In deze overwegingen ligt besloten dat het Hof er niet aan voorbij kon gaan dat [betrokkene 1] een rechtens te respecteren belang bij naleving van die toezegging had; dat het afspelen van de geluidsbanden zonder toestemming van [betrokkene 1] niet zou kunnen plaatsvinden omdat dit jegens onrechtmatig zou zijn, en voorts geoordeeld dat met het sluiten der deuren gedurende het afspelen van de geluidsbanden bereikt kon worden dat [betrokkene 1]s te respecteren rechten zouden worden ontzien en tegelijkertijd de belangen van de verdediging in toereikende mate konden worden gediend.

11. In aanmerking genomen dat [betrokkene 1] zich nadrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn toestemming om de geluidsbanden ter terechtzitting ten gehore te brengen zou intrekken indien de deuren niet gesloten zouden worden is dit oordeel niet onbegrijpelijk te noemen.

Het laat zich aldus verstaan dat het Hof de 'gewichtige redenen' die art. 269 Sv verlangt om - als uitzondering op de in beginsel verlangde openbaarheid van de behandeling ter terechtzitting - de deuren te sluiten heeft gevonden in zowel het belang van een "anderszins bij de zaak betrokkene" als bedoeld in die bepaling als in het belang van een goede rechtspleging.

12. Daarom doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, niet af dat [betrokkene 1] ter terechtzitting van 14 februari 2000 opmerkte dat hij nog een "klein bezwaar" met zijn advocaat wenste te bespreken dat niet de inhoud van de opgenomen gesprekken betrof. Het Hof kon, mede omdat [betrokkene 1] ter terechtzitting van 13 april 2000 nadrukkelijk te kennen gaf dat hij zijn toestemming om de geluidsbanden ter terechtzitting ten gehore te brengen zou intrekken indien de deuren daartoe niet gesloten zouden worden, aan die opmerking de betekenis toekennen dat [betrokkene 1] slechts wilde verhinderen dat zijn in vertrouwelijkheid afgelegde verklaringen, door het afspelen van de geluidsbanden ter openbare terechtzitting, in bredere kring bekend zouden worden, maar dat hij er geen bezwaar tegen had dat de verdediging, de advocaat-generaal en het Hof kennis zouden nemen van de inhoud van die gesprekken.

13. Aan de begrijpelijkheid van dit oordeel doet evenmin af dat bij het bereiken ervan reeds ter openbare terechtzittingen verklaringen waren afgelegd door zowel [betrokkene 1] als de betrokken officier van justitie, [...]. Die omstandigheid laat onverlet dat [betrokkene 1] zich op het standpunt kon stellen dat de desbetreffende gesprekken passages bevatten waaraan ook door het afleggen van die verklaringen nog geen ruchtbaarheid was gegeven, en dat hij nadeel te duchten had van het wèl in bredere kring bekend worden van de volledige inhoud van die verklaringen. In verband daarmee kon het Hof oordelen dat [betrokkene 1], ook nadat hijzelf en [...] ter terechtzitting waren gehoord, goede redenen kon hebben om zich op de hem toegezegde vertrouwelijkheid van de gesprekken te blijven beroepen en op die basis zijn toestemming aan het ter terechtzitting afspelen daarvan te blijven verbinden aan sluiting der deuren.

14. Mij dunkt dat niet gezegd kan worden dat het Hof zodoende heeft toegegeven aan wat in de toelichting op het middel wordt genoemd: een chanterende 'kroongetuige'. 's Hofs klaarblijkelijk oordeel dat de getuige niet het recht kan worden ontzegd zich te beroepen op de vertrouwelijkheid van zijn verklaringen, nu die vertrouwelijkheid hem was toegezegd voor geval de overeenkomst met het openbaar ministerie, met het oog waarop hij die verklaringen aflegde, niet tot stand zou komen en die overeenkomst inderdaad is uitgebleven; dat daaruit voorvloeit dat de opnamen van de verklaringen niet ter terechtzitting afgespeeld konden worden zonder toestemming van de getuige, en dat, aangezien de verdediging belang kon hebben bij het ter terechtzitting beluisteren van die opnamen, zowel de belangen van een goede rechtspleging als de belangen van de getuige vergden dat de openbaarheid van de terechtzitting opgeheven diende te worden gedurende het aldaar beluisteren van de opnamen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikende gemotiveerd,

-het door de verdediging gedane verzoek om het zogenaamde Carex-dossier aan de stukken van dit geding toe te voegen, althans de verdediging inzage in dat Carex-dossier te geven, heeft afgewezen;

-heeft beslist dat de officier van justitie [...], als getuige gehoord, geen antwoord behoefde te geven op vragen die betrekking hadden op zwart gemaakte passages in zogenaamde 'CTC-stukken' en het verzoek van de verdediging om de zwart gemaakte passages leesbaar te maken heeft afgewezen, en

-heeft beslist dat de officier van justitie [...], als getuige gehoord, geen antwoord behoefde te geven op de vragen of [betrokkene 1] in het kader van de afgeketste overeenkomst over [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft gesproken, en of de verklaringen van [betrokkene 1] in de ogen van de getuige betrouwbaar waren.

16. Opmerking verdient dat zich in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier stukken bevinden die kennelijk opgesteld zijn in de loop van het 'Carex-onderzoek', met name een persoonsdossier betreffende [betrokkene 1] en een zogenaamd stam-proces-verbaal. Het moet er voor gehouden worden dat deze stukken zich ook bij de behandeling in hoger beroep in dit dossier bevonden.

17. Kennelijk bij wege van algemene toelichting op diens verzoek stukken aan het dossier betreffende de onderhavige zaak toe te voegen heeft de raadsman ter terechtzitting van 10 januari 2000 medegedeeld

"dat hij weliswaar geen enkele aanwijzing heeft voor eventuele opzettelijk begane onregelmatigheden van de zijde van justitie in deze zaak, doch dat met het slechts als getuigen horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] niet kan worden toegekomen aan een behoorlijke toetsing van de subsidiariteit en proportionaliteit met betrekking tot de door justitie met [betrokkene 1] aangegane deal."

Blijkens het proces-verbaal van de op 17 januari 2000 gehouden terechtzitting heeft het Hof op de door de raadsman gedane verzoeken beslist, voor zover hier van belang:

"Wat betreft het door de raadsman genoemde stuk met het standpunt van het College van Procureurs-Generaal inzake de overeenkomst met [betrokkene 1]: hiervan wordt de advocaat-generaal verzocht een kopie over te leggen, aangezien thans nog niet duidelijk is of dit stuk zich reeds in het dossier bevindt.

De (overige) verzoeken tot toevoeging aan het dossier van de in de brief van mr. Meijering van 7 januari 2000 (onder B 1 t/m 7, 9 en 10) en ter terechtzitting van 10 januari 2000 genoemde bescheiden - voorzover deze stukken niet reeds deel uitmaken van het dossier - worden afgewezen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte hierdoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, nu niet valt in te zien dat kennisneming van de inhoud van bedoelde stukken van belang kan zijn voor enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing.

Het hof heeft hierbij in het bijzonder - met betrekking tot de hierna te noemen stukken of voorwerpen - nog het volgende overwogen.

(...)

- de Haarlemse "Carex"-stukken -

De getuige [getuige 1] kan worden gehoord over het al dan niet bestaan van een requisitoir op schrift en/of een appèlmemorie, alsmede over de omstandigheden aangaande het SFO tegen [betrokkene 1].

- de stukken met betrekking tot de "kroongetuige-deal"-

Het hof gaat er vooralsnog van uit dat alle betreffende stukken zich in het dossier bevinden. De advocaat-generaal wordt verzocht na te gaan of deze veronderstelling juist is en voorts, of er uit het oogpunt van opsporingsbelangen en dan wel de veiligheid van personen nog steeds bezwaren bestaan tegen het weer leesbaar maken van de in deze stukken onleesbaar gemaakte passages."

18. Als getuigen zijn ter terechtzitting in hoger beroep onder anderen gehoord:

(op 31 januari 2000) de officieren van justitie [...] en [...],

(op 10 februari 2000) [betrokkene 1],

(op 14 februari 2000) [betrokkene 1],

(op 17 februari 2000) de advocaat-generaal [getuige 2] en de officier van justitie [...]

(op 21 februari 2000) de officier van justitie [getuige 1],

(op 13 april 2000, 17 april 2000, 27 april 2000 en 22 mei 2000 naar aanleiding van het afspelen van bovengenoemde geluidsbanden) [betrokkene 1],

(op 3 juli 2000) de officier van justitie [...].

Kennisneming van deze verklaringen leert dat bij het horen van [...], [...], en [betrokkene 1] uitvoerig aan de orde is geweest welke tegenprestaties [betrokkene 1] zijn toegezegd in verband met de met hem gesloten overeenkomst. Daarbij is ook ter sprake geweest of het intrekken van door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep in verband met die overeenkomst heeft gestaan. Het verhoor van de advocaat-generaal [getuige 2] was geheel gericht op dat intrekken van het hoger beroep, waartoe zij in de hoedanigheid van contactadvocaat-generaal voor het Haarlemse parket heeft geadviseerd. Ook het verhoor van de officier van justitie [getuige 1], die als zaaksofficier van justitie in de Haarlemse zaak is opgetreden en uit dien hoofde betrokken is geweest bij het instellen, en vervolgens weer intrekken, van het hoger beroep, was geheel op dit onderwerp gericht.

19. Tijdens het horen van de getuige [...] ter terechtzitting van 31 januari 2000 is ter sprake gekomen dat op bescheiden betreffende besluitvorming binnen de CTC (de Centrale Toetsingscommissie van het openbaar ministerie) passages zwart zijn gemaakt. De getuige heeft in verband met het onleesbaar maken van die passages de naam van [betrokkene 11] genoemd. Bedoelde bescheiden bevinden zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Kennisneming ervan leert dat [betrokkene 11] is opgetreden als (fungerend) voorzitter van de CTC.

Het Hof heeft op deze terechtzitting de advocaat-generaal verzocht om een aanvullend proces-verbaal, waarin ten aanzien van elk der zwart gemaakte passages in deze bescheiden is aangegeven wat daarvoor de reden is geweest, dan wel de onleesbaar gemaakte tekst (alsnog) is weergegeven voor zover zou worden bevonden dat er geen belemmering meer is die tekst bekend te maken.

20. Bij zijn volgend verhoor, op 17 februari 2000, heeft de getuige [...] desgevraagd verklaard dat hij zelf [betrokkene 11] had voorgesteld de desbetreffende passages in de CTC-stukken onleesbaar te maken. Voorts heeft de getuige opgegeven betrokken te zijn geweest bij het opstellen van een brief van [betrokkene 11] gedateerd 8 februari 2000. Die brief met daaraan gehechte bijlagen bevindt zich bij de Hoge Raad toegezonden stukken. Zij vormt een reactie op het verzoek dat het Hof tot de advocaat-generaal richtte ter terechtzitting van 31 januari 2000. De getuige is er op gewezen dat er in die brief melding van is gemaakt dat één der zwart gemaakte passages de vaststelling betrof dat [getuige 1] de Rechtbank zou mededelen niet al te veel haast te maken bij het uitwerken van het vonnis.

De getuige gaf op dat deze passage was zwart gemaakt "vanwege al het gedoe rond het appèl en of ik de CTC al dan niet goed had voorgelicht"; dat (het zwart maken van) de passage niets met opsporings- of afschermingsbelangen te maken had, maar dat de getuige die passage van geen enkele toegevoegde waarde had geacht en dat het niet zijn prioriteit was om "binnen het OM bestaande stoornissen" naar buiten te brengen.

Met betrekking tot de brief van [betrokkene 11] van 8 februari 2000 wilde de getuige voorts geen antwoord geven op de vraag of bepaalde passages (kennelijk passages waarvan de tekst naar het inzicht van [betrokkene 11] nog steeds niet kon worden onthuld) betrekking hadden op lopende, dan wel aan te vangen onderzoeken of op andere verdachten. Die weigering moet, gelet op bedoelde brief, betrekking hebben gehad op een drietal zwart gemaakte passages, die volgens [betrokkene 11] zien op het belang die de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen zouden kunnen hebben voor "andere lopende en aan te vangen onderzoeken"

21. De raadsman verzocht het Hof de getuige te bevelen de inhoud van de zwart gemaakte stukken kenbaar te maken, daarbij het standpunt betrekkend dat omtrent de inhoud van die passages volledige openheid betracht moest worden, nu deze betrekking kon hebben op onbekende informatie die de CTC is voorgehouden teneinde deze commissie te overtuigen van de noodzaak een deal met [betrokkene 1] te sluiten, en dat het mogelijk was dat de CTC met een onzuiver oogmerk is benaderd.

Dat verzoek heeft het Hof na beraad afgewezen, waarbij de voorzitter heeft opgemerkt dat het Hof "niet de indruk heeft dat op dit punt belangrijke informatie wordt achtergehouden door de getuige, en dat het dient te oordelen omtrent de deal op basis van de beschikbare gegevens in het dossier, wat er overigens zij van de inhoud van de zwart gemaakte passages in de CTC stukken".

22. De getuige [...] heeft ter terechtzitting van 31 januari 2000 verklaard dat hij - in het kader van de 'mislukte deal' - samen met zekere [betrokkene 5] gesprekken met [betrokkene 1] heeft gevoerd, waarbij de laatste over vele dingen wilde praten waarin [...] en [betrokkene 5] niet geïnteresseerd waren. Onder meer wilde [betrokkene 1], aldus de getuige, ongevraagd verklaren over [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. De getuige wilde niet verder ingaan op hetgeen hij al dan niet met [betrokkene 1] had besproken, doch merkte op dat het ging in de trant van "hou nou eens op over [betrokkene 2] en [betrokkene 3]".

Bij het horen van deze getuige had de raadsman kennelijk te beschikking over een kopie van een verklaring die [...] reeds bij de rechter-commissaris had afgelegd, met daarop aantekeningen van [betrokkene 1]. Dat stuk is [...] getoond. Hij verklaarde dat hetgeen [betrokkene 1] in de marge van [...]' eerder afgelegde verklaring had geschreven absoluut onjuist is. Voorts verklaarde [...] dat [betrokkene 1] onbetrouwbaar is in zijn uitlatingen omtrent de gesprekken die hij met [...] en [betrokkene 5] voerde - waarbij [...] opmerkte dat hij het gevoel had dat zekere Verhoef (blijkens de stukken een advocaat die in de Haarlemse zaak als raadsman van [betrokkene 1] is opgetreden) een sturende rol heeft gespeeld ten aanzien van hetgeen [betrokkene 1] omtrent die gesprekken heeft verklaard - maar dat [betrokkene 1] naar het inzicht van [...] betrouwbaar is in zijn verklaringen over andere verdachten, waaronder verzoeker.

23. Daarop heeft de raadsman het Hof verzocht te beslissen of de getuige gehouden was antwoord te geven op de vraag of [betrokkene 1] over [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft gesproken, en of die verklaringen in de ogen van de getuige betrouwbaar waren.

Na beraad heeft de voorzitter medegedeeld dat het Hof had vastgesteld dat de getuige inhoudelijke informatie heeft gegeven over de eerste (mislukte) deal, namelijk dat de inhoud daarvan in grote lijnen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen die [betrokkene 1] in het kader van de tweede deal heeft afgelegd; dat het Hof geen aanleiding vond om aan de mededelingen van de getuige te twijfelen, en dat het Hof er allereerst toe over wilde gaan [betrokkene 1] zelf als getuige te horen. De beslissing op het verzoek van de raadsman luidde aldus dat de getuige [...] geen antwoord behoefde te geven op de door de raadsman bedoelde vragen.

24. Ter terechtzitting van 3 juli 2000, nadat [...] andermaal als getuige was gehoord, verzocht de raadsman

"a)toevoeging aan het dossier van de onderhavige zaak van het Haarlemse Carex-dossier, met inbegrip van het proces-verbaal van de terechtzitting in de zaak tegen [betrokkene 1], althans de verdediging in de gelegenheid te stellen dit dossier in te zien om te bezien welke stukken daaruit aan het dossier van deze zaak dienen te worden toegevoegd, zulks ter beoordeling van de haalbaarheid van het hoger beroep in die zaak in verband met de intrekking ervan;

b) te doen navragen bij de hoofdofficier van justitie en de CID-chef te Haarlem, alsmede bij de CID-officier van justitie van het LRT of bij (een van) hen van [betrokkene 1] afkomstige (CID-)informatie aanwezig is over (een) cocaïnetransport(en) met betrekking tot (een van) de verdachte(n) in de onderhavige zaak en/of de Haarlemse Carex-zaak, ook indien die informatie over [betrokkene 3] en [betrokkene 2] gaat en raakvlakken heeft met de onderhavige zaak in dier voege, dat er transporten zijn afgedekt;

een en ander ter toetsing van de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] en diens in de onderhavige zaak afgelegde verklaringen."

Daarop heeft het Hof ter terechtzitting beslist:

"dat de verzoeken ad a) en b) worden afgewezen, nu niet valt in te zien wat toewijzing ervan nog - verder - kan bijdragen tot enige door het hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing, aangezien - wat er ook zij van de intrekking van het hoger beroep in de zaak tegen [betrokkene 1] - niet aannemelijk is geworden dat zulks is geschied met het oog op het verkrijgen van onbetrouwbare of onjuiste verklaringen zijnerzijds, terwijl evenmin enig aanknopingspunt aannemelijk is geworden voor de veronderstelling dat (een van) de door de raadsman genoemde personen (nog) zou beschikken over de door hem bedoelde (CID-)informatie, zulks mede gelet op de heden door de getuige [...] afgelegde verklaring dienaangaande."

25. Bij beoordeling van het middel, dat zich tegen de diverse, hierboven weergegeven beslissingen van het Hof richt, dient voorop gesteld te worden dat het Hof telkens de juiste maatstaf heeft gehanteerd.

Het in de brief van de raadsman van 7 januari 2000 (voorafgaand aan de behandeling ter terechtzitting) gedane verzoek is terecht beoordeeld met als criterium of verzoeker door het niet aan het dossier toevoegen van de door de raadsman bedoelde stukken redelijkerwijs in zijn belangen zou worden geschaad.

In 's Hofs overweging dat het ter terechtzitting van 3 juli 2000 opnieuw gedane verzoek om de stukken betreffende de Haarlemse strafzaak aan het dossier toe te voegen (wederom) afgewezen diende te worden omdat niet viel in te zien wat die toevoeging zou kunnen bijdragen tot de door het Hof te nemen beslissingen, aangezien niet aannemelijk was geworden dat het intrekken van het appèl in die zaak is ingegeven door het verlangen onbetrouwbare of onjuiste verklaringen van [betrokkene 1] te verkrijgen, en overigens ook niet aannemelijk was geworden dat de door de raadsman genoemde functionarissen beschikten over van [betrokkene 1] afkomstige (CID-)informatie, ligt besloten dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. Derhalve is - daar het verzoek ter terechtzitting is gedaan - ook dat hernieuwde verzoek naar de juiste maatstaf beoordeeld.

26. In de toelichting op het middel (onder 2.11 en 2.12) wordt gesteld dat 's Hofs overwegingen niettemin onduidelijk zijn. Die onduidelijkheid zou erin gelegen zijn dat in het ongewisse blijft of het Hof het Carex-dossier niet van belang heeft geacht omdat

-hetzij de (proportionaliteit van) de aan [betrokkene 1] toegezegde tegenprestatie geen enkele invloed heeft,

-hetzij de proportionaliteit van de toegezegde tegenprestatie alleen aan de orde kan komen voor zover een disproportionele tegenprestatie is toegezegd met het oogmerk onjuiste of onbetrouwbare verklaringen te verkrijgen,

terwijl de overwegingen in beide interpretaties zouden getuigen van een onjuiste rechtsopvatting,

-hetzij het Hof heeft gemeend dat kennisneming van het Carex-dossier niet kan bijdragen aan beoordeling van de proportionaliteitskwestie,

in welk geval zijn overwegingen onbegrijpelijk zouden zijn.

27. Ik zie die onduidelijkheid in 's Hofs overwegingen niet. Naar mijn inzicht komt in hetgeen ter terechtzitting van 17 januari 2000 en 3 juli 2000 ter afwijzing van de verzoeken tot bijvoeging van de Haarlemse stukken is overwogen duidelijk naar voren dat het Hof heeft onderkend dat ter beoordeling van de rechtmatigheid van de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst, en de waarde van de als uitvloeisel van die overeenkomst afgelegde verklaringen, belang toekwam aan de door het openbaar ministerie toegezegde tegenprestatie, in het bijzonder aan het antwoord op de vraag of intrekking van het in de zaak tegen [betrokkene 1] ingestelde appèl tot die tegenprestatie behoorde.

28. Bij de eerste gelegenheid heeft het Hof evenwel vastgesteld dat het horen van de betrokken officier van justitie voldoende klaarheid zou kunnen brengen aangaande de redenen die het openbaar ministerie had gehad om het in de zaak tegen [betrokkene 1] ingestelde appèl weer in te trekken. Deze afweging is - in dat stadium van het geding - niet onbegrijpelijk te noemen.

29. Bij de tweede gelegenheid heeft het Hof vastgesteld dat, wat ook precies de gang van zaken rond het intrekken van het hoger beroep is geweest, in ieder geval niet aannemelijk is geworden dat dit is gebeurd teneinde onbetrouwbare of onjuiste verklaringen van [betrokkene 1] te verkrijgen. In dit oordeel ligt besloten dat het Hof de (on)evenredigheid tussen toegezegde tegenprestatie en daardoor verkregen verklaringen heeft bezien in de sleutel van het corrumperend effect van die tegenprestaties. Vooruitlopend op de bespreking van het vierde middel merk ik op dat 's Hofs beslissingen in dit opzicht niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Nu er (nog) geen wettelijk richtsnoer is ter bepaling van de toelaatbare aard en omvang van de toezeggingen die het openbaar ministerie kan doen ter verkrijging van verklaringen, is het aan de rechter om te beoordelen of aan de getuige zó belangrijke concessies zijn gedaan dat zij aangemerkt moeten worden als een ontoelaatbaar grote verleiding om onjuiste of onwaarachtige verklaringen af te leggen. Het Hof kon oordelen dat eventuele disproportionaliteit van intrekking van het hoger beroep in de zaak tegen de getuige, als onderdeel van de hem toegezegde tegenprestaties, alleen aangenomen zou moeten worden indien zou zijn gehandeld met het oogmerk de getuige, door hem te verlossen van de gerede mogelijkheid dat hij in hoger beroep wegens méér of ernstiger feiten tot zwaardere straffen zou worden veroordeeld, tot onjuiste of onbetrouwbare verklaringen te brengen.

30. 's Hofs oordeel dat ook zonder kennisneming van de door de verdediging verlangde stukken betreffende die tegen de getuige gevoerde strafzaak kan worden vastgesteld dat het hoger beroep niet is ingetrokken teneinde de getuige te bewegen in een bepaalde, onwaarachtige, zin te verklaren acht ik niet onbegrijpelijk.

In de afwijzing van het ter terechtzitting van 3 juli 2000 gedane verzoek komt naar voren dat het horen van de desbetreffende leden van het openbaar ministerie geen volledige duidelijkheid omtrent de gang van zaken bij het intrekken van het appèl heeft opgeleverd. Uit hun verklaringen volgt evenwel dat [getuige 1], die [betrokkene 1] heeft vervolgd en het appèl heeft ingesteld, weliswaar meende dat een veroordeling wegens betrokkenheid bij de invoer van 700 kilogram cocaïne bereikt zou kunnen worden, maar zich er bewust van was dat het een bewijsrechtelijk moeilijke kwestie betrof; dat "het bewijs [...] echt bij elkaar [moest] worden geschreven". De advocaat-generaal [getuige 2] herinnerde zich dat zij over de haalbaarheid van het appèl contact is benaderd door [...], terwijl [getuige 1] met stelligheid verklaarde dat zij degene was die [getuige 2] benaderde, doch er is geen misverstand over dat [getuige 2] heeft geadviseerd dat het 700 kilo-transport niet te bewijzen zou zijn, en de strafmaat ten aanzien van de wèl bewezen feiten niet onredelijk. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat zij, toen zij haar standpunt over de haalbaarheid van het appèl gaf, onwetend was van de voorgenomen 'deal' met [betrokkene 1].

31. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat kennisneming van de 'Carex-stukken' inzicht had kunnen bieden in de haalbaarheid van het appèl in de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Dat is naar mijn inzicht niet ter zake. Er kon geen zelfstandig belang toekomen aan de vraag of bij de behandeling van de onderhavige zaak met een zekere mate van waarschijnlijkheid vastgesteld zou kunnen worden dat [betrokkene 1] in hoger beroep veroordeeld had kunnen worden voor het feit waarvan de Rechtbank hem had vrijgesproken. Van belang kon alleen zijn of de betrokken leden van het openbaar ministerie destijds uiteindelijk, na overleg, het oordeel bereikt kunnen hebben dat die veroordeling onwaarschijnlijk leek. Daaromtrent kon het Hof zich in voldoende mate voorgelicht achten door de verklaringen die deze leden van het openbaar ministerie ter terechtzitting hebben afgelegd.

32. Ter ondersteuning van de klacht dat het Hof op onjuiste of ontoereikende gronden heeft beslist dat de officier van justitie [...] als getuige geen antwoord behoefde te geven op vragen betreffende de zwart gemaakte passages in de 'CTC-stukken' wordt opgemerkt dat het Hof de beantwoording van de vraag of het onleesbaar maken van die passages geboden was in verband met zwaarwegende opsporingsbelangen of de veiligheid van personen heeft overgelaten aan vertegenwoordigers van het openbaar ministerie.

33. Dat is, op zichzelf beschouwd, juist. Onjuist daarentegen acht ik de daaraanvolgende opmerking (onderdeel 2.14 van de toelichting op dit middel) dat uit 's Hofs beslissing blijkt dat het zich heeft laten leiden door de gedachte dat leden van het openbaar ministerie zelf, op aan het algemeen belang ontleende gronden, kunnen bepalen of relevante informatie moet worden achtergehouden, zonder dat de zittingsrechter daarvan kennis heeft kunnen nemen, en zonder dat de aldus ingeperkte mogelijkheden van de verdediging in voldoende mate zijn gecompenseerd.

34. Het openbaar ministerie kan niet de bevoegdheid worden ontzegd te beslissen dat bepaalde informatie, in verband met de veiligheid van personen of met het oog op een doeltreffende opsporing, buiten een strafdossier dient te blijven. Die beslissing heeft ten gevolge dat de desbetreffende informatie niet als relevant wordt aangemerkt, en bij het oordeel van de rechter buiten beschouwing blijft.

Daartegenover heeft de verdediging het recht te betogen, en heeft de rechter zeker de bevoegdheid te beslissen, dat het openbaar ministerie die beslissing ten onrechte heeft genomen. Het door het openbaar ministerie betrokken standpunt dat bepaalde zaken buiten het dossier moeten blijven zal echter eerst dan onjuist genoemd kunnen worden indien a) voldoende aannemelijk is dat de achtergehouden gegevens van belang kunnen zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing en, dientengevolge, voor de verdediging, en b) voldoende aannemelijk is dat dit mogelijk belang voor door de rechter te nemen beslissingen van dien aard is dat bescherming van personen of opsporingsbelangen, zoals door het openbaar ministerie toegelicht, daarvoor moeten wijken.

Dit geldt ook bij de toepassing van art. 293 Sv. Indien een lid van het openbaar ministerie, als getuige gehoord, op een bepaalde vraag te kennen geeft die niet te willen beantwoorden omdat het antwoord op de vraag niet van belang kan zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing en de beantwoording daarvan een schending zou opleveren van belangen die de getuige te beschermen heeft, zal de rechter moeten beoordelen of de getuige zich terecht op dat standpunt stelt.

35. Het is met een doelmatige en evenwichtige rechtspleging, die mede vereist dat belangen van derden niet onnodig worden geschaad en de opsporing van niet aan het oordeel van de rechter onderworpen strafbare feiten niet onnodig wordt bemoeilijkt, niet te verenigen dat de rechter dit oordeel slechts zou mogen gronden op kennisneming van de gegevens die de getuige juist niet wenst te openbaren. De rechter moet de vrijheid worden gelaten om op basis van hetgeen hem in verband met de behandeling van de zaak overigens is gebleken vast te stellen dat niet aannemelijk is dat het als getuige gehoorde lid van het openbaar ministerie gegevens achterhoudt waarover de rechter en de verdediging voor een juiste beoordeling van de te berechten zaak moeten kunnen beschikken, en evenmin aannemelijk is dat de getuige zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de bescherming van personen of opsporingsbelangen aan beantwoording van de vraag in de weg moet staan.

36. Door zijn ter terechtzitting van 17 februari 2000 gedaan verzoek de getuige [...] te verplichten antwoord te geven op vragen betreffende de zwart gemaakte passages in de 'CTC-stukken' toe te lichten als hiervoor, onder 21, vermeld ging de raadsman er aan voorbij dat het oordeel van de Centrale Toetsingscommissie van het openbaar ministerie betreffende het sluiten van een overeenkomst met [betrokkene 1] niet bepalend kan zijn voor het aan het Hof voorbehouden oordeel omtrent de toelaatbaarheid van die overeenkomst en de waarde van de daaruit voortvloeiende verklaringen.

Voorts moet er vanuit worden gegaan dat het Hof had kennisgenomen van de brief van [betrokkene 11] van 8 februari 2000, en de inhoud van die brief in zijn beslissing op het verzoek heeft betrokken.

37. Het kan ervoor worden gehouden dat het Hof, overwegende dat het had te oordelen op basis van de beschikbare gegevens in het dossier, "wat er overigens zij van de inhoud van de zwart gemaakte passages in de CTC-stukken", tot uitdrukking heeft gebracht:

-dat het in beginsel aan het openbaar ministerie is om te bepalen welke gegevens grondslag voor de door de rechter te nemen beslissingen moeten zijn,

-dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat de onleesbaar gemaakte passages in deze stukken voor de door het Hof te nemen beslissingen desalniettemin van belang kunnen zijn, daar de gronden en wijze waarop de Centrale Toetsingscommissie van het openbaar ministerie over de met [betrokkene 1] te sluiten overeenkomst heeft geoordeeld van geen enkel belang zijn voor de aan de rechter voorbehouden oordelen, waarbij het Hof voorts heeft doen blijken dat ook bij het horen van de getuige [...] geen vermoeden is gerezen dat deze gegevens achterhield waarover het Hof (en de verdediging) dienden te beschikken.

Zo verstaan geeft de beslissing geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is.

38. Het laatste geldt ook voor de beslissing op het ter terechtzitting van 31 januari 2000 gedane verzoek de getuige [...] te verplichten antwoord te geven op de vraag wat [betrokkene 1] zoal over [betrokkene 2] en [betrokkene 3] had verklaard, en op de vraag of de getuige meende dat [betrokkene 1]s verklaringen betrouwbaar waren.

Het Hof kon oordelen dat de getuige de laatste vraag reeds in toereikende mate had beantwoord door er op te wijzen dat de verklaringen die [betrokkene 1] met het oog op de eerste, afgeketste, overeenkomst heeft afgelegd in grote lijnen overeenstemmen met hetgeen [betrokkene 1] nadien, in verband met de wèl tot stand gekomen overeenkomst, heeft verklaard. Daarbij heeft het Hof, door op te merken dat het [betrokkene 1] eerst zelf als getuige wilde gaan horen, terecht tot uitdrukking gebracht dat het oordeel over de betrouwbaarheid van diens verklaringen aan het Hof was voorbehouden, en de indrukken die de getuige [...] daaromtrent had opgedaan niet maatgevend konden zijn.

Voorts is niet onbegrijpelijk dat het Hof een verdergaande onthulling van de opmerkingen die [betrokkene 1] ten overstaan van [...] over [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft gemaakt niet aangewezen heeft geacht, mede omdat de verdediging niet duidelijk heeft gemaakt in welk ander opzicht dan waardering, in algemene zin, van de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen aan die opmerkingen belang kon toekomen voor beoordeling van deze zaak.

39. Het middel faalt in alle onderdelen.

40. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, het verweer heeft verworpen dat in de bestreden uitspraak aldus is samengevat:

"2.1.Het middel van "kroongetuige" is op onrechtmatige wijze gehanteerd, immers ten tijde van de inzet van de "kroongetuige" waren er geen concrete aanwijzingen voor het bestaan van een criminele organisatie; er was slechts sprake van een simpele invoer van cocaïne.

Evenmin bestonden zodanige aanwijzingen voor het feit dat [verdachte] een "kroonverdachte" was (vanwege verdenkingen in verband met de IRT-affaire, waarvan [...] in zijn brief van 14 september 1998 aan zijn hoofdofficier rept). [Verdachte] zou slechts:

-[betrokkene 6] in contact hebben gebracht met [betrokkene 4] in verband met plannen tot invoer van hasj;

-enkele duizenden guldens reisgeld aan [betrokkene 1] beschikbaar hebben gesteld om de lijn weer nieuw leven in te blazen en

-commissie hebben opgestreken voor bepaalde transporten.

Bovendien was inmiddels, door het oprollen van de cocaïnelijn, de rechtsorde al in voldoende mate hersteld."

41. Aangaande dat verweer is in de bestreden uitspraak overwogen:

"ad 2.1.Ten tijde van de inzet van [betrokkene 1] was geen sprake van "een simpele invoer van cocaïne", doch hadden twee importen van grote partijen (400 kilo en 700 kilo) cocaïne plaatsgevonden. Achter deze importen kon, naar de ervaring leert, een criminele organisatie worden vermoed en niet slechts een individuele actie van een enkele persoon.

Verdachte [verdachte] was destijds hierin inderdaad niet de enige en/of hoofdverdachte (in de bewoording van de verdediging: "kroonverdachte"). Het is immers van algemene bekendheid dat criminele organisaties, die zich bezighouden met de invoer van grote partijen hard drugs als de onderhavige, veelal bestaan uit verscheidene verdachten, die daarin elk een meer of minder belangrijke rol vervullen.

Niet valt in te zien dat door slechts het oprollen van de betreffende cocaïnelijn (en - zo begrijpt het hof - het tegelijkertijd achterwege laten van de opsporing van zoveel mogelijk bij die cocaïnelijn betrokken verdachten, teneinde deze voor de rechter te brengen) de rechtsorde in voldoende mate zou zijn hersteld."

42. Ten onrechte wordt in de toelichting op het middel gesteld dat het Hof door de verdediging aangevoerde feiten in het midden heeft gelaten. De verdediging deed het voorkomen alsof er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen aanwijzingen waren voor het bestaan van een criminele organisatie, en wilde voorts kennelijk ingang doen vinden dat, voor zover gesproken zou kunnen worden van een tegen verzoeker bestaande verdenking, die verdenking slechts handelingen van betrekkelijk ondergeschikt belang kon betreffen.

43. Het Hof heeft evenwel - geenszins onbegrijpelijk - vastgesteld dat het openbaar ministerie er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vanuit kon gaan dat het tot twee keer toe binnen Nederland brengen van zeer aanzienlijke hoeveelheden cocaïne wees op het bestaan van een crimineel samenwerkingsverband.

Daarnaast is in de hier bestreden overwegingen tot uitdrukking gebracht dat er weliswaar bij het sluiten van de overeenkomst geen concrete aanwijzingen waren dat verzoeker binnen dat crimineel samenwerkingsverband een hoofdrol speelde, maar dat niet gezegd kan worden dat het ontbreken van concrete aanwijzingen in die richting meebrengt dat het sluiten van de overeenkomst jegens verzoeker een onevenredig middel was, daar het openbaar ministerie er, op grond van hetgeen de ervaring omtrent het optreden van criminele organisaties leert, vanuit kon gaan dat verschillende personen binnen dat samenwerkingsverband een min of meer belangrijke rol vervulden. Het openbaar ministerie kon zodoende rekening houden met de gerede mogelijkheid dat ook verzoeker, omtrent wie er enkele aanwijzingen waren dat hij bij de drugstransporten betrokken was geweest, een min of meer belangrijke persoon in het criminele samenwerkingsverband zou blijken te zijn.

44. De door de verdediging aangevoerde feiten die mee zouden moeten brengen dat het sluiten van de overeenkomst met [betrokkene 1] jegens verzoeker een onevenredig middel was vinden hun weerlegging in de verwerping van dat verweer. Het middel faalt bij gebreke aan feitelijke grondslag

45. In het vierde middel wordt betoogd dat ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verweer is verworpen dat de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst onrechtmatig is omdat de door het openbaar ministerie geleverde tegenprestatie voor de door deze persoon afgelegde verklaringen onevenredig groot is geweest.

46. Tot de toelichting op het middel behoren 'enkele opmerkingen over het juridisch kader', waarin gewezen wordt op de 'Richtlijn afspraken met criminelen' van het openbaar ministerie (Stcrt 1997, 61) en op de parlementaire behandeling van wetsvoorstel 26 294 (het wetsvoorstel 'toezeggingen aan getuigen in strafzaken').

Uit die parlementaire behandeling - waarnaar de verdediging ook in hoger beroep heeft verwezen - dient naar het inzicht van de steller van het middel te worden afgeleid dat er inmiddels sprake is van de "voldoende uitgekristalliseerde, algemeen aanvaarde rechtsopvatting" die in HR NJ 1998, 799 nog niet aanwezig werd geacht. Het in de zo-even genoemde Richtlijn bepaalde zou daarom in het licht van die, inmiddels gevormde, rechtsopvatting moeten worden bezien.

47. Bij die stelling past mijns inziens de volgende kanttekening. In het zo-even genoemde arrest heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het zijn rechtsvormende taak te buiten gaat om in algemene zin uitspraken te doen over het fenomeen van de 'kroongetuige', aangezien omtrent dat verschijnsel in al zijn aspecten geen voldoende vastomlijnde rechtsopvattingen bestaan en een wettelijke regeling daaromtrent in voorbereiding is. Thans, iets minder dan vier jaar na het wijzen van dat arrest, moet worden vastgesteld dat het desbetreffende wetsvoorstel nog immer in behandeling is.

48. Nog altijd heeft derhalve te gelden dat terughoudendheid bij het formuleren van jurisprudentiële regels in beginsel geboden is. Wat het bestaan van voldoende zekerheid omtrent in aanmerking te nemen rechtsopvattingen betreft, zou men in de nog altijd voortdurende parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voorts een indicatie kunnen zien dat die zekerheid er juist niet is.

Niettemin kan de vraag rijzen of het uitblijven van een wettelijke regeling, gelet op het grote belang van zo duidelijk mogelijke grenzen aan de toelaatbaarheid van 'gekochte verklaringen' voor de integriteit van de rechtspleging, er thans toe noopt die grenzen in de rechtspraak vast te stellen. Die mogelijkheid heeft de Hoge Raad zich in zijn zo-even genoemde uitspraak voorbehouden.

49. Indien zou moeten worden vastgesteld dat nu het moment gekomen is om daartoe over te gaan, met inachtneming van hetgeen tot dusverre naar voren is gekomen tijdens de behandeling van wetsvoorstel 26 294, zou naar mijn oordeel in ieder geval deze beperking gesteld moeten worden dat aan een potentiële getuige geen toezeggingen gedaan mogen worden die er op neer komen dat hij niet zal worden vervolgd ter zake van strafbare feiten waaromtrent a) zodanige aanwijzingen betreffende zijn daderschap bestaan dat een bewezenverklaring naar redelijke verwachting bereikt kan worden, en die b) van zodanige ernst zijn dat zij niet in aanmerking komen voor een andere wijze van afdoening dan (verdere) vervolging.

Te wijzen valt op de memorie van toelichting bij het evenbedoelde wetsvoorstel:

"De gebruikelijke toetsing of het te vervolgen feit bewijsbaar en strafbaar is, en of vervolging van de geconstateerde feiten opportuun is, dient onverkort plaats te vinden. Terzake van feiten die normaal gesproken geseponeerd zouden worden, dient sepot te volgen; voor feiten waarin het aanbieden van een transactie gebruikelijk is, dient een transactievoorstel gedaan te worden. (...)

In de tweede plaats leidt het uitgangspunt dat het opportuniteitsbeginsel op de gebruikelijke wijze wordt toegepast ertoe dat de inhoud van de telastlegging geen onderwerp dient te zijn van de onderhandelingen met de verdediging over de te maken afspraak. Dit heeft zowel betrekking op de zwaarte van het telastegelegde feit als op het aantal feiten dat ter berechting wordt voorgelegd. Anders dan in landen met een Angelsaksisch rechtsstelsel dient geen overleg plaats te vinden over de vraag in welke modaliteit een feit ten laste zal worden gelegd (...) of het aantal feiten dat in de telastlegging zal worden opgenomen."

(Kamerstukken II, 1998/1999, 26 294, nr 3, p. 12-13)

50. Opmerking verdient dat ook in de 'Richtlijn afspraken met criminelen' (Stcrt 1997, 61) reeds was te vinden dat de aan een (potentiële) getuige te bieden tegenprestatie niet zover mag gaan dat hem strafrechtelijke immuniteit wordt geboden voor ernstige strafbare feiten. Deze Richtlijn is inmiddels vervallen, en in een opvolgende beleidsregel van het openbaar ministerie is het in de Richtlijn gestelde op dit punt gepreciseerd met het voorschrift dat toezeggingen met het oog op af te leggen verklaringen geen betrekking mogen hebben op het aantal en de zwaarte van aan de (potentiële) getuige ten laste te leggen feiten, en evenmin mogen inhouden dat, in afwijking van geldend opsporings- en vervolgingsbeleid, wordt afgezien van 'actieve opsporing of vervolging' ('Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, Stcrt 2001, 138, punt 4).

Daar deze beleidsregels door het openbaar ministerie zijn gepubliceerd, en een voldoende nauwkeurige omschrijving van de te volgen gedragslijn bevatten om het vertrouwen te wekken dat het openbaar ministerie dienovereenkomstig zal handelen, zijn zij naar mijn inzicht aan te merken als behorende tot het recht in de zin van art. 79 RO, met dien verstande dat in de onderhavige zaak uiteraard alleen de Richtlijn uit 1997 toepasselijk kon zijn.

51. Het Hof heeft dit niet uit het oog verloren. Het heeft aan de bespreking van de gevoerde verweren inleidende beschouwingen doen voorafgaan. Daarin heeft het Hof uiteengezet dat het - bij gebreke aan een wettelijke regeling - de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst heeft getoetst aan in het EVRM gewaarborgde fundamentele rechten en de daaruit af te leiden beginselen van een behoorlijke procesorde, en tevens heeft onderzocht of het sluiten van de overeenkomst in overeenstemming was met de 'Richtlijn afspraken met criminelen', waarbij het Hof heeft opgemerkt dat de uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de overeenkomst aan het Hof voorbehouden blijft.

52. De laatste vaststelling is zó onmiskenbaar juist dat zij welhaast overbodig lijkt. Het kan er voor gehouden worden dat het Hof heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het niet alleen feitelijk diende vast te stellen of het openbaar ministerie overeenkomstig de Richtlijn heeft gehandeld, maar tevens zelfstandig diende te bepalen of, indien vastgesteld zou moeten worden dat het sluiten van de overeenkomst niet in overeenstemming met de Richtlijn dan wel beginselen van een behoorlijke procesorde is geweest, daaruit volgt dat het sluiten van de jegens verzoeker onrechtmatig genoemd moet worden, en zo ja, te bepalen wat daarvan het gevolg voor de einduitspraak moest zijn.

53. Uit de inleidende opmerkingen die het Hof heeft doen voorafgaan aan de puntsgewijze bespreking van de gevoerde verweren volgt voorts dat het - als feitelijke grondslag voor zijn beslissingen - aannemelijk heeft geacht dat de aan [betrokkene 1] gedane toezeggingen hieruit bestonden dat het openbaar ministerie een positief advies zou uitbrengen ter zake van een gratieverzoek, met dien verstande dat het advies zou luiden dat de opgelegde gevangenisstraf met éénderde zou worden verminderd; dat het openbaar ministerie het schikkingsvoorstel zou doen dat deze (naar aanleiding van een ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek) ƒ 200.000,= zou betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel; en dat het openbaar ministerie inbeslaggenomen voorwerpen ter waarde van f 19.000,= aan [betrokkene 1] terug zou geven.

54. De weerlegging van de door de verdediging opgeworpen stelling dat ook het intrekken van het hoger beroep in de zaak tegen [betrokkene 1] onderdeel van de toezeggingen is geweest ligt besloten in de overwegingen:

"ad 2.2.Niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] met enige reële mate van waarschijnlijkheid had kunnen worden vervolgd, berecht en veroordeeld voor de hier door de verdediging bedoelde (eerdere) vier grote cocaïnetransporten, indien de door hemzelf hierover afgelegde verklaringen niet voor bewijs beschikbaar waren. Het afblazen van de overeenkomst met hem, in het kader waarvan laatstbedoelde verklaringen zijn afgelegd, zou redelijkerwijs niet hebben kunnen leiden tot het alsnog vervolgen van [betrokkene 1] voor die transporten.

[Betrokkene 1] is door de rechtbank te Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, een - in aanmerking genomen dat te zijnen laste is bewezenverklaard een transport van 400 kilo cocaïne en dat hij is vrijgesproken van een transport van 700 kilo cocaïne - naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijke straf.

Een ieder die tot een dergelijke gevangenisstraf is veroordeeld, kan aanspraak maken op de hier te lande geldende regeling met betrekking tot vervroegde invrijheidstelling na ommekomst van 2/3 van die straf.

Het positieve advies, dat het openbaar ministerie heeft toegezegd te zullen uitbrengen ten aanzien van een door [betrokkene 1] in te dienen gratieverzoek, te weten dat zal worden geadviseerd een derde van de door de arrondissementsrechtbank te Haarlem opgelegde gevangenisstraf van 8 jaren door middel van gratie kwijt te schelden, onverminderd de over het aldus ontstane strafrestant in mindering te brengen vervroegde invrijheidstelling, is - wat er overigens ook van zij - niet onredelijk."

55. Tegen deze overwegingen gerichte klachten zijn uitgewerkt in de toelichting op het middel onder 2.6 tot en met 2.10).

Aldaar wordt in de eerste plaats betoogd dat onjuist of (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is de overweging dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] met enige reële mate van waarschijnlijkheid vervolgd had kunnen worden ter zake van de vier drugstransporten.

Bij beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat het daardoor bestreden oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden onderzocht.

56. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd is dit oordeel, wat het transport van 700 kilogram cocaïne betreft, niet onbegrijpelijk te noemen in verband met de omstandigheid dat [betrokkene 1] daarvoor is vervolgd. De bestreden overwegingen zullen met betrekking tot dit feit aldus moeten worden verstaan dat niet aannemelijk is geworden dat het in hoger beroep voortzetten van de vervolging met enige (reële) waarschijnlijkheid een bewezenverklaring zou hebben opgeleverd. De steller van het middel wijst er op dat de officier van justitie die [betrokkene 1] heeft vervolgd ([getuige 1]) heeft verklaard dat er in haar ogen voldoende bewijs was om een veroordeling ter zake van het transport van 700 kilogram cocaïne te bereiken. Hij laat ongenoemd dat deze officier van justitie ook heeft verklaard dat dit bewijs niet makkelijk te construeren zou zijn; dat het 'echt bij elkaar geschreven' moest worden. Men kan uit de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van [getuige 1], [...], en [getuige 2] onmogelijk afleiden dat het vrijspreken van [betrokkene 1] van betrokkenheid bij dit transport in hun ogen een 'maljugé' heeft gevormd.

57. De hier bestreden overweging is evenmin onbegrijpelijk in het licht van 's Hofs in een ander verband gegeven overweging dat de officier van justitie "het redelijkerwijs opportuun heeft kunnen achten [betrokkene 1] te vervolgen voor slechts die transporten, welke destijds in haar ogen te bewijzen waren en (ook) grote partijen betroffen". De redelijkheid van die destijds door de officier van justitie genomen beslissing [betrokkene 1] ook betrokkenheid bij het transport van 700 kilogram cocaïne ten laste te leggen, wordt geenszins aangetast door de later genomen beslissing, nadat [betrokkene 1] in eerste aanleg van dat feit was vrijgesproken en nadat de advocaat-generaal bij het Amsterdamse Hof desgevraagd had laten weten dat hoger beroep waarschijnlijk niet tot een andere uitkomst zou voeren, het ingestelde appèl weer in te trekken en dusdoende de verdere vervolging ter zake van dat feit te staken.

58. Wat de andere drie, in het middel bedoelde transporten van cocaïne betreft: uit de stukken valt op te maken dat het arrondissementsparket te Haarlem reeds vóór het uitbrengen van de inleidende dagvaarding aan [betrokkene 1] bekend was met aanwijzingen dat deze daarbij betrokken kon zijn, maar die aanwijzingen onvoldoende heeft geacht om deze feiten ten laste te leggen. Ik wijs op de in hoger beroep overgelegde pleitnota, alwaar de officier van justitie [...] wordt aangehaald die in een intern stuk heeft opgemerkt dat de voorgenomen, met [betrokkene 1] te sluiten, overeenkomst geen sepot ten aanzien van die drie transporten kon meebrengen, aangezien het Haarlemse parket reeds had besloten [betrokkene 1] niet voor die zaken te vervolgen (pleitaantekeningen, p. 24).

59. In de toelichting op het middel wordt voorts gesteld dat in 's Hofs oordeel de onjuiste rechtsopvatting besloten ligt dat de verklaringen die [betrokkene 1] in verband met de met hem gesloten overeenkomst heeft afgelegd, wat deze drie (hem nimmer tenlastegelegde) transporten betreft, van geen betekenis zijn ter beoordeling van de evenredigheid van de [betrokkene 1] gedane toezeggingen. Die opvatting zou onjuist zijn omdat de toezegging [betrokkene 1] (ter zake van die feiten) niet te vervolgen hooguit een minder verstrekkende betekenis heeft dan indien ook afgezien van die verklaringen voldoende bewijs aanwezig zou zijn geweest.

De redenering lijkt mij ontleend te zijn aan HR NJ 1998, 799 (r.o. 5.4.5). Zij kan evenwel niet worden gevolgd omdat in 's Hofs feitelijke vaststellingen besloten ligt dat het openbaar ministerie te Haarlem reeds had besloten [betrokkene 1] ter zake van die feiten niet te vervolgen omdat er onvoldoende bewijs was, waarbij de besprekingen die het landelijk parket met [betrokkene 1] is aangegaan en de als uitvloeisel daarvan afgelegde verklaringen geen enkele rol hebben gespeeld.

60. In dit onderdeel van de klacht wordt ten slotte, verwijzend naar het tweede middel, nog betoogd dat het onbegrijpelijk is dat het Hof onaannemelijk heeft geacht dat [betrokkene 1] met enige reële kans op een veroordeling ter zake van deze drie transporten vervolgd had kunnen worden, nu het tijdens de behandeling ter terechtzitting verzoeken om toevoeging van het Carex-dossier heeft afgewezen omdat niet in te zien viel wat die toevoeging zou kunnen bijdragen aan in de onderhavige zaak te nemen beslissingen, en - zo wordt betoogd - de vraag ter zake van welke feiten er onvoldoende bewijs tegen [betrokkene 1] heeft bestaan nimmer kan worden beantwoord zonder kennisneming van dat Carex-dossier.

61. Dit bezwaar kan evenmin doel treffen. Het verweer noopte het Hof de vraag te beantwoorden of de omvang van de tegen [betrokkene 1] ingestelde vervolging, met inbegrip van de beslissing te berusten in de vrijspraak ter zake van het transport van 700 kilogram cocaïne, is beïnvloed door de met hem gevoerde onderhandelingen, met andere woorden: of [betrokkene 1] in het kader van die onderhandelingen is toegezegd dat hij voor bepaalde feiten niet zou worden vervolgd.

Ik herhaal hetgeen hierboven naar aanleiding van het tweede middel is opgemerkt: ter beantwoording van die vraag was niet van belang of achteraf, in het kader van de onderhavige zaak, vastgesteld zou kunnen worden dat er destijds voldoende bewijs bestond om vervolging van [betrokkene 1] ter zake van deze feiten te rechtvaardigen. Van belang was uitsluitend of het openbaar ministerie van de (verdere) vervolging ter zake van die feiten heeft afgezien omdat het bewijs ontoereikend werd geacht. Het Hof kon oordelen dat daaromtrent voldoende klaarheid was verkregen door het ter terechtzitting horen van de betrokken leden van het openbaar ministerie.

62. Volgende klachten in het middel (uitgewerkt in de toelichting onder 2.11 tot en met 2.16) betreffen de juistheid en begrijpelijkheid van de in de bestreden uitspraak opgenomen overweging:

"ad 2.3.De verdediging kan weliswaar worden toegegeven dat het openbaar ministerie een (zeer) omvangrijke ontnemingsvordering tegen [betrokkene 1] had kunnen indienen, doch de vraag blijft wat daarvan uiteindelijk door de rechter zou zijn toegewezen. De ervaring heeft immers geleerd dat de rechter, in gevallen waarin hij terzake van ontnemingsvorderingen een groot bedrag als schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt, niet zelden de verplichting tot betaling aan de Staat oplegt van slechts een fractie van dat bedrag. In dit licht moet ook het bij de totstandkoming van de overeenkomst stopzetten van het SFO tegen [betrokkene 1] worden gezien en is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie dat onderzoek niet heeft doen voortzetten."

63. Hiertegen wordt aangevoerd dat er geen sprake van is dat de praktijk uitwijst dat de rechter "niet zelden" de betalingsverplichting bepaalt op "slechts een fractie" van het naar schatting wederrechtelijk verkregen voordeel.

In cassatie kan alleen worden onderzocht of het Hof de grenzen van het begrijpelijke heeft overschreden door deze ervaringsregel te hanteren. Daarvan is naar mijn oordeel geen sprake. In verband met de onderhandelingen met [betrokkene 1] kon het openbaar ministerie zich in redelijkheid laten leiden door de gedachte dat er een aanzienlijke kans was dat een ontnemingsvordering ten bedrage van het volledige bedrag van het door [betrokkene 1] wederrechtelijk behaalde voordeel (vele honderdduizenden guldens) dat de uitkomst zou zijn van het voltooide strafrechtelijk financieel onderzoek, zou resulteren in een betalingsverplichting tot een beduidend lager bedrag. 's Hofs oordeel dat het openbaar ministerie [betrokkene 1] geen disproportioneel groot voordeel heeft bezorgd door een ontnemingsprocedure met ongewisse uitkomst te vermijden en genoegen te nemen met een aanzienlijk lager bedrag dan waarop het door [betrokkene 1] wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk had kunnen worden becijferd is evenmin onbegrijpelijk.

64. Voorts wordt de verwerping van het gevoerde verweer onbegrijpelijk genoemd omdat het Hof niet is ingegaan op de stelling dat er ongeveer ƒ 115.000,= aan [betrokkene 1] is teruggegeven. Blijkens de feitelijke vaststellingen die het Hof aan zijn beslissing op de verweren ten grondslag heeft gelegd is een dergelijke teruggave van geld niet aannemelijk bevonden. Ook dat acht ik niet onbegrijpelijk. Kennisneming van de stukken die het landelijk parket van het openbaar ministerie met het oog op de onderhavige zaak aan de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft gezonden, waaronder een niet-getekend exemplaar van de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst, wijst uit dat voor het bij wege van schikking overeengekomen bedrag van ƒ 200.000,= verhaal zou worden gezocht op onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldswaarden, waarvan hij kennelijk afstand heeft gedaan. Weliswaar blijkt uit die stukken dat het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag op gelden een groter bedrag betrof (ƒ 296.016,=), maar er valt ook uit op te maken dat kosten van aan [betrokkene 1] verleende rechtsbijstand uit het inbeslaggenomen bedrag voldaan zouden worden.

65. Voorts wordt het oordeel dat niet onbegrijpelijk is dat het openbaar ministerie het tegen [betrokkene 1] ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek heeft gestaakt bestreden met het argument dat slechts op basis van een afgerond financieel onderzoek bepaald kan worden of het door het openbaar ministerie aangeboden schikkingsvoorstel een proportionele tegenprestatie is. De toelichting op deze klacht laat reeds zien waarom het argument geen doel kan treffen. In die toelichting wordt namelijk terecht opgemerkt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek ook zonder dat het werd voltooid reeds aanwijzingen opleverde dat [betrokkene 1] aan de te zijnen laste bewezen verklaarde feiten aanzienlijk veel meer had verdiend dan het met de schikking gemoeide bedrag. Overigens kan niet worden vastgesteld in hoeverre [betrokkene 1] de berekening van het door hem verkregen voordeel met succes had kunnen aanvechten. Uit de ter terechtzitting van 7 februari 2000 afgelegde verklaring van de financieel rechercheur die met het onderzoek belast was geweest lijkt evenwel afgeleid te moeten worden dat het Hof (en het openbaar ministerie bij het aanbieden van de schikking) er rekening mee moesten houden dat die berekening ook na voltooiïng van het financieel onderzoek in zeker opzicht betwistbaar zou zijn. De financieel rechercheur verklaarde namelijk dat hij zijn berekening had moeten opbouwen uit een vergelijjking van uitgaven met van [betrokkene 1] bekende legale inkomsten, daar er te weinig gegevens bekend waren betreffende de daadwerkelijk uit de drugstransporten behaalde inkomsten.

66. Het Hof kon oordelen, ook zonder te beschikken over een afgerond strafrechtelijk financieel onderzoek , dat het openbaar ministerie, gelet op de gerede kans dat het aanhangig maken van een ontnemingsvordering tot een beduidend lagere betalingsverplichting zou voeren dan het geschatte, door [betrokkene 1] behaalde, voordeel, geen onevenredig grote concessie heeft gedaan door in de overeenkomst een schikkingsvoorstel ten bedrage van ƒ 200.000,= op te nemen.

In dit onderdeel van de klachten wordt ten slotte nog betoogd dat de hier bestreden overwegingen in strijd zijn met de 'Richtlijn afspraken met criminelen', waarin zou zijn bepaald dat in het kader van zulke afspraken geen toezeggingen met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel gedaan mogen worden. Dat is in de Richtlijn evenwel niet te vinden. Wèl is in de hierboven reeds genoemde 'Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken', die in de plaats van de Richtlijn is getreden, opgemerkt dat het niet toelaatbaar is om als tegenprestatie af te zien van het vorderen van bijkomende maatregelen, in het bijzonder ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Afzien van het vorderen van zo een maatregel is iets anders dan ontnemen van slechts een deel van het vermoedelijk behaalde voordeel. Bovendien zou het, ook indien het openbaar ministerie in dit opzicht zijn beleidsregels niet heeft nageleefd, aan het Hof voorbehouden blijven om te bepalen of dat verzuim meebrengt dat [betrokkene 1] onevenredig grote concessies zijn gedaan, en, voor zover dat het geval moet worden geacht, of het sluiten van de overeenkomst jegens verzoeker onrechtmatig is.

67. In de toelichting op het middel onder 2.17 tot en met 2.21 wordt opgekomen tegen de verwerping van het verweer dat de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst onrechtmatig is omdat die tot gevolg heeft dat een 'grote vis' is beloond voor het vangen van een 'kleine vis'. Daartoe heeft het Hof overwogen:

"ad 2.5Wat er thans ook zij van de exacte verhouding tussen de rollen tussen [betrokkene 1] en [verdachte] met betrekking tot de tenlastegelegde feiten, ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst kon deze in elk geval nog niet worden vastgesteld. Bovendien ging het bij de verklaringen van [betrokkene 1] niet slechts om [verdachte] en [betrokkene 6], maar evenzeer om andere verdachten van de cocaïnetransporten, onder wie [betrokkene 7] en [betrokkene 8].

Om beide redenen kan men niet met recht stellen dat hier eenvoudig sprake is van 'een grote vis die een kleine vis ophangt'."

68. Tegen deze overweging wordt opgekomen met het betoog dat, nu een overeenkomst zoals die met [betrokkene 1] is gesloten de integriteit van de strafrechtspleging in vele facetten raakt, van een integere en geloofwaardige strafrechtspleging geen sprake meer kan zijn indien 'grote vissen' kunnen worden beloond voor hun bijdrage aan het vangen van 'kleine vissen'. Iemand die een centrale rol heeft gespeeld bij het begaan van ernstige strafbare feiten zou niet vergund mogen worden een deel van de hem opgelegde of nog op te leggen straffen af te kopen door verklaringen af te leggen ten laste van medeverdachten die een ondergeschikte rol hebben vervuld.

Daaruit zou moeten voortvloeien dat de rolverdeling tussen de 'kroongetuige' en degenen over wie hij zal kunnen verklaren zowel bij de totstandkoming van de overeenkomst als bij de beoordeling van (de rechtmatigheid van) die overeenkomst in de strafzaak ten laste van wie de 'kroongetuige' heeft verklaard diepgaand moet worden onderzocht.

69. Dientengevolge zou het Hof ten onrechte in het midden hebben gelaten hoe nu precies de verhouding tussen [betrokkene 1] en degenen over wie hij is gaan verklaren is geweest met betrekking tot de in de onderhavige zaak te beoordelen strafbare feiten. Eveneens zou het Hof ten onrechte hebben aanvaard dat die verhouding bij het sluiten van de overeenkomst niet nauwkeurig kon worden vastgesteld.

Dat zou te meer klemmen omdat reeds bij het sluiten van de overeenkomst vaststond dat de Rechtbank te Haarlem in het ten laste van [betrokkene 1] gewezen vonnis heeft geoordeeld dat deze bij cocaïnetransporten op verschillende niveaux een leidinggevende en organiserende rol heeft gespeeld.

70. Deze klacht roert ook naar mijn inzicht een belangwekkend punt aan. Na ampele overpeinzing meen ik evenwel niet dat het - uit een oogpunt van een integere, doelmatige en geloofwaardige rechtshandhaving - zonder meer onaanvaardbaar is dat een persoon die (vermoedelijk) een min of meer prominente rol heeft gespeeld bij het begaan van ernstig te nemen delicten een beloning in de vorm van strafvermindering wordt geboden in ruil voor diens verklaringen die kunnen bijdragen aan succesvolle vervolging van andere, bij die ernstige feiten betrokken, personen.

71. Ik meen dat de volgende factoren in dit verband zwaar moeten wegen.

72. Huidige inzichten brengen mee dat de beloning van een bij strafbare feiten betrokken persoon niet zó ver mag gaan dat die uitmondt in straffeloosheid ter zake van één of meer van die feiten, laat staan feiten waarmee de betrokkene zich in de toekomst zou willen inlaten. De toelaatbare beloning voor medewerking aan de vervolging van andere daders is gelegen in strafvermindering van beperkte aard. Dat is thans neergelegd in de 'Richtlijn afspraken met criminelen'. In zoverre is gewaarborgd dat degene die zijn medewerking aan de vervolging van andere daders verleent niettemin een geloofwaardige, bij het feit passende, correctie incasseert. Indien een overeenkomst wordt gesloten met een belangrijke verdachte (of iemand die vervolgens een belangrijke verdachte blijkt te zijn), zal het gewicht van diens bijdrage aan de strafbare feiten in de daadwerkelijk te ondergane straf tot uitdrukking blijven komen.

73. Er is een niet te onderschatten maatschappelijk belang in gelegen dat zo veel mogelijk daders van ernstige strafbare feiten daarvoor naar behoren worden bestraft. Daarmee is moeilijk te verenigen dat vervolging van één of meer bij zulke feiten betrokken personen wordt belemmerd doordat, in de fasen van het vooronderzoek waarin over de vervolging van die personen moet worden beslist, moet worden vastgesteld dat het welslagen van die vervolging in hoge mate afhankelijk is van verklaringen die verkregen zouden kunnen worden van een reeds geïdentificeerde verdachte, die evenwel geen beloning voor medewerking aan het onderzoek kan worden toegezegd omdat hij zelf een te belangrijke rol heeft gespeeld bij het begaan van de feiten.

74. In alle gevallen waarin de waarde moet worden bepaald van verklaringen waarvoor van overheidswege een beloning in het vooruitzicht is gesteld moet er rekening mee gehouden worden dat de getuige zijn verklaringen heeft afgestemd op de indruk die hij heeft van hetgeen in verband met die beloning van hem wordt verwacht of van hetgeen die beloning dichterbij zal kunnen brengen. Bijzondere behoedzaamheid bij het gebruik van zulke, tegen beloning verkregen, verklaringen is derhalve geboden. Eerder heeft de Hoge Raad hierin reeds aanleiding gevonden te bepalen dat zulke verklaringen, indien de betrouwbaarheid daarvan wordt betwist, eerst dan aan het bewijs kunnen bijdragen indien de getuige door een rechter, bij voorkeur ter openbare terechtzitting, ondervraagd is kunnen worden en ook de verdediging de gelegenheid heeft gekregen vragen aan de getuige te stellen. Indien zulk verhoor van de getuige ten gevolge van niet aan de justitiële autoriteiten toe te rekenen omstandigheden onmogelijk blijkt, zal de daaruit voortvloeiende beperking van de mogelijkheid de tegen beloning afgelegde verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen op zodanige wijze moeten worden gecompenseerd dat het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces niet geschonden wordt. De rechter zal zich, indien hij zulke verklaringen tot bewijs wil bezigen en de betrouwbaarheid daarvan is betwist, in het bijzonder moeten verantwoorden voor zijn oordeel dat die verklaringen desalniettemin voldoende betrouwbaar zijn, vgl. HR NJ 1998, 799 en HR NJ 1999, 565.

In dit opzicht doet zich evenwel geen principieel, doch hooguit een gradueel verschil voor tussen een verdachte die als één der belangrijkste daders is aan te merken of een verdachte die een minder belangrijke rol heeft gespeeld. Niet valt in te zien waarom de in de zo-even genoemde uitspraken gestelde onderzoeks- en motiveringsverplichtingen als waarborg tegen het ten laste van een verdachte gebruiken van een verklaring die in verband met de redenen waarom zij werd afgelegd niet betrouwbaar te noemen is ontoereikend zouden zijn indien de getuige een méér dan ondergeschikt, of zelfs overheersend aandeel in de feiten heeft gehad.

75. Naar mijn inzicht getuigt het hier bestreden oordeel dat de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst niet ontoelaatbaar is wegens gebrek aan een min of meer nauwkeurig inzicht, ten tijde van het aangaan van die overeenkomst, omtrent de aard of ernst van [betrokkene 1]s aandeel in de strafbare feiten waaromtrent hij kon verklaren in verhouding tot de rol die verzoeker daarbij heeft gespeeld, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin acht ik een onjuiste rechtsopvatting gelegen in 's Hofs oordeel dat in dit verband voorbij gegaan kan worden aan hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is kunnen blijken omtrent de verhouding tussen [betrokkene 1] en verzoeker, en de relatieve ernst van hun bijdragen aan de strafbare feiten.

Voorts heeft het Hof naar mijn inzicht terecht in zijn afweging betrokken dat het openbaar ministerie er bij het sluiten van de overeenkomst met [betrokkene 1] vanuit kon gaan dat deze niet alleen over verzoeker, maar ook over andere bij cocaïnetransporten betrokken personen kon verklaren.

Het komt mij daarom voor dat het middel in geen enkel onderdeel doel kan treffen.

76. Het vijfde middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het sluiten van de overeenkomst met [betrokkene 1] onrechtmatig was nu er op dat moment "geen substantiële aanwijzingen van substantiële betrokkenheid" van verzoeker bij de cocaïnetransporten bestond, en voorts niet een regulier opsporingsonderzoek met andere opsporingsmethoden heeft plaatsgevonden alvorens die overeenkomst te sluiten.

77. Daaromtrent heeft het Hof overwogen:

"Ad 3. SUBSIDIARITEIT

Gelet op de destijds beschikbare verklaringen van [betrokkene 4], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] bestonden er jegens [verdachte] verdenkingen aangaande zijn betrokkenheid bij cocaïnetransporten. Daarnaast bleek dat [betrokkene 1] 139 keer telefonisch contact had gehad/gezocht met de (bakkerszaak) van [verdachte], alsmede dat in een tiental afgeluisterde telefoongesprekken door [betrokkene 1] met en/of door anderen wordt gesproken over de 'koekenbakker' of '(banket)bakker(tje)',

Het bestaan van ernstige bezwaren tegen [verdachte] is zojuist reeds besproken. De verdediging moet echter wel worden toegegeven dat niet is gebleken van enig primair opsporingsonderzoek tegen de verdachte [verdachte]; er is - zoals ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan - zelfs geen CID-informatie over hem opgevraagd.

Hier staat evenwel tegenover dat opsporingsactiviteiten, zoals afluisteren van telefoons en observatie, na het oprollen van een cocaïnelijn waarschijnlijk weinig zouden opleveren. (Anderzijds is het ook weer niet uitgesloten dat zulks iets zou opleveren, ervan uit gaande dat een grote financiële strop als het verlies van een grote partij cocaïne wel degelijk onderwerp van bespreking in de criminele organisatie zal zijn geweest).

Daarnaast was het - uit opsporingsoogpunt - uiteraard een aantrekkelijk gegeven dat [betrokkene 1] als het ware 'klaar stond' om te gaan verklaren. Hij heeft zelf immers kort na zijn arrestatie reeds kenbaar gemaakt onder voorwaarden te willen verklaren en zelfs in juli 1997 daadwerkelijk verklaringen afgelegd ten overstaan van de CID te Haarlem."

78. Het oordeel dat er destijds een verdenking tegen verzoeker bestond wordt onbegrijpelijk genoemd omdat de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10], de gegevens omtrent telefonische contacten en de afgeluisterde telefoongesprekken zijn verkregen in de loop van het 'Carex-onderzoek', waarin verzoeker niet als verdachte is aangemerkt.

Hier lijkt mij te zijn miskend dat het Hof zelfstandig de betekenis kon bepalen van de aanwijzingen die tegen verzoeker bestonden op het moment waarop werd besloten de onderhandelingen met [betrokkene 1] aan te gaan die hebben geleid tot de met hem gesloten overeenkomst, en dat aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel niet kan afdoen dat de bij het eerder gevoerde 'Carex-onderzoek' betrokken officieren van justitie meenden dat de resultaten daarvan geen aanleiding waren ook verzoeker als verdachte in dat onderzoek te betrekken.

79. Voorts leid ik uit de omstandigheid dat de steller van het middel de door het Hof mede genoemde [betrokkene 4] onvermeld laat, de omstandigheid dat de als bewijsmiddelen 7, 8 en 9 gebezigde verklaringen van [betrokkene 4] zijn afgelegd ten overstaan van Belgische opsporingsambtenaren (en zijdelings uit hetgeen is opgemerkt op de p. 48, 49 en 57 van de in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen) af dat de verklaringen van [betrokkene 4] niet in de loop van het 'Carex-onderzoek' zijn verkregen (doch in de loop van een door de Belgische autoriteiten ingesteld onderzoek). Dat maakt het eens te meer begrijpelijk dat het Hof tot een andere waardering is gekomen ten aanzien van de zwaarwegendheid van de tegen verzoeker bestaande aanwijzingen dan de leden van het openbaar ministerie die verantwoordelijk waren voor het 'Carex-onderzoek'.

80. Vervolgens wordt het onbegrijpelijk genoemd dat het Hof die destijds tegen verzoeker bestaande aanwijzingen heeft aangemerkt als 'ernstige bezwaren', waarbij het Hof ook wordt verweten dat het heeft verzuimd te reageren op het verweer dat er geen sprake is geweest van consistente ernstige bezwaren, waarmee werd gedoeld op hardnekkige en voortdurende aanwijzingen dat verzoeker in een leidinggevende rol bij de cocaïnetransporten betrokken is geweest.

81. Of de feiten en omstandigheden die een verdenking kunnen opleveren ook van dien aard zijn dat gesproken moet worden van 'ernstige bezwaren' is een oordeel van feitelijke aard. 's Hofs vaststelling dat die graad van verdenking tegen verzoeker heeft bestaan kan daarom alleen op haar begrijpelijkheid worden onderzocht. Nu het Hof er op heeft gewezen dat drie personen verklaringen hadden afgelegd waarin verzoekers betrokkenheid bij de strafbare feiten naar voren komt, en voorts gewezen op een groot aantal telefonische contacten, en de inhoud van een aantal telefoongesprekken, die steun konden bieden voor de juistheid van die verklaringen, is het oordeel dat er - ten tijde van de onderhandelingen met [betrokkene 1] met het oog op de door deze af te leggen, voor verzoeker belastende, verklaringen - ernstige bezwaren tegen verzoeker hebben bestaan niet onbegrijpelijk.

82. Het in de toelichting op het middel onder 2.4 gestelde berust kennelijk op het ook reeds in het verweer tot uitdrukking gebrachte standpunt dat het sluiten van een overeenkomst, met een persoon die is aan te merken als dader van strafbare feiten of die dat kan blijken te zijn, met het oog op door deze persoon af te leggen verklaringen slechts rechtmatig genoemd kan worden indien er tegen degenen waarop die verklaringen betrekking zullen hebben niet alleen ernstig te nemen aanwijzingen zijn, maar ook "hardnekkige en voortdurende" aanwijzingen. Daarmee wordt, naar ik aanneem, gedoeld op verschillende, elkaar opvolgende en versterkende, aanwijzingen betreffende de voortgaande betrokkenheid bij strafbare feiten.

83. In zoverre wordt naar mijn inzicht een eis gesteld die, in zo algemene bewoordingen, geen steun vindt in het recht. Het is van de aard van de vermoedelijk begane feiten afhankelijk of een herhaling en bevestiging in de aanwijzingen tegen de bij die feiten vermoedelijk betrokken personen verlangd moet worden om het sluiten van een overeenkomst met een potentiële (criminele) getuige in overeenstemming te kunnen achten met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ik wijs er op dat in de reeds genoemde 'Richtlijn afspraken met criminelen' tot uitgangspunt is genomen dat zo een afspraak alleen toelaatbaar is "in zaken van georganiseerde criminaliteit of zaken van leven of dood". In ieder geval bij een 'zaak van leven of dood' zal niet verlangd kunnen worden dat er reeds een zekere herhaling in aanwijzingen tegen de daarvoor verantwoordelijke personen is alvorens een overeenkomst kan worden aangegaan. Die eis kan evenmin gesteld worden bij het vermoeden dat een bijzonder grote hoeveelheid harddrugs is geïmporteerd of verhandeld, of dat dit op het punt staat te geschieden. Overigens wijst dat vermoeden reeds dwingend op georganiseerde criminaliteit. Een zekere mate van herhaling of continuïteit in de reeds verkregen aanwijzingen zal, naar mij voorkomt, voor het aangaan van een overeenkomst met een potentiële getuige wel verlangd kunnen worden indien het bijvoorbeeld gaat om de stelselmatige invoer, verhandeling of vervaardiging van betrekkelijk geringe hoeveelheden verdovende middelen. In dat geval ontlenen de feiten aan hun stelselmatigheid en herhaling hun bijzondere ernst, die het aangaan van een overeenkomst met een criminele getuige tot een evenredig opsporingsmiddel kan maken.

84. In de toelichting op het middel onder 2.5 tot en met 2.7 wordt het Hof verweten dat het aan het subsidiariteitsvereiste onvoldoende gewicht heeft toegekend doordat het weliswaar heeft vastgesteld dat niet is gebleken van "enig primair opsporingsonderzoek" tegen verzoeker, maar het belang daarvan heeft gerelativeerd door de verwachting dat andere opsporingsmiddelen weinig hadden opgeleverd (hoewel het Hof dat niet geheel heeft willen uitsluiten) en tegenover die verwachting te stellen dat het uit een opsporingsoogpunt aantrekkelijk was dat [betrokkene 1] bereid was te gaan verklaren.

85. Aangevoerd wordt (de toelichting op het middel onder 2.6) dat de enkele verwachting dat een 'primair opsporingsonderzoek' niets zou opleveren ontoereikend is om aan het subsidiariteitsbeginsel een "serieuze invulling" te geven, en dat een overeenkomst zoals die met [betrokkene 1] is gesloten alleen aanvaardbaar is indien metterdaad is gebleken dat reguliere opsporingsmethoden onvoldoende resultaat afwerpen.

Ik herinner mij dat dezelfde stelling enige tijd geleden is opgeworpen in verband met de infiltratie als opsporingsmethode. Ook toen werd betoogd dat de inzet van dat middel alleen verantwoord zou zijn, en de toets aan het subsidiariteitsvereiste zou doorstaan, indien voorafgaande aan de inzet van de infiltrant was gebleken dat meer conventionele, en minder ingrijpend geachte, onderzoeksmethoden niet tot een succesvolle opsporing konden voeren. Toen is die gedachte niet gevolgd: bij de beoordeling of de inzet van een infiltrant een onevenredig zwaar of ingrijpend middel is mocht de rechter volstaan met de vaststelling dat redelijkerwijs niet te verwachten is dat andere, meer gebruikelijke methoden voldoende resultaat zouden hebben, vgl HR NJ 1990, 239 en HR NJ 1994, 294.

86. Waarom aan de beoordeling van een overeenkomst met een criminele getuige, waarbij hem toezeggingen zijn gedaan om verklaringen te verkrijgen, in dit opzicht strengere eisen gesteld zouden moeten worden, in die zin dat daarbij moet blijken dat andere middelen daadwerkelijk ontoereikend zijn geweest, zie ik niet in. De steller van het middel herhaalt het bij pleidooi ingenomen standpunt dat, gelet op de fundamenteelrechtelijke, processuele en rechtspolitieke aspecten die aan zulke overeenkomsten zijn verbonden en de omstandigheid dat die raken aan de integriteit van de strafrechtspleging, niet te aanvaarden is dat de toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel verwordt tot een "lege mooie huls". Dat is zonder twijfel juist, maar dit te vermijden resultaat behoeft niet noodzakelijk in te treden indien de rechter bij het onderzoek of een dergelijke overeenkomst een onevenredig zwaar middel is volstaat met de vaststelling dat redelijkerwijs niet aan te nemen is dat andere methoden tot een succesvolle opsporing zouden leiden.

87. Er moet niet uit het oog worden verloren dat het stellen van een verdergaande eis ten aanzien van het tekortschieten van andere opsporingsmiddelen, net zoals het geval is bij infiltratie - die, weliswaar op andere wijze, evenzeer gevaren voor een integere strafrechtspleging kan meebrengen, en waartegen evenzeer principiële bezwaren zijn in te brengen - in de praktijk aan een doeltreffende opsporing in de weg kan staan. Opsporing moet niet alleen eerlijk en evenwichtig zijn, maar ook effectief. Afhankelijk van de ernst van de strafbare feiten zal niet steeds gevergd kunnen worden dat de minst of minder ingrijpende methoden worden beproefd totdat zij aanwijsbaar ondeugdelijk zijn alvorens naar de zwaarste middelen wordt gegrepen, met alle tijdverlies en risico's van dien.

88. Daarom meen ik, anders dan de steller van het middel, dat het Hof terecht in zijn oordeel heeft betrokken dat [betrokkene 1] 'klaar stond' om verklaringen af te leggen. Die omstandigheid heeft, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, wel degelijk te maken met het subsidiariteitsverereiste. Dat vereiste moet niet onder alle omstandigheden meebrengen dat politie en openbaar ministerie een beschikbare mogelijkheid om bewijs te vergaren ongebruikt dienen te laten totdat gebleken is dat het op andere wijze, met minder ingrijpende methoden, werkelijk niet lukt.

89. De beredeneerde onaannemelijkheid dat minder ingrijpende middelen toereikend zouden zijn kan het oordeel dat een opsporingsmiddel, dat op zichzelf beschouwd ingrijpend is en risico's in zich draagt, in het concrete geval niet een te zwaar middel is dragen. 's Hofs oordeel dat het achterwege blijven van een 'primair opsporingsonderzoek' weliswaar een onvolkomenheid is (in de bestreden uitspraak opgenomen "Ad 8. Conclusie"), maar niet meebrengt dat het aangaan van de overeenkomst met [betrokkene 1] in strijd was met het subsidiariteitsvereiste getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

90. Het zesde middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het sluiten van de overeenkomst met [betrokkene 1] onrechtmatig is geweest omdat er is gehandeld met een onzuiver oogmerk.

91. Daaromtrent is in de bestreden uitspraak overwogen:

"Ad 4. ZUIVERHEID VAN OOGMERK

De verdediging heeft terecht gesteld dat [...] - kort gezegd - de CTC ten onrechte heeft voorgespiegeld dat de verklaringen van [betrokkene 1] mogelijk licht konden brengen in de IRT-affaire, teneinde deze te bewegen goedkeuring te verlenen aan de overeenkomst met [betrokkene 1].

Op het moment waarop [...] zulks deed, was immers al duidelijk dat [betrokkene 1] niets van belang over IRT-zaken kon verklaren.

Wat er evenwel ook zij van deze - inderdaad onzuivere - handelwijze van [...], waardoor de CTC 'op het verkeerde been kan zijn gezet' en het resultaat van de toetsing door deze commissie van het openbaar ministerie wellicht anders had kunnen uitvallen, de uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige overeenkomst blijft niettemin aan het hof voorbehouden."

92. Hiertegen wordt aangevoerd dat het verweer geen betrekking had op een juiste en volledige voorlichting van de CTC, maar op het (oneigenlijke) oogmerk verzoeker er, na diens veroordeling in de onderhavige zaak, toe te brengen "zijn vinger op te steken" of "aan de bel te trekken". Dat wil zeggen verzoeker door diens veroordeling in de situatie te brengen waarin hij bereid zou zijn, in het kader van een met hem te sluiten overeenkomst, verklaringen af te leggen waardoor licht geworpen zou kunnen worden op onopgehelderde IRT-kwesties.

Op dàt verweer zou het Hof geen beslissing hebben gegeven, waarbij er op wordt gewezen dat het Hof het verweer, blijkens de samenvatting ervan in de bestreden uitspraak, wel in deze zin heeft begrepen.

93. Het desbetreffende verweer is in de in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen opgenomen op de bladzijden 59 tot en met 70. Daarin staat centraal dat [...] herhaaldelijk inlichtingen aan de CTC heeft doen toekomen teneinde toestemming te krijgen om de overeenkomst met [betrokkene 1] te sluiten. Nadat die toestemming eerder was uitgebleven zou [...], om de CTC alsnog akkoord te doen gaan, steeds sterker hebben benadrukt dat [betrokkene 1] niet alleen over verzoeker en zijn betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen zou kunnen verklaren, maar ook over kwesties die met het voormalige IRT samenhingen. Zo is op p. 65 van de pleitaantekeningen een brief van [...] aangehaald, waarin de passage voorkomt:

"Buiten de reeds eerder genoemde essentiële en onontbeerlijke waarde van de verklaringen van [betrokkene 1] ten aanzien van de verdachte [verdachte] en andere reeds bekende en onbekende verdachten, hebben deze verklaringen tevens een essentiële en onontbeerlijke waarde ten aanzien van het onderzoek 96060".

Met dat laatste onderzoek zou [...] hebben gedoeld op het 'post-IRT-onderzoek'.

94. Op p. 67 van de pleitaantekeningen is gesteld:

"Uit de CTC-correspondentie kunnen we derhalve zonder twijfel concluderen dat het gestelde post-IRT-onderzoeksbelang het enige kenbare motief is geweest teneinde het College van Procureurs-Generaal over de streep te krijgen.

Uitdrukkelijk zij overigens nog gesteld dat ik zeker niet wil tegenspreken dat het uiteraard wel de bedoeling was om met de deal-verklaringen van [betrokkene 1] cliënt veroordeeld te krijgen.

Dat was onmisbaar in de visie van [...] teneinde een opstapje te hebben naar de oplossing van het IRT-drama.

[...] lijkt ook ten overstaan van uw gerechtshof daarin open te zijn (...):

"U wijst op de brief van 14 september 1997 van mij aan mr. Holthuis (...) met daarin - zakelijk weergegeven - de opmerking dat een deal tevens waarde zou hebben in het 06-0-project. Ik heb dat geschreven, omdat er op dat moment iets minimaals was verklaard door [betrokkene 1]. In het verlengde van een door ons te sluiten deal met [betrokkene 1], zou [verdachte] - na te zijn veroordeeld - kunnen gaan praten over zaken in de IRT-sfeer. De deal met [betrokkene 1] werd dus mede gebruikt als opstap naar een mogelijk daarop te volgen verklaring van [verdachte]. Het is niet zo dat aan [verdachte] een deal zou worden aangeboden. Maar een deal met [betrokkene 1] zou er mogelijk toe leiden dat [verdachte] op zijn beurt aan de bel zou trekken. Het is niet uitgesloten dat met [verdachte] een deal zou worden gesloten."

95. In de afsluitende paragraaf van het onderdeel van de pleitaantekeningen waarin het verweer is opgenomen is opgemerkt:

- dat de onzuiverheid van het oogmerk is gegeven nu enerzijds is vastgesteld dat er in de onderhavige zaak geen enkele IRT-connectie was, terwijl het IRT-debacle wel als doorslaggevende en enige kenbare reden is gegeven om in de onderhavige zaak een kroongetuige in te zetten;

- dat niet nagegaan kon worden of de door [betrokkene 1] verstrekte informatie deugdelijk en essentieel was voor het zogenaamde 06-0-onderzoek; dat [...] in de eerder aangehaalde brief aan zijn hoofdofficier weliswaar heeft gerept van (door [betrokkene 1] te verschaffen) informatie die van 'essentiële en onontbeerlijke waarde' voor dat 06-0 (IRT) onderzoek was, maar dat niet toetsbaar is wat [betrokkene 1] kennelijk over de IRT-zaak heeft gezegd;

- dat, zo justitie met een zuiver oogmerk had willen handelen, de verklaringen van [betrokkene 1] wellicht gebruikt hadden moeten worden in strafrechtelijke onderzoeken die mogelijk nog tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] liepen of tegen andere subjecten in het zogenaamde 06-0 onderzoek, "[m]aar niet over de rug van [verdachte] die zich terzake totaal niet kan verweren of zijn visie kan geven".

96. Gelet op het vorenstaande kon het Hof het verweer naar mijn inzicht aldus verstaan dat het weliswaar mede inhield dat [...] zich heeft laten leiden door de gedachte dat het aangaan van de overeenkomst met [betrokkene 1] kon bevorderen dat verzoeker zou worden veroordeeld en vervolgens bereid zou blijken op zijn beurt (in het kader van een overeenkomst) verklaringen af te leggen betreffende onopgehelderde IRT-kwesties, maar dat de onzuiverheid in het oogmerk waarmee [...] heeft gehandeld er in de eerste plaats in gelegen is geweest dat hij het, na te hebben ervaren dat toestemming voor de overeenkomst met [betrokkene 1] niet zonder meer zou worden gegeven, om die toestemming alsnog te krijgen op ondeugdelijke gronden heeft voorgesteld alsof [betrokkene 1] belangrijke informatie betreffende die IRT-kwesties kon geven.

97. Ik geef onmiddellijk toe dat het Hof het verweer (p. 4 van de bestreden uitspraak, onder 4.1) zodanig heeft samengevat dat deze officier van justitie een onzuiver oogmerk heeft gehad bij zijn streven verzoeker veroordeeld te krijgen. In dat opzicht zou 'abus de pouvoir' of 'détournement de pouvoir' echter, naar mij voorkomt, alleen aan de orde kunnen komen indien gesteld zou zijn dat de officier van justitie naar een veroordeling heeft gestreefd (teneinde verzoeker in de positie te brengen waarin hij bereid was over andere zaken of personen te verklaren) die op zichzelf beschouwd niet te rechtvaardigen zou zijn. Dat is in het gevoerde verweer evenwel niet te vinden. Zoals het verweer is neergelegd in de pleitaantekeningen kan ik daar niet in terugvinden dat het uitmondt in de zelfstandig te beantwoorden vraag of een overeenkomst met een (criminele) getuige rechtmatig wordt gesloten indien dat geschiedt met het oog op de vervolging van een persoon wiens veroordeling niet wordt nagestreefd om een juiste sanctie te stellen op de door die persoon vermoedelijk begane feiten, maar uitsluitend of hoofdzakelijk om hem ontvankelijk te maken voor het afleggen van verklaringen.

Daarom houd ik de samenvatting van het verweer in de bestreden uitspraak voor een minder gelukkige.

98. Naar mijn inzicht is het verweer, zoals daarvan uit de pleitaantekeningen blijkt, in de bestreden uitspraak op toereikende wijze verworpen, zodat het middel faalt.

99. In het zevende middel wordt betoogd dat op onjuiste, ontoereikende, of onbegrijpelijke gronden het verweer is verworpen dat de overeenkomst met [betrokkene 1] onrechtmatig is geweest omdat het openbaar ministerie niet, althans onvoldoende, open is geweest omtrent relevante aspecten van het sluiten van die overeenkomst.

100. In dat verband heeft het Hof vastgesteld dat een verslag of journaal van de gesprekken en onderhandelingen met [betrokkene 1] ontbreekt, en overwogen dat het uit een oogpunt van openheid en toetsbaarheid en ook in verband met proceseconomie verkieslijk zou zijn geweest dat zo een verslag of journaal wèl beschikbaar was geweest, doch uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende duidelijkheid is gekregen over die gesprekken en onderhandelingen.

101. Aangevoerd wordt dat het Hof zodoende allereerst heeft miskend dat de verplichting tot het opmaken van zo een verslag of journaal rechtstreeks voortvloeit uit de Richtlijn afspraken met criminelen en ook uit art. 152 Sv.

Dat schrijft de Richtlijn inderdaad voor (punt 5.4). Het is evenwel aan de rechter om te beoordelen of een verzuim aan dit voorschrift te voldoen het sluiten van de overeenkomst onrechtmatig maakt, of in ieder geval tot consequenties dient te voeren, en daarbij kan worden betrokken dat de verlangde duidelijkheid op andere wijze is verkregen.

Voor zover het opmaken of bijhouden van een verslag of journaal betreffende onderhandelingen en gesprekken met het oog op een met een getuige te sluiten overeenkomst al onder het in art. 152 Sv gegeven voorschrift zijn te brengen, geldt evenzeer dat het niet-naleven van dit voorschrift niet noodzakelijk tot consequenties behoeft te voeren. Het staat de rechter vrij om aan zo'n verzuim geen gevolgen te verbinden, met name indien aan te nemen valt dat een ambtsedig relaas betreffende enige opsporingsverrichting niet achterwege is gelaten teneinde de rechter te misleiden of te hinderen in zijn controlerende taak (HR NJ 1997, 308), en overigens - wederom - indien op andere wijze voldoende duidelijkheid is verkregen omtrent de opsporingshandelingen in kwestie (HR NJ 1995, 752).

102. De overweging dat voldoende duidelijkheid is verkregen omtrent de met [betrokkene 1] gevoerde gesprekken en onderhandelingen wordt, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, niet minder begrijpelijk in het licht van de vaststelling dat "bij gebreke van een adequate vastlegging" niet meer een geheel duidelijke reconstructie kan worden gemaakt van de gang van zaken met betrekking tot het instellen en intrekken van het hoger beroep in de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Daarbij moet het Hof met 'vastlegging' het oog hebben gehad op de interne registratie van hetgeen leden van het openbaar ministerie in verband met het intrekken van dat hoger beroep hebben besproken, hetgeen is te onderscheiden van de met [betrokkene 1] gevoerde gesprekken en onderhandelingen. Om dezelfde reden wordt deze overweging niet onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling dat niet geheel duidelijk is geworden waarom het tegen [betrokkene 1] gevoerde strafrechtelijk financieel onderzoek is stopgezet. Ook dat kan worden onderscheiden van (duidelijkheid omtrent) de met [betrokkene 1] gevoerde onderhandelingen.

Daarbij voegt zich dat het Hof heeft kunnen vaststellen dat het ook omtrent het intrekken van het hoger beroep en het stopzetten van het strafrechtelijk financieel onderzoek in ieder geval voldoende duidelijkheid heeft kunnen krijgen om de vraag te beantwoorden of er aan [betrokkene 1] onevenredig grote tegenprestaties zijn toegezegd.

103. Een volgend punt waarop onvoldoende openheid zou zijn betracht is in de samenvatting van het verweer aldus aangeduid dat het openbaar ministerie versluierend bezig is geweest met betrekking tot de aanleiding en het initiatief van de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst. Dienaangaande heeft het Hof verwezen naar hetgeen het onder 'zuiverheid van oogmerk' reeds had overwogen. In de toelichting op het middel wordt ogpemerkt dat daar niets is te vinden omtrent de vraag wie het initiatief tot de tweede deal (te lezen als: de tweede onderhandelingen die hebben gevoerd tot de enige gesloten deal) heeft genomen.

Klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof dit onderdeel van het verweer aldus opgevat dat werd betoogd dat onduidelijk is gebleven welk lid of welke leden van het openbaar ministerie het initiatief voor die onderhandelingen hebben genomen, en wat daartoe voor hem of hen de aanleiding is geweest. In hetgeen het Hof onder 'zuiverheid van oogmerk' heeft overwogen ligt besloten dat [...] die persoon is geweest, en dat hij naar de overeenkomst heeft gestreefd omdat hij meende dat daarmee uiteindelijk het 'post-IRT-onderzoek' gediend zou kunnen zijn.

104. Met betrekking tot het intrekken van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in de zaak tegen [betrokkene 1] (met als inzet voornamelijk de vraag of hij alsnog veroordeeld zou kunnen worden voor betrokkenheid bij het transport van 700 kilogram cocaïne) heeft het Hof, na te hebben overwogen dat bij gebreke aan een adequate vastlegging niet geheel duidelijk kon worden gereconstrueerd hoe de gang van zaken is geweest, vastgesteld dat uit het onderzoek ter terechtzitting niettemin duidelijk is geworden dat de zaak als een 'gewone zaak' door de advocaat-generaal [getuige 2] is beoordeeld, "en dat deze zonder extra of bijzondere aandacht de haalbaarheid van het hoger beroep heeft bezien".

105. Hiertegen wordt aangevoerd dat, indien het Hof daarmee heeft bedoeld dat de advocaat-generaal de zaak op haalbaarheid heeft beoordeeld zonder zelf van het dossier kennis te nemen, onbegrijpelijk is dat het Hof de kwestie voldoende opgehelderd heeft geacht omdat "in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat een beoordeling van de haalbaarheid van een appèl mogelijk is zonder zelf van het dossier kennis te nemen". Dat lijkt mij niet ter zake. Het Hof diende vast te stellen of het intrekken van het hoger beroep voortkwam uit een binnen het openbaar ministerie gemaakte afweging over de haalbaarheid van het appèl, dan wel moet worden gezien als een (verborgen gehouden) onderdeel van de [betrokkene 1] gedane toezeggingen. De omstandigheid dat de advocaat-generaal de officier van justitie (welke, aan het Haarlemse arrondissementsparket verbonden, officier van justitie dat ook is geweest) desgevraagd heeft meegedeeld dat de vrijspraak ter zake van de 700 kilogram cocaïne naar haar inzicht in hoger beroep in stand zou blijven kan de gevolgtrekking steunen dat het intrekken van het hoger beroep geen uitvloeisel was van een aan [betrokkene 1] gedane toezegging. Daarbij is niet van belang of de advocaat-generaal bij het Hof haar advies heeft gegeven op grond van een meer of minder grondige kennisneming van hetgeen tot bewijs zou kunnen dienen.

106. In de toelichting op het middel onder 2.5 wordt opgekomen tegen de overweging dat, wat er ook zij van de openheid en duidelijkheid die [...] tegenover de Centrale Toetsingscommissie van het openbaar ministerie, zijn hoofdofficier en het College van Procureurs-Generaal heeft betracht, de beoordeling van de rechtmatigheid van de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst aan het Hof voorbehouden blijft.

Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd kon het Hof voorbijgaan aan de mogelijkheid dat de Centrale Toetsingscommissie op onjuiste gronden tot een goedkeurend advies, en het College van Procureurs-Generaal tot het geven van toestemming zijn gebracht. De omstandigheid dat dit advies en deze toestemming ingevolge de 'Richtlijn afspraken met criminelen' voorwaarde zijn voor een overeenkomst, en die Richtlijn is aan te merken als bevattende rechtsregels in de zin van (thans) art. 79 RO, brengt niet mee dat de rechter zo een overeenkomst als onrechtmatig dient te beschouwen indien het advies en de toestemming op onjuiste gronden zijn gegeven.

107. In de toelichting op het middel onder 2.6 wordt tegen 's Hofs oordeel dat het ongelukkig is dat één der in de CTC-stukken zwart gemaakte passages enige relevantie bleek te hebben voor het totstandkomen van de overeenkomst met [betrokkene 1], en het onleesbaar maken ervan niets uitstaande bleek te hebben met zwaarwegende opsporingsbelangen, maar dat hierin geen aanleiding te vinden is voor de veronderstelling dat ook de andere onleesbaar gemaakte passages van belang kunnen zijn, opgekomen met de reeds in het tweede middel betrokken stelling dat het Hof zodoende zijn oordeel in handen van het openbaar ministerie heeft gelegd.

Dat heeft het Hof, zoals naar aanleiding van het tweede middel uiteengezet, niet. Het staat de rechter vrij om op andere wijze dan door kennisneming van een door het openbaar ministerie buiten het dossier gehouden gegeven vast te stellen dat het voor beoordeling van de zaak niet van belang is.

Het oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de nog steeds zwart gemaakte passages van enig belang kunnen zijn voor door het Hof te nemen beslissingen is feitelijk, en kan in cassatie niet nader worden getoetst.

108. Betreffende de overweging dat correspondentie tussen (de raadsman van) [betrokkene 1] en het openbaar ministerie niet in het dossier is gevoegd wordt in de toelichting op het middel onder 2.8 aangevoerd dat het beroepsgeheim van een advocaat, waarnaar het Hof heeft verwezen, in ieder geval geen betrekking heeft op correspondentie tussen die advocaat en het openbaar ministerie, of tussen diens cliënt en het openbaar ministerie. Dat lijkt mij maar de vraag. Ik acht het niet ondenkbaar dat een advocaat correspondentie met een lid van het openbaar ministerie voert in de verwachting dat die briefwisseling als vertrouwelijk zal worden aangemerkt, en dat zal worden gerespecteerd dat de advocaat mededeling doet betreffende hetgeen hem als vertrouwenspersoon bekend is geworden.

Doch wat daar van zij: het Hof heeft ook in dit verband vastgesteld dat voldoende duidelijkheid is verkregen omtrent de gesprekken en onderhandelingen die tot de overeenkomst met [betrokkene 1] hebben geleid, en dat vormt, tezamen met de niet aanstonds onjuist te noemen overweging dat het openbaar ministerie, met het oog op het beroepsgeheim van een advocaat, niet verplicht was reeds bij de onderhandelingen met [betrokkene 1] en diens raadsman de voorwaarde te stellen dat de met hen gevoerde correspondentie later bekend gemaakt moest kunnen worden, een toereikende verwerping van het verweer dat het ontbreken van die correspondentie gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de overeenkomst en de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen.

109. Het Hof heeft voorts overwogen dat de verdediging er terecht op heeft gewezen dat [...] de CTC ten onrechte heeft voorgespiegeld dat verklaringen van [betrokkene 1] licht zouden kunnen werpen op de IRT-affaire, maar dat de verdediging het openbaar ministerie niet tegelijkertijd kan tegenwerpen dat het niet open is geweest over het hoofddoel van de deal, te weten licht in de IRT-duisternis brengen.

Daartegen wordt aangevoerd dat die twee verwijten zeer wel kunnen samengaan. De stelling lijkt mij te theoretisch om van belang te kunnen zijn. In de vaststelling dat het niet mogelijk is de officier van justitie [...] (terecht) te verwijten dat hij het boven hem geplaatste gezag verkeerd heeft geïnformeerd door het op onhoudbare gronden voor te spiegelen alsof de deal met [betrokkene 1] van groot belang zou zijn voor het onderzoek naar IRT-kwesties, maar tegelijkertijd het openbaar ministerie te verwijten dat het verborgen heeft gehouden dat 'licht scheppen in de IRT-duisternis' een met de deal beoogd doel was, schuilt onweerlegbare logica.

110. De in de pleitaantekeningen daaraan verbonden opmerking "maar uiteindelijk is de IRT-zaak aan ons zicht onttrokken en kan er dus niet getoetst worden aan alle terzake doende beginselen" is van een zo grote onbepaaldheid dat het Hof, anders dan in de toelichting op het middel nog wordt betoogd, niet gehouden was daarop in te gaan.

111. Tegen de overweging dat het beter zou zijn geweest dat het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [betrokkene 1] was voortgezet, niet duidelijk is geworden waarom dit niet is gebeurd, maar omtrent de resultaten ervan voldoende duidelijk is geworden om die bij de beoordeling van de met [betrokkene 1] gesloten overeenkomst te betrekken wordt in de toelichting op het middel onder 2.10 ingebracht dat niet blijkt dat het Hof daadwerkelijk in zijn oordeel heeft betrokken in welke omvang [betrokkene 1] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en welk deel daarvan hij als rechtstreeks gevolg van de overeenkomst heeft mogen behouden.

Voorts wordt betoogd dat het voor het beweerde gebrek aan openheid niet van belang is, zoals het Hof heeft vastgesteld, dat niet aannemelijk is dat het strafrechtelijk financieel onderzoek is gestaakt om doelbewust de (verwachte) resultaten daarvan buiten beschouwing te doen blijven, "reeds omdat in ieder geval doelbewust is geprobeerd de verklaringen van [betrokkene 1] te kopen door hem een enorm bedrag aan wederrechtelijk voordeel cadeau te doen".

112. Dat laatste staat juist niet vast. Het Hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] van de inbeslaggenomen geldswaarden een bedrag van fl 200.000,= bij wege van schikking heeft afgestaan, en dat hem goederen ter waarde van fl 19.000 worden teruggegeven. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat het openbaar ministerie weliswaar een zeer omvangrijke ontnemingsvordering had kunnen indienen, maar dat het, gelet op de mogelijkheid dat de rechter een betalingsverplichting tot een veel lager bedrag zou vaststellen, niet onbegrijpelijk is dat het openbaar ministerie van voortzetting van het strafrechtelijk financieel onderzoek heeft afgezien.

Méér behoefde het Hof niet vast te stellen om zijn oordeel dat er voldoende duidelijkheid is verkregen op toereikende wijze te onderbouwen. In dat verband komt zeer zeker belang toe aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [betrokkene 1] is gestaakt om doelbewust de volle omvang van het door hem behaalde wederrechtelijk voordeel uit het zicht te houden.

113. Hetgeen in de toelichting op het middel onder 2.11 wordt gesteld stuit er op af dat in hoger beroep weliswaar is betoogd dat ten onrechte is nagelaten [betrokkene 1] de verklaringen voor te houden die hij eerder, in verband met de onderhandelingen die niet tot een overeenkomst voerden, had afgelegd, doch dit betoog niet de kennelijke strekking had dat dusdoende bij de berechting van verzoeker onvoldoende openheid is betracht betreffende de totstandkoming van de overeenkomst.

Dienaangaande is in de pleitaantekeningen opgemerkt (p. 84) dat [betrokkene 1] ter gelegenheid van de verklaringen die hij in verband met de wèl tot stand gekomen overeenkomst heeft afgelegd niet de CID-verklaringen zijn voorgehouden die eerder van hem waren opgenomen. Kennelijk werd daarmee beoogd te betogen dat de [betrokkene 1], door hem zijn eerdere 'CID-verklaringen' niet voor te houden onvoldoende kritisch is gehoord. Dat behoefde het Hof niet aan te merken als onderdeel van het verweer dat er bij de berechting van verzoeker onvoldoende openheid is betracht.

114. Het middel faalt in alle onderdelen.

115. Het achtste middel richt zich tegen de in de bestreden uitspraak onder Ad 8. Conclusie opgenomen overwegingen, luidende:

"Al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking genomen, kan geen van de opgeworpen verweren met betrekking tot de overeenkomst met [betrokkene 1] (ter zake van de proportionaliteit, de subsidiariteit, de zuiverheid van oogmerk, de openheid en de zorgvuldigheid) het hof brengen tot de slotsom dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn (verdere) vervolging van de verdachte, dan wel dat de verklaringen van [betrokkene 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, ook niet indien een en ander (telkens) in onderling verband en samenhang wordt bezien en bijeengenomen.

Immers, van de in het vorenstaande vastgestelde onvolkomenhden kan niet worden gezegd dat deze zodanige ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde opleveren dat daardoor, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekorgedaan.

Evenmin hebben deze onvolkomenheden geleid tot het onrechtmatig vergaren van bepaalde onderzoeksresultaten, die dientengevolge van het bewijs zouden dienen te worden uitgesloten.

Het hof acht evenwel die onvolkomenheden, te weten:

- het uitblijven van enig primair opsporingsonderzoek tegen de verdachte [verdachte],

- het feit dat de officier van justitie, [...], de CTC ten onrechte heeft voorgespiegeld dat de verklaringen van [betrokkene 1] mogelijk licht konden brengen in de IRT-affaire,

- het ontbreken van een verslag/journaal van de gesprekken en onderhandelingen met [betrokkene 1] aangaande de overeenkomst met hem,

- de bij gebreke aan een adequate vastlegging niet geheel duidelijke gang van zaken met betrekking tot het instellen en de intrekking van het hoger beroep in de Haarlemse strafzaak van [betrokkene 1],

- het feit dat een deel van de tekst in de brief van [...] aan de Hoofdofficier van justitie van 28 augustus 1998 onleesbaar was gemaakt, terwijl dit tekstgedeelte enige relevantie bleek te hebben voor de procedure van de totstandkoming van de overeenkomst, van betekenis was voor de inhoud van de afspraak en geenszins te maken had met afscherming van zwaarwegende opsporingsbelangen,

- het in evenvermelde brief door [...] gewag maken van "vermoedelijke geweldselementen", waarin de verklaringen van [betrokkene 1] inzicht zouden verschaffen, terwijl van geweldselementen in de onderhavige zaak geenszins is gebleken en ook niet duidelijk is waarop de vermoedens dienaangaande ten tijde van het schrijven van de brief konden zijn gebaseerd en

- het door het openbaar ministerie voortijdig stopzetten van het SFO tegen [betrokkene 1], bijeengenomen wel een zodanig verzuim, dat dit op de voet van het gestelde in artikel 359a, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering in een eventuele strafoplegging dient te worden verdisconteerd."

116. In de toelichting op het middel onder 2.4 tot en met 2.7 wordt betoogd dat het Hof geen begrijpelijke afweging kan hebben gemaakt omdat het niet op kenbare wijze een aantal door de verdediging naar voren gebrachte bezwaren zou hebben betrokken, welke bezwaren in het derde tot en met het zevende cassatiemiddel aan de orde zijn gesteld.

117. Dit betoog moet er op afstuiten dat in 's Hof feitelijke vaststellingen besloten ligt dat de verdediging die bezwaren ten onrechte heeft opgeworpen, hetzij omdat de feitelijke grondslag van het gestelde niet aannemelijk is geworden, hetzij omdat er, anders dan de verdediging meende, niet gesproken kan worden van strijd met in acht te nemen rechtsnormen.

Zo is het bezwaar dat verzoeker ten tijde van de met [betrokkene 1] gevoerde onderhandelingen niet een 'kroonverdachte' was (cassatiemiddel 3) verworpen door er op te wijzen dat het openbaar ministerie er naar ervaringsregels vanuit kon gaan dat het importeren van twee zeer aanzienlijke partijen cocaïne het werk was van een criminele organisatie, waarin diverse personen een min of meer belangrijke rol vervulden.

Voor het bezwaar dat aan [betrokkene 1] in het kader van de met hem gesloten overeenkomst geld en goederen ter waarde van ongeveer fl 115.000,= zijn teruggegeven (cassatiemiddel 4) heeft het Hof klaarblijkelijk onvoldoende feitelijke grondslag gevonden, daar het heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] in verband met die overeenkomst alleen goederen ter waarde van fl 19.000,= zijn teruggegeven, terwijl hij uit hoofde van een schikkingsvoorstel een bedrag van fl 200.000,= heeft afgestaan. Ik wijs er wederom op (vgl het hierboven onder 64 opgemerkte) dat uit de stukken weliswaar blijkt dat aan geldsmiddelen een bedrag van bijna fl 300.000,= is inbeslaggenomen, maar daar ook in teruggevonden kan worden dat is overeengekomen dat de kosten van aan [betrokkene 1] verleende rechtsbijstand uit die middelen zou worden voldaan.

Ook het verweer dat het sluiten van de overeenkomst met [betrokkene 1] neerkomt op een 'grote vis' die een 'kleine vis' aan de haak brengt (eveneens cassatiemiddel 4) is op feitelijke gronden van de hand gewezen.

Met betrekking tot het in cassatiemiddel 6 aan de orde gestelde bezwaar dat er is gehandeld met een onzuiver oogmerk kon het Hof aannemen dat het zich richtte tegen de onjuiste voorstelling van zaken die [...] aan zijn superieuren heeft gegeven - en dat is in de hier bestreden overwegingen betrokken - en niet inhield dat het openbaar ministerie zou hebben gehandeld met het oogmerk verzoeker ten onrechte veroordeeld te krijgen, teneinde hem ontvankelijk te maken voor het afleggen van verklaringen.

Met betrekking tot het bezwaar dat onduidelijkheid zou zijn blijven bestaan omtrent het initiatief tot het aangaan van de overeenkomst met [betrokkene 1] en het bezwaar dat is verzuimd [betrokkene 1] te confronteren met zijn eigen, eerder afgelegde verklaringen (cassatiemiddel 7) verwijs ik naar hetgeen hiervoor, onder 103 en 113, is opgemerkt.

118. Aldus kan niet worden gezegd dat het Hof onrechtmatigheden aannemelijk heeft bevonden die in de hier bestreden overwegingen ten onrechte niet zijn meegewogen.

119. In de toelichting op het middel onder 2.8 tot en met 2.12 wordt gesteld dat de door dit middel bestreden overwegingen onbegrijpelijk zijn in het licht van hetgeen in eerdere middelen is aangevoerd.

120. Met betrekking tot deze klacht moet worden vooropgesteld dat het Hof een juiste maatstaf heeft aangelegd door, ter beoordeling of de aannemelijk geworden tekortkomingen in het vooronderzoek moeten leiden tot het (ten aanzien van enkele van de tenlastegelegde feiten) niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie, tot uitgangspunt te nemen dat niet gezegd kan worden dat die onvolkomenheden zodanige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde opleveren dat daardoor, doelbewust of met grove veronachtzaming van diens belangen, aan het recht van verzoeker op een eerlijke behandeling van deze zaak is tekortgedaan.

Evenzeer is een juiste maatstaf toegepast doordat het Hof zich ervan heeft vergewist dat die onvolkomenheden niet hebben geleid tot onrechtmatige vergaring van onderzoeksresultaten, waarin besloten ligt dat niet is gebleken dat die onvolkomenheden moeten worden aangemerkt als schendingen van rechtsnormen, strekkende tot bescherming van verzoekers belangen, die er rechtstreeks toe hebben geleid dat de onderzoeksresultaten verkregen konden worden.

121. Met het oog op hetgeen hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van de voorgaande cassatiemiddelen acht ik het oordeel dat de gebleken onvolkomenheden of tekortkomingen geen grondslag vormen om het openbaar ministerie niet-onvankelijk te verklaren of om onderzoeksresultaten wegens onrechtmatige verkrijging buiten beschouwing te laten, ook niet indien deze onvolkomenheden of tekortkomingen in onderling verband worden beschouwd, niet onbegrijpelijk. Ik zou dat slechts nader kunnen toelichten door mijn opmerkingen naar aanleiding van de voorgaande middelen te herhalen.

122. Het middel faalt.

123. Het negende middel bevat klachten betreffende de bewezenverklaring van het vierde feit. Aangevoerd wordt dat ten onrechte is aangenomen dat de bewezenverklaarde handelingen een begin van uitvoering vormen, als bedoeld in art. 45 Sr, althans 's Hofs oordeel dat die gedragingen als zodanig zijn aan te merken zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

124. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde is bewezenverklaard dat verzoeker, dan wel een of meer van zijn daar genoemde mededaders, op tijdstippen in de periode van 1 maart 1993 tot en met 23 december 1996, te Amsterdam en in Sri Lanka, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk vanuit Sri Lanka ongeveer 10.150 kilogram hashish binnen Nederlands grondgebied te brengen, de volgende handelingen heeft of hebben verricht.

Onder drie eerste gedachtestreepjes is vermeld: het zich laten introduceren bij personen om overleg te voeren en afspraken te maken (of dat telkens te laten doen) met betrekking tot het verschepen van containers met hashish naar Nederland; een of meer geldbedragen als onkosten- of reisvergoedingen (laten) verstrekken (de woorden "verstrekt en/of laten verstrekken" zijn per abuis niet uit de tenlastelegging overgenomen), alsmede overleg met deze twee personen (laten) voeren en afspraken met hen (laten) maken over de uitvoering van het misdrijf.

Onder drie daarop volgende gedachtestreepjes is vermeld: het aanschaffen en betalen van een vissersschip om de hashish verder te kunnen vervoeren; op zee overladen van de ruim 10 ton hashish op dit vissersschip en dat vaartuig met de hashish in de richting van (het vasteland van) Sri Lanka laten varen, en de hashish binnen Sri Lankees grondgebied brengen om vervolgens naar Nederland te laten vervoeren, alsmede maatregelen treffen om de hashish in ontvangst te (laten) nemen.

125. Onder 'de strafbaarheid van de feiten' heeft het Hof overwogen dat de onder de eerste drie gedachtestreepjes genoemde handelingen geen strafbare gedragingen zijn, omdat het geen gedragingen zijn die het strafbare feit zelf betreffen, art. 1, vierde lid, Ow zich niet tot die gedragingen uitstrekt, en die gedragingen ook overigens niet als strafbaar zijn aan te merken. In zoverre heeft het Hof verzoeker van alle rechtsvervolging ontslagen.

126. In het middel wordt er op gewezen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de vissersboot in kwestie (de [vissersboot]) met de partij van ruim 10 ton hashish door de Sri Lankese politie is onderschept.

Betoogd wordt dat de bewezen en strafbaar verklaarde gedragingen geen begin van uitvoering laten zien van het binnen Nederlands grondgebied brengen van die in Sri Lanka in beslaggenomen drugs, daar die gedragingen niet naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn te beschouwen als gericht op de voltooiïng van dat misdrijf. Gesteld wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken van gedragingen die waren gericht op het voorgenomen vervolgtransport van Sri Lanka naar Nederland.

127. Opmerking verdient dat de bewijsmiddelen 23 tot en met 45 zijn gebezigd tot bewijs van zowel het onder 4, als het onder 2 tenlastegelegde feit, en de bewijsmiddelen 46 tot en met 52 strekken tot bewijs van alle bewezenverklaarde feiten.

Het onder 2 bewezenverklaarde feit betreft de deelneming (als bestuurder) aan een criminele organisatie, gevormd door verzoeker, de overige personen die ook in de bewezenverklaring onder 4 zijn genoemd en nog een andere persoon, op tijdstippen tussen 1 maart 1993 en 1 juni 1997, te Amsterdam, elders in Nederland en op Sri Lanka, welke organisatie beoogde het opzettelijk binnen Nederlands grondgebied brengen van hashish.

128. Het lijkt mij dat in deze bewijsmiddelen in voldoende mate naar voren komt dat de onder 4 bewezenverklaarde gedragingen zijn gesteld teneinde uitvoering te geven aan het voornemen de in Sri Lanka inbeslaggenomen partij hashish naar Nederland te vervoeren.

129. Zo heeft de in de bewezenverklaring genoemde [betrokkene 10] verklaard (bewijsmiddel 46) dat hij bij die partij hashish betrokken is geweest; dat verzoeker, hem bekend als [verdachte], een Nederlandse groepering vertegenwoordigde die de feitelijke afnemer van de hashish was; dat hij verzoeker meermalen in Sri Lanka heeft ontmoet en vanuit Sri Lanka contact met hem heeft gezocht; dat verzoeker in Sri Lanka is geweest om een deklading te verzorgen en dat de groepering van verzoeker zou zorgdragen voor de verscheping per container van de hashish naar Nederland.

130. Verzoeker heeft bevestigd dat hij in Sri Lanka pakhuizen had gehuurd (bewijsmiddelen 43 en 44). Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker die pakhuizen heeft geregeld om daar goederen op te slaan die uit Sri Lanka geëxporteerd moesten worden (bewijsmiddel 37). Overigens volgt uit de bewijsmiddelen ook dat verzoeker een belangrijke rol heeft gespeeld bij de aankoop van de vissersboot [de vissersboot] (bewijsmiddel 34), en betrokken is geweest bij de aankoop van een vrachtwagen (bewijsmiddelen 35 en 49), die de Sri Lankese politie bij de vissersboot heeft aangetroffen (bewijsmiddel 40), die kennelijk moest dienen om de hashish op te halen (bewijsmiddel 50).

131. Uit de bewijsmiddelen, die mede strekken tot bewijs van het onder 2 bewezenverklaarde feit, kan voorts worden afgeleid dat verzoeker en zijn mededaders bij eerdere gelegenheden dezelfde gedragingen hebben verricht om hashish naar Nederland te brengen, dat wil zeggen dat de van elders aangevoerde hashish in Sri Lanka in een pakhuis werd opgeslagen en vervolgens met dekladingen naar Nederland verscheept. Aldus is gehandeld met een partij van 700 kilogram hashish (bewijsmiddel 26).

Naar mijn inzicht kan dit bevestigen dat ook de onder 4 bewezenverklaarde handelingen ten aanzien van de partij van ruim tienduizend kilogram hashish waren gericht op het vervoer daarvan naar Nederland, en zijn aan te merken als een begin van uitvoering van dat misdrijf.

132. Daarom komt het mij voor dat ook het laatste middel vergeefs is voorgesteld.

133. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden