Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00954/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 00954/01

Mr Jörg

Zitting 7 mei 2002

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij verstek door gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 2 april 1997 wegens - kort gezegd - valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (bijstandsfraude), veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.M.C.C. Verblackt, advocaat te Venlo, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel betreft klacht(en) omtrent de termijn van behandeling van de zaak.

4. Alhoewel de aanhef van het middel doet vermoeden dat uitsluitend wordt geklaagd over het achterwege laten van de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie - wegens overschrijding van de redelijke termijn - door het gerechthof, is dit niet het geval. Blijkens de toelichting wordt eveneens geklaagd over het tijdsverloop na het wijzen van het bestreden arrest op 2 april 1997 én over het totale tijdsverloop dat gemoeid is geweest met de behandeling van de zaak. Enigszins verhuld bevat het eerste middel derhalve drie klachten.

5. In de bestreden uitspraak heeft het hof omtrent schending van de redelijke termijn het volgende overwogen:

"De gedingstukken geven het hof aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Het hof stelt in dit verband vast dat sedert (lees: tussen, NJ) de datum waarop de eerste rechter vonnis heeft gewezen, i.c. 2 januari 1995, en de mededeling aan de verdachte van deze uitspraak op 27 augustus 1996, een termijn van bijna twintig maanden is verstreken, zulks terwijl verdachte op laatstgenoemde datum stond ingeschreven op hetzelfde adres als waar de inleidende dagvaarding van de verdachte, om ter terechtzitting van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Roermond d.d. 2 januari 1995 te verschijnen, was betekend.

Van een eerdere poging zijdens het openbaar ministerie om het verstekvonnis aan de verdachte te betekenen is het hof niet gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is gebeurd.

Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat het recht van de verdachte op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in het onderhavige geval is geschonden.

Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting enerzijds en anderzijds het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen.

Het hof vindt in de termijnoverschrijding wél aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd."

6. Het hof heeft derhalve ambtshalve geconstateerd dat sprake is van schending van de redelijke termijn door het tijdsverloop tussen het wijzen van het vonnis in eerste aanleg op 2 januari 1995 en betekening van de mededeling uitspraak op 27 augustus 1996. 's Hofs oordeel dat dit tijdsverloop schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn met zich meebrengt, is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het openbaar ministerie dient een verstekmededeling met de nodige voortvarendheid te betekenen. Een eerste poging tot betekening bijna 20 maanden na het wijzen van een vonnis getuigt van een te trage behandeling. Ik wijs op HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH, r.o. 3.19, en HR 7 november 2000, NJ 2000, 723; een eerste (poging tot) betekening van een verstekmededeling dient in beginsel te geschieden binnen één jaar na het verstekvonnis.

7. In het middel wordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft volstaan met strafvermindering als reactie op de geconstateerde overschrijding. In voornoemd arrest - NJ 2000, 721 - heeft de Hoge Raad overwogen dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als reactie op een schending van de redelijke termijn, slechts in zéér uitzonderlijke situaties aan de orde komt. In het oudere HR 20 december 1994, NJ 1995, 471 was sprake van 18 1/2 maand tussen de uitspraakdatum en de datum van betekening van de verstekmededeling in hoger beroep. In dit arrest, waarin het openbaar ministerie wegens schending van de redelijke termijn wel niet-ontvankelijk werd verklaard, was sprake van een aantal bijzonderheden. Sindsdien heeft de Hoge Raad echter de teugels strakker aangetrokken, zodat aan gerede twijfel onderhevig is of Uw Raad ook in het huidige tijdsgewricht de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het OM gepast zou vinden voor de bijzonderheden van toen: een zeer eenvoudige zaak - diefstal van een etalagepop en heling van een bril -, oude feiten en ook reeds tussen de eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep het verstrijken van een onwenselijk lange periode.

8. In de onderhavige zaak is geen sprake van een trage behandeling in eerste aanleg. Ook de feiten zijn niet zeer eenvoudig en de feiten waren in hoger beroep nog niet extreem oud. Gezien de afwezigheid van bijzondere omstandigheden meen ik dat in casu het hof kon volstaan met strafvermindering. Ter vergelijking wijs ik ook op HR 22 mei 2001, NJ 2001, 440: OM niet-ontvankelijk, tussen uitspraak en betekening van verstekmededeling lag vijf jaar. Het eerste onderdeel van het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

9. In de toelichting op het middel wordt ten tweede betoogd dat na het wijzen van het bestreden arrest op 2 april 1997 opnieuw sprake is van schending van de redelijke termijn. Uit de betekeningsstukken gehecht aan de mededeling uitspraak volgt dat de eerste betekening heeft plaatsgevonden op 14 april 1998 op de wijze zoals voorzien in art. 588, eerste lid, onder b, sub 3, Sv (betekening aan de griffier bij ontbreken van een bekende woon- of verblijfplaats). Verzoeker is blijkens de stukken op 15 april 1998 in de signalering geplaatst. Uit het dossier kan worden afgeleid dat op 2 juni 1998, 6 oktober 1998 en 24 december 1998 op aanvraag van het ressortsparket te 's-Hertogenbosch door het 'Bureau vestigingsregister' werd medegedeeld dat verzoeker aldaar niet bekend was. Van een poging tot betekening op verzoekers oude - in de appèlakte opgenomen - adres in [woonplaats] blijkt evenwel niet. Dit laatste wekt overigens geen verbazing, aangezien reeds bij betekening van de appèldagvaarding was gebleken dat verzoeker op dit adres niet meer was ingeschreven. Op 19 december 2000 wordt de verstekmededeling aan verzoeker in persoon betekend ter gelegenheid van een insluiting op het politiebureau te Venlo.

10. Door de steller van het middel wordt miskend dat op 14 april 1998 een betekening van de verstekmededeling heeft plaatsgevonden. Alhoewel de periode tussen 2 april 1997 - de datum van het arrest - en 14 april 1998 iets langer is dan één jaar, meen ik dat desalniettemin geen sprake is van schending van de redelijke termijn in deze periode. Verzoeker had immers in bedoelde periode geen GBA-adres - dit volgt uit het GBA-overzicht in het kader van de aanzegging in cassatie ex art. 435, eerste lid, Sv - en had zich derhalve voor justitie zo goed als onvindbaar gemaakt.

11. Uit het 'verstekmapje' kan worden afgeleid dat verzoeker op 15 april 1998 in de signalering is geplaatst. Zoals hiervoor opgemerkt, is op 2 juni 1998, 6 oktober 1998 en 24 december 1998 door het ressortsparket te 's-Hertogenbosch bij het 'Bureau vestigingsregister' telkens navraag gedaan naar een eventuele woon- en/of verblijfplaats van verzoeker. Dat op voornoemde data geen rechtsgeldige betekening van de verstekmededeling heeft plaatsgevonden, betekent niet dat het openbaar ministerie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld (zie HR 30 januari 2001, NJ 2001, 243).

12. Van pogingen tot betekening en/of naspeuringen naar verzoekers adres vanaf 24 december 1998 tot aan de betekening in persoon van de verstekmededeling op 19 december 2000 blijkt niets uit de stukken. Deze periode van inactiviteit aan de zijde van het openbaar ministerie is te lang. Ik wijs op HR NJ 2000, 721 en op HR NJ 2001, 243. Voorzover in het tweede onderdeel van het middel wordt geklaagd over de duur van de periode tussen het wijzen van het arrest en de betekening van de verstekmededeling is dit gedeeltelijk terecht.

13. Tenslotte wordt in de toelichting op het middel geklaagd over gehele duur van de periode die met de berechting gemoeid is geweest. Anders dan de steller van het middel veronderstelt kan de datum van 26 mei 1994, zijnde de datum van het eerste verhoor van verzoeker, niet als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn worden aangemerkt. Uit HR NJ 2000, 721 volgt - in casu heeft geen inverzekeringstelling plaatsgevonden - dat de datum van betekening van de inleidende dagvaarding als beginpunt dient te worden genomen.

14. De inleidende dagvaarding is betekend op 1 december 1994. Het vonnis van de politierechter in eerste aanleg is gewezen op 2 januari 1995. Na betekening van de mededeling uitspraak op 27 augustus 1996 is op 6 september 1996 hoger beroep ingesteld. De dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 19 maart 1997 is betekend op 28 januari 1997. 's Hofs arrest dateert van 2 april 1997. Tussen de betekening van de inleidende dagvaarding en het arrest in hoger beroep zijn derhalve slechts twee jaar en vier maanden verstreken. Uitgaande van twee jaar per instantie als norm - zie HR NJ 2000, 721 - is de behandeling in feitelijke aanleg zonder meer voortvarend te noemen.

15. De door de late betekening van de verstekmededeling na het wijzen van 's hofs arrest opgetreden vertraging is noch op zichzelf noch in combinatie met het verdere tijdsverloop, dermate groot dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in beeld komt. Het derde onderdeel van het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

16. Het eerste middel is gedeeltelijk terecht voorgesteld. De geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf - 4 weken onvoorwaardelijk - zich niet leent voor strafvermindering. Ik wijs op HR 24 oktober 2000, NJ 2000, 722 en HR 15 mei 2001, LJN ZD1968.

17. Het tweede middel houdt in dat op grond van art. 63 Sr de Hoge Raad moet overgaan tot strafvermindering.

18. De steller van het middel geeft in de toelichting op het middel blijk van miskenning van de aard en strekking van art. 63 Sr. De strekking is dat de samenloopregeling van met name art. 57 Sr ook van toepassing is als de verschillende feiten niet gezamenlijk worden berecht, maar voor verschillende rechters. Alsdan behoort de later oordelende rechter rekening te houden met feiten die door de verdachte zijn begaan vóór de strafoplegging door de eerder oordelende rechter maar die niet aan deze waren voorgelegd. Het moment van plegen van de feiten is derhalve niet doorslaggevend; het gaat om het moment van de eerdere veroordeling ten opzichte van het moment van de nu bewezenverklaarde feiten. In een arrest zal derhalve toepassing gegeven worden aan art. 63 Sr indien de daarbij bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd vóór een eerdere veroordeling.

19. De bij de steller van het middel kennelijk bestaande opvatting dat aan art. 63 Sr alsnog toepassing kan worden gegeven op grond van een latere veroordeling, berust derhalve op onjuiste lezing van art. 63 Sr. Overigens wordt in het middel miskend, dat de Hoge Raad in beginsel niet, en in ieder geval niet op grond van art. 63 Sr, opnieuw de straf bepaalt. Het bij de schriftuur gevoegde schriftelijke aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte getuigt derhalve bovendien van een miskenning van de aard van de cassatieprocedure en een overschatting van de mogelijkheden van de Hoge Raad, terwijl moet worden gevreesd dat bij verzoeker ongegronde verwachtingen zijn gewekt. Geheel terzijde kan nog worden opgemerkt dat het hof - blijkens aanhaling bij de toegepaste wettelijke voorschriften - toepassing heeft gegeven aan art. 63 Sr op grond van een andere veroordeling dan waarnaar in het middel wordt verwezen. Het middel faalt.

20. Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Het tweede middel faalt en leent zich voor afdoening conform art. 81 RO.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden