Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2646

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
18-06-2002
Zaaknummer
02264/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2646
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 437, geldigheid: 2002-06-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 365

Conclusie

Nr. 02264/01

Mr Jörg

Zitting 7 mei 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 1 maart 2001 wegens - kort samengevat - diverse overtredingen van de Opiumwet, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

2. Mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur houdende een aantal middelen van cassatie ingediend.

3. In het eerste middel wordt gesteld dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een verzoek van verzoeker tot het psychiatrisch onderzoeken van medeverdachte [medeverdachte].

4. Blijkens de toelichting op het middel is het in het middel bedoelde verzoek opgenomen in een schrijven van verzoeker aan het hof d.d. 6 februari 2001. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2001 blijkt niet dat aldaar door of namens de verzoeker uitdrukkelijk het verzoek tot het onderzoeken van [medeverdachte] is gedaan. Reeds op grond van het laatste faalt het middel. Geen rechtsregel verplicht immers de rechter te beslissen omtrent enig verzoek dat niet door of namens de verdachte uitdrukkelijk ter terechtzitting is gedaan. Ik wijs op HR 30 juni 1998, NJ 1999, 60, m.nt. Kn, HR 3 maart 1998, NJ 1999, 59, HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 133, HR 3 januari 1984, NJ 1984, 443, HR 14 september 1981, NJ 1981, 666 en HR 15 juni 1976, NJ 1976, 533, m.nt. ThWvV.

5. In het tweede middel wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring van het als feit 1 tenlastegelegde.

6. Blijkens de bestreden uitspraak is als feit 1 aan verzoeker tenlastegelegd en bewezenverklaard dat:

"[Betrokkene 1], op 12 december 1999 op Aruba, opzettelijk een hoeveelheid cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, namelijk door met een koffer waarin, naar [betrokkene 1] wist, voormelde stof was verpakt/verstopt, vanaf een appartementencomplex (Montana) naar het vliegveld van Aruba te gaan, welk feit verdachte, in de periode van 1 december 1999 tot en met 12 december 1999 te Assen tezamen en in vereniging met een ander door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door daartoe:

- die [betrokkene 1] te vragen als koerier een hoeveelheid cocaine van Aruba naar Miami te smokkelen, en

- die [betrokkene 1] te zeggen dat zij naar Aruba moest vliegen en dat zij een taxi moest nemen naar Montana appartementen en dat zij daar op nadere instructies moest wachten."

7. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de uitlokkingshandelingen in Assen hebben plaatsgevonden. Ter onderbouwing van het middel wordt gewezen op de voor het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte] van 21 juli 2000. In de toelichting op het middel wordt echter slechts een gedeelte van deze verklaring geciteerd. Ik vraag mij af waarom een advocaat dat eigenlijk doet. Het weggelaten gedeelte luidt:

"Begin december 1999 zijn [verdachte] en ik naar [betrokkene 1] in Assen gegaan. Ik heb die avond het voorstel dat [betrokkene 1] cocaïne vanuit Aruba naar Miami moest brengen met [betrokkene 1] besproken. [Betrokkene 1] was gretig. Zij wilde meteen gaan."

Met de constatering dat Assen als plaats van de uitlokkingshandelingen wordt bevestigd in een verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4) wil ik verder volstaan. Het middel faalt.

8. In de toelichting op wat de middelen III-VI wordt genoemd is onder meer het volgende opgenomen:

"Nu rekwirant zelf niet meer in de mogelijkheid is onder de huidige wetgeving om cassatiemiddelen in te dienen, wil rekwirant graag het navolgende in deze schriftuur van zijn raadslieden naar voren brengen, waardoor deze klachten voldoen aan de eisen die de huidige wet daaraan stelt."

Voor zover mij bekend is niet eerder op deze wijze getracht een kennelijk uitsluitend door de verzoeker gewenst cassatiemiddel aan de Hoge Raad voor te leggen.

9. Op 1 oktober 2000 is de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken (Stb. 1999, 467), in werking getreden (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2000, 271). Bij deze wet, die van toepassing is op alle zaken waarin op of na 1 oktober 2000 beroep in cassatie is ingesteld, is in art. 437, tweede lid, Sv bepaald dat - op straffe van niet-ontvankelijkheid - een cassatieschriftuur door de raadsman van de verzoeker dient te worden ingediend. Nu het cassatieberoep in deze zaak is ingesteld op 1 maart 2001 is derhalve het laatst bedoelde voorschrift van toepassing.

10. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1997-1998, 26 027, nr. 3) kan worden afgeleid dat bewust het primaat van het voorstellen van cassatiemiddelen bij de raadsman is gelegd. De memorie van toelichting sloot daarbij aan bij de bevindingen van de Commissie Haak. De memorie van toelichting (p. 11-12) houdt onder meer het volgende in:

"De Commissie heeft aangetekend dat de ervaringen die zijn opgedaan met cassatieschrifturen die door de verdachte zelf zijn opgesteld, alsmede met de verplichte motivering van de klachten in het beroepschrift in cassatie in Wet-Mulderzaken uit een oogpunt van kwaliteit van de rechtsbedeling en van werkbesparing niet tot optimisme stemmen. De aangevoerde klachten zijn veelal van feitelijke aard waardoor ze aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onttrokken. Gelet op het beperkte, juridische toetsingskader in cassatie vereist het formuleren van cassatiemiddelen een specifieke kennis en vaardigheid, die de verdachte niet heeft. De voorkeur gaat dan ook uit naar een stelsel waarin de schriftuur met een of meer middelen van cassatie door een advocaat moet worden ingediend, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep. ()

Voor de Hoge Raad heeft de verplichting voor de verdachte om een advocaat een schriftuur met een of meer middelen te laten indienen het belangrijke gevolg dat de cassatierechter zich meer dan thans het geval is kan concentreren op de vragen die een beoordeling in cassatie verdienen. Dit komt de kwaliteit en de doelmatigheid van de rechtsbedeling in cassatie ten goede."

Bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer heeft de Minister van Justitie op een vraag of niet volstaan kon worden met het indienen van een schriftuur door de verdachte zelf, dus zonder bijstand van een raadsman, geantwoord (Handelingen II, 4 februari 1999, p. 48-3281):

"() Men vat het hoog op en men heeft al geprocedeerd voor de feitelijke rechter, maar men vindt het niettemin toch nodig om cassatie in te stellen. Dat hoort dan ordelijk en behoorlijk te gebeuren door middel van een heldere schriftuur van een advocaat die weet welke rechtsvragen er in cassatie aan de orde kunnen komen."

De ratio van de regeling van de verplichte rechtsbijstand in cassatie is de vermindering van de werkbelasting van de Hoge Raad én verbetering van de kwaliteit van de cassatieprocedure (zie De Hullu in zijn noot bij HR 19 juni 2001, NJ 2002, 7).

11. De opstellers van de schriftuur hebben in de toelichting op de "middelen III-VI" aangegeven dat deze door verzoeker tot cassatie zelf zijn opgesteld en dat zij daarvoor niet de verantwoordelijkheid wensen te nemen. De bedoelde middelen kunnen, nu ze niet zijn opgesteld door verzoekers raadslieden, niet worden aangemerkt als middelen van cassatie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv en dienen aldus verder buiten bespreking te blijven. Ik wijs in dit verband op het reeds genoemde arrest HR 19 juni 2001, NJ 2002, 7, m.nt. JdH en op HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 150.

12. De middelen I en II falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. De middelen III-VI kunnen niet worden aangemerkt als middelen van cassatie. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden