Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2506

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
R01/075HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2506
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 383
JWB 2002/246

Conclusie

Rekest R01/075

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 12 april 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Inleiding

I. In deze zaak heeft thans verweerder in het principaal cassatieberoep, verder: de man, op de voet van art. 1:401 lid 1 en lid 4 BW (onjuiste en onvolledige gegevens respectievelijk gewijzigde omstandigheden) bij inleidend verzoekschrift wijziging verzocht van de beschikking waarin destijds op zijn verzoek de door hem aan thans verzoekster tot cassatie, verder: de vrouw, te betalen alimentatie was verminderd. Het Hof heeft de verzoeken van de man tot (verdere) vermindering en nihilstelling gedeeltelijk gehonoreerd en voor het overige afgewezen. Daartegen heeft de vrouw principaal en de man voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

2. Tussen partijen staat - kort samengevat - het volgende vast:

i) Bij vonnis van 18 december 1989 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welk vonnis is ingeschreven in de registers.

ii) Bij dat vonnis is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op f 1.500,- per maand, het (minimum)-bedrag dat partijen bij echtscheidingsconvenant waren overeengekomen.

iii) Op het verzoek van de man tot wijziging heeft de Rechtbank te 's Gravenhage de alimentatie bij beschikking van 2 juli 1996 bepaald op f 600,- per maand.

iv) Op het door de vrouw ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof te 's Gravenhage de alimentatie bij beschikking van 17 januari 1997 vastgesteld op f 1.250,- per maand.

v) Bij beschikking van 14 november 1997 heeft de Hoge Raad de beschikking van het Hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam.

vi) Dat Hof heeft, op 6 augustus 1998, de beschikking van de Rechtbank van 2 juli 1996 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van respectievelijk 14 augustus 1995 en 1 januari 1996 bepaald op f 1.250,- en f 1.185,- per maand.

3. Bij dit geding inleidend verzoekschrift heeft de man de Rechtbank te 's Gravenhage op de voet van art. 1:401 lid 1 en 4 BW verzocht de bovengenoemde beschikking van het Hof te Amsterdam te wijzigen en de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie te bepalen:

a- met ingang van 14 augustus 1995 op f 231,- per maand;

b- met ingang van 1 januari 1996 op maximaal f 195,- per maand;

c- met ingang van 1 januari 1997 op f 96,07 per maand;

d- met ingang van 1 januari 1998 op nihil.

De man heeft aan zijn wijzigingsverzoek ten grondslag gelegd dat het Amsterdamse Hof bij bedoelde beschikking is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens doordat voor de periode vanaf 14 augustus 1995 de op de man rustende woonlasten buiten beschouwing zijn gelaten en van een onjuist bedrag aan ziektekostenpremies is uitgegaan, en voorts dat zich inmiddels diverse wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan, te weten deze dat vanaf 1 januari 1997 de inkomsten van zijn huidige echtgenote aanzienlijk zijn gedaald zodat haar levensonderhoud gedeeltelijk voor zijn rekening komt en dat vanaf februari 1998 de behoefte van de vrouw aanzienlijk is verminderd.

De vrouw heeft de verzoeken van de man gemotiveerd bestreden. Voorts heeft zij de Rechtbank, bij wijze van zelfstandig verzoek, gevraagd de alimentatie met ingang van 1 januari 1996 te verhogen met een bedrag van f 150,- (derhalve tot f 1.335,-) per maand in verband met het fiscale voordeel dat de man geniet doordat hij de betaalde alimentatie op zijn belastbaar inkomen in aftrek kan brengen.

4. De Rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hiervoor onder 4 a-c omschreven verzoeken en zij heeft het verzoek van de man voor het overige afgewezen; zij heeft voorts het zelfstandig verzoek van de vrouw afgewezen.

5. Op het door de man ingestelde appèl heeft het Gerechtshof te 's Gravenhage de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de maandelijkse bijdrage vastgesteld op f 735,- per maand met ingang van 14 augustus 1995. Het Hof heeft vooropgesteld dat er voor de vrouw ook vanaf februari 1998 behoefte blijft bestaan aan de bijdrage van de man, welke behoefte het Hof in redelijkheid heeft bepaald op niet lager dan het zojuist genoemde bedrag. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat het Amsterdamse Hof in zijn beschikking ten onrechte ervan is uitgegaan dat de lasten van de woning die de man met zijn huidige echtgenote in Frankrijk bewoont, geheel voor rekening komen van "de Limited" ([A] Ltd.) als eigenaar van deze woning nu in de onderhavige procedure is gebleken dat de lasten van de woning feitelijk voor rekening van de man en zijn huidige echtgenote komen. Dit brengt mee, aldus het Hof, dat de man ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek en dat zijn draagkracht opnieuw moet worden beoordeeld. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inkomsten van zijn huidige echtgenote zodanig zijn gedaald dat zij niet langer in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat de man evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zijn huidige echtgenote vanwege gezondheidsredenen niet kan werken nu slechts één overgelegde doktersverklaring daartoe onvoldoende is. Het Hof is bij het vaststellen van de draagkracht van de man uitgegaan van een totaal netto-inkomen van f 2.881,- per maand en heeft op de man de alleenstaande norm toegepast; het heeft een hypotheekrente en een woonkostenforfait van respectievelijk f 606,- per maand en f 177,- per maand in aanmerking genomen, zijnde de helft van de totale woonlasten van de man en zijn huidige echtgenote en het heeft voorts rekening gehouden met een premie ziektekostenverzekering van f 204,- per maand, "zijnde de voor de man geldende en niet langer door de vrouw betwiste premie". Het voorgaande brengt mee, aldus het Hof, dat hetgeen de man heeft aangevoerd, behoudens voorzover het zijn woonlasten betreft, geen wijziging van omstandigheden oplevert sedert 14 augustus 1995. Vervolgens overwoog het Hof:

"9. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man met ingang van 14 augustus 1995 een alimentatie van voor de vrouw toelaat van f 735,- per maand. Evenals in de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 6 augustus 1998 is het hof uitgegaan van een netto-draagkrachtberekening en van de tarieven uit 1995 met dien verstande dat, nu voor het hof vast is komen te staan dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie - in tegenstelling tot eerdere beweringen van de man - in Frankrijk aftrekbaar is en hij de alimentatie, zoals ook door hem medegedeeld ter zitting van 26 mei 2000, daadwerkelijk als aftrekpost opvoert, rekening wordt gehouden met het fiscale voordeel dat de man in zoverre geniet. Het hof merkt op dat de alimentatie destijds met ingang van 1 januari 1996 is verlaagd met f 65,- per maand in verband met het wegvallen van het fiscale voordeel. Voor verlaging is geen aanleiding omdat de man van de aanvang af fiscaal voordeel genoot. Van een wijziging van omstandigheden na 14 augustus 1995 is het hof niet gebleken. Hetgeen de partijen ieder voor zich voorts naar voren hebben gebracht behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, omdat bespreking ervan niet tot een ander oordeel kan leiden."

6. Tegen deze beschikking heeft de vrouw tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend met conclusie tot verwerping; hij heeft zijnerzijds voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld.

Het principale cassatieberoep

7. Middelonderdeel I klaagt dat onbegrijpelijk is dat het Hof, zoals blijkt uit rechtsoverweging 8 van zijn bestreden beschikking, bij de bepaling van de draagkracht van de man aan hypotheekrente een bedrag van f 606,- in aanmerking heeft genomen nu bedoeld bedrag van f 606,- niet slechts hypotheekrente maar ook en vooral aflossing omvat.

8. Het Hof spreekt in zijn gewraakte overweging inderdaad van een hypotheekrente van f 606,- terwijl uit de stellingen van de man zoals aangegeven in het cassatiemiddel blijkt dat het bij bedoeld bedrag gaat om hypotheeklasten, dat wil zeggen om rente en aflossing. Kennelijk is hier sprake van een verschrijving en heeft het Hof, dat in zijn gewraakte rechtsoverweging verder spreekt van "woonlasten", willen aangeven dat de hypotheeklasten, bestaande uit rente en aflossing, f 606,- per maand bedragen. In zoverre faalt het middelonderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Voorzover het middelonderdeel ervan uitgaat dat hypotheekaflossingen, als een vorm van vermogensvermeerdering, niet mogen worden betrokken in de draagkrachtberekening, althans niet zonder een daartoe strekkende gemotiveerde beslissing, faalt het. Bij de bepaling van draagkracht dient immers in beginsel rekening te worden gehouden met alle schulden, waaronder in beginsel ook de aflossingen op een hypotheek. Zie: HR 13 december 1991, NJ 1992, 178 en HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 91. 's Hofs oordeel stemt overeen met deze hoofdregel en behoefde derhalve geen nadere motivering; vergelijk HR 10 december 1999, NJ 2000, 4.

9. Middelonderdeel II klaagt dat onbegrijpelijk is 's Hofs beslissing om vanaf 14 augustus 1995 rekening te houden met de door man betaalde woonlasten nu uit de stellingen van partijen blijkt dat de hypotheekrente pas vanaf een datum in 1996 verschuldigd is geworden.

10. Deze klacht is gegrond. Uit de door het middel aangegeven passages in de gedingstukken kan niet anders worden afgeleid dan dat de man met betrekking tot zijn woonlasten heeft aangevoerd dat hij in 1995 een hypotheek heeft aangevraagd en dat hij vanaf 1996 hypotheekrente verschuldigd was, terwijl de vrouw erop heeft gewezen dat de hypothecaire geldlening pas is afgesloten op 16 februari 1996. Een en ander wordt bevestigd door de correspondentie en de hypotheekakte die de man als produkties heeft overgelegd. Zonder nadere redengeving, die ontbreekt, is dan ook niet begrijpelijk waarom het Hof bij het vaststellen van de draagkracht van de man de bedoelde woonlasten reeds vanaf 14 augustus 1995 in aanmerking heeft genomen. Zulks klemt te meer nu 's Hofs beschikking meebrengt dat een reeds genoten onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht aanzienlijk wordt verminderd.

11. Middelonderdeel III betoogt dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 8 dat bij de draagkrachtberekening zal worden uitgegaan van een bedrag van f 204,- als de voor de man geldende premie ziektekostenverzekering welke door de vrouw niet langer wordt betwist. Onder verwijzing naar de relevante passages in de gedingstukken wordt betoogd dat de man steeds heeft aangevoerd dat de premie ziektekostenverzekering voor hem en zijn huidige echtgenote tezamen f 203,80 per maand bedroeg en dat de man in een laat stadium van het geding heeft betoogd dat de premie voor hem en zijn huidige echtgenote moet worden gesteld op f 240,-. Onbegrijpelijk, aldus het middel, is 's Hofs overweging dat het bedrag van f 204,- per maand de voor de man geldende premie zou zijn. Het middel betoogt dat eveneens onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat de vrouw niet langer betwist dat de voor de man geldende ziektekostenverzekering f 204,- bedraagt. Voorzover het Hof dat oordeel heeft gebaseerd op de uitlating in de aan het Hof gerichte brief van de raadsman van de vrouw (inhoudende dat de vrouw wat betreft de ziektekosten akkoord gaat "met de last welke de man dienaangaande heeft opgevoerd in de draagkrachtberekening, (..), nl. ad f 100,- per persoon, derhalve f 200,- voor de man en zijn echtgenote"), heeft het Hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van de vrouw gegeven, aldus dit middelonderdeel. In dit verband wijst het middel erop dat het Hof geen rekening heeft willen houden met lasten ten behoeve van de huidige echtgenote van de man en dat het Amsterdamse Hof rekening had gehouden met een premie van f 125,- terwijl het Haagse Hof in zijn thans bestreden beschikking overwoog dat hetgeen de man heeft aangevoerd geen wijziging van omstandigheden oplevert behoudens voorzover het zijn woonlasten betreft.

12. Ook dit middelonderdeel slaagt. In het licht van de door partijen ingenomen stellingen zoals (onder verwijzing naar de desbetreffende passages in de gedingstukken) omschreven in het middelonderdeel en in aanmerking genomen dat het Hof is uitgegaan van toepassing van de alleenstaandenorm, is inderdaad onbegrijpelijk 's Hofs overweging dat rekening wordt gehouden met een premie ziektekostenverzekering van f 204,- per maand zijnde de voor de man geldende en niet langer door de vrouw betwiste premie. Uit de door het middel genoemde passage in de brief d.d. 29 november 2000 kan niet worden afgeleid dat de vrouw - geheel in afwijking van haar stellingname tot dan toe - niet langer betwist dat de premie ziektekostenverzekering voor de man zelf f 204,- bedraagt, althans is zonder nadere motivering niet begrijpelijk hoe zulks uit die passage kan worden afgeleid.

13. Middelonderdeel IV stelt voorop dat partijen uitvoerig hebben gedebatteerd over (de hoogte van) het fiscale voordeel dat de man in de jaren 1995 en 1996 voor de Franse inkomstenbelasting zou hebben genoten, dat de man aanvankelijk heeft ontkend zodanig voordeel te genieten, dat de vrouw heeft betoogd dat het fiscale voordeel in 1995 45% en in 1996 32,14% bedroeg en dat de vrouw haar stellingen met bescheiden heeft gestaafd. Het middel klaagt dat het Hof - dat in rechtsoverweging 9 heeft overwogen rekening te houden met het fiscale voordeel dat de man geniet nu is komen vast te staan dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie in Frankrijk fiscaal aftrekbaar is en de man de alimentatie daadwerkelijk als aftrekpost opvoert - niet heeft aangegeven tegen welk tarief of welke tarieven respectievelijk tot welk(e) bedrag(en) het fiscale voordeel in aanmerking is genomen. In het licht van het desbetreffende debat tussen partijen had het Hof, aldus het middel, moeten aangeven welk tarief het voor het fiscale voordeel hanteerde en ook om welke redenen het dit deed.

14. Dit middelonderdeel komt aldus met een motiveringsklacht op tegen de uitleg en toepassing van buitenlands, in casu Frans, recht. Volgens vaste jurisprudentie kunnen dergelijke motiveringsklachten in beginsel tot cassatie leiden. Ik verwijs in dit verband naar de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda voor HR 17 maart 1989, NJ 1990, 427, m.nt. JCS. Strikwerda signaleert in bedoelde jurisprudentie twee elementen. Ten eerste dat de door de feitenrechter aan het vreemde recht gegeven uitleg diens beslissing moet kunnen verklaren (een element dat de uitdrukking is van het algemene, ook voor beslissingen inzake alimentatie geldende, vereiste dat de beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, opdat zij zowel voor partijen als voor derden - bij het openstaan van een hogere voorziening: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar is. Ten tweede dat de feitenrechter bij de vaststelling en uitleg van buitenlands recht, op straffe van vormverzuim, niet zonder meer voorbij mag gaan aan de standpunten van de procespartijen dienaangaande; hebben partijen de inhoud en uitleg van buitenlands recht tot voorwerp van hun debat gemaakt, dan dient de rechter zijn beslissing terzake te motiveren en zich te verstaan met de door partijen ingenomen standpunten; in dit geval zal de rechter zijn inspannigen om de "juiste" inhoud en uitleg van het buitenlandse recht te achterhalen dan ook moeten opvoeren; hoe uitvoeriger het debat van partijen, des te actiever zal de rechter op zoek moeten gaan naar de inhoud van het vreemde recht en des te breder zal hij zijn bevindingen tegenover partijen moeten motiveren. Aldus Strikwerda in zijn conclusie.

De vraag of 's Hofs beschikking aan de daaraan te stellen motiveringseisen voldoet, behoeft evenwel geen beantwoording aangezien 's Hofs bestreden beschikking niet in stand zal kunnen blijven nu de middelonderdelen II en III slagen; na vernietiging en verwijzing zal de draagkracht van de man opnieuw bepaald moeten worden in welk verband tevens opnieuw moet worden berekend welk fiscaal voordeel de man wegens de aftrekbaarheid naar Frans recht van de door hem te betalen alimentatie geniet. Daarbij geldt dat het Hof wat het Franse recht betreft zelf zo nodig rechtsgronden moet aanvullen (art. 25 Rv.); zie HR 22 februari 2002, RvdW 2002, 46 en de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda voor deze beschikking.

15. Middelonderdeel V betoogt dat het Hof niet heeft beslist op de stelling van de vrouw dat de man fiscaal voordeel geniet in verband met de aftrekbaarheid van de hypotheekrente.

16. Voorzover deze klacht zelfstandige betekenis heeft naast middelonderdeel IV, geldt ook ten aanzien van deze klacht dat zij geen behandeling behoeft.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.

17. Nu ik de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, voor vervuld houd, bespreek ik ook de klachten in het incidentele beroep.

18. Middelonderdeel a klaagt dat het Hof (slechts) een bedrag van f 204,- aan premie ziektekostenverzekering aan de zijde van de man in aanmerking heeft genomen terwijl de man deze lasten heeft begroot op f 240,- en de man daarnaast nog ziektekosten van f 30,- per maand heeft opgevoerd.

19. Ik roep hier in herinnering dat naar mijn oordeel gegrond is de klacht in het principale cassatieberoep dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat bij de draagkrachtberekening zal worden uitgegaan van een bedrag van f 204,- als de voor de man geldende premie ziektekostenverzekering welke door de vrouw niet langer wordt betwist.

Anders dan het onderdeel wil doen geloven, heeft de man geenszins consequent aangevoerd dat de premie op het door het middel genoemde bedrag uitkwam. Kennelijk heeft het Hof deze stelling in het licht van hetgeen de man eerder had betoogd (namelijk dat de premie fl. 204,- bedroeg) en van de door hem aangedragen bescheiden alsmede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, als onvoldoende geloofwaardig aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en het behoefde geen nadere motivering. Dit middelonderdeel moet naar mijn oordeel dan ook falen.

20. Middelonderdeel b verwijt het Hof dat het ten onrechte althans zonder nadere (begrijpelijke) redengeving heeft beslist dat de stelling van de man dat zijn echtgenote vanwege gezondheidsredenen niet kan werken, niet door hem met bewijsstukken is gestaafd en dat een enkele doktersverklaring daarvoor onvoldoende is. Het onderdeel voert onder meer aan dat door de man niet één maar drie doktersverklaringen zijn overgelegd.

21. Ook dit middelonderdeel faalt omdat in slechts één van deze drie (dokters-)verklaringen (tevens de enige waarnaar de man in feitelijke instanties heeft verwezen) een verband wordt gelegd tussen de gezondheid van 's mans huidige echtgenote en, kort gezegd, haar arbeidsgeschiktheid. Zulks heeft het Hof, dat had te oordelen over de vraag of de echtgenote van de man wegens gezondheidsklachten niet meer tot werken in staat was en niet over de aanwezigheid van dergelijke klachten bij de echtgenote van de man, klaarblijkelijk onvoldoende geacht. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als berustend op een aan het Hof als feitenrechter voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het behoefde geen nadere motivering en is evenmin onbegrijpelijk.

22. Middelonderdeel c strekt ten betoge dat het Hof niet of onvoldoende heeft onderkend dat de echtgenote van de man haar laatstelijk in dienstverband uitgeoefende werkzaamheden heeft gestaakt "omdat het economisch niet meer ging"; geklaagd wordt dat het Hof tegen deze achtergrond en gegeven het feit dat de echtgenote van de man een WW-uitkering geniet, had behoren te onderzoeken of en in hoeverre de echtgenote daadwerkelijk - hetzij in loondienst hetzij als zelfstandig ondernemer - nog werk zou kunnen krijgen.

23. Deze klacht faalt reeds omdat uit de stukken van het geding niet blijkt dat de man een betoog van bovenstaande strekking in feitelijke instanties heeft gevoerd. De door het middelonderdeel geciteerde uitlating behoefde het Hof niet te weerhouden van zijn door het middelonderdeel bestreden oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn echtgenote, gezien haar leeftijd, met ingang van 1 januari 1997 niet eenzelfde verdiencapaciteit kan hebben (gehad) als ten tijde van haar ondernemerschap, laat staan dat het, zoals het middel wil, gehouden was om zelfstandig na te gaan welke mogelijkheden 's mans echtgenote nog had om werk te krijgen.

Conclusie

Deze strekt in het principale beroep: tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing, en in het voorwaardelijk incidentele beroep: tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden