Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2386

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
R01/016HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 447
NJ 2003, 226
JWB 2002/298
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer R01/016

Mr Huydecoper

Zitting van 3 mei 2002

Conclusie inzake

[Eiseres]

verzoekster tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In cassatie gaat het in deze zaak louter om een vraag van Nederlands-Antilliaans burgerlijk procesrecht, een vraag die overigens veel overeenkomst vertoont met soortgelijke vragen die zich in het Nederlandse burgerlijk procesrecht hebben voorgedaan. De feiten die oorspronkelijk aanleiding hebben gegeven tot deze procedure zijn voor de beoordeling van het cassatiemiddel van zeer ondergeschikt belang. Ik stip ze daarom slechts kort aan.

2) Het gaat in deze zaak inhoudelijk om vergoeding van schade, veroorzaakt door een schietincident waarbij twee minderjarige (buur)jongens betrokken waren. Op 28 juni 1993 werd de destijds 16-jarige [verweerder] (geboren [geboortedatum] 1976) in de buik geschoten door de destijds bijna 21-jarige [betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1972), met ernstig letsel tot gevolg.(1) [Verweerder] is de huidige verweerder in cassatie. Ik zal hem, zoals gebruikelijk, hierna als "[verweerder]" aanduiden.

3) De procedure heeft een nogal grillig verloop gehad. Partijen zijn lange tijd niet toegekomen aan hun eigenlijke geschil. Voor de vragen die in cassatie aan de orde zijn is het eerdere procesverloop echter niet van belang, zodat ik daaraan voorbij zal gaan(2).

4) Wel relevant is, dat de procedure is begonnen in (oktober/november) 1993, toen [verweerder] nog minderjarig was. De procedure is dan ook aangevangen door de ouders van [verweerder], in hun hoedanigheid van diens wettelijke vertegenwoordigers. Daarnaast traden zij echter ook op voor zichzelf en voor niet nader genoemde broers en zusters van [verweerder]. Als gedaagden werden [betrokkene 4], diens stiefvader en diens moeder genoemd. Die laatste is [eiseres], de verzoekster tot cassatie. Ik zal haar hierna - als gebruikelijk - aanduiden als "[eiseres]".

5) In de inleidende processtukken worden de (stief)ouders van [betrokkene 4], waaronder dus [eiseres], genoemd als de wettelijke vertegenwoordigers van [betrokkene 4] - dit ten onrechte, omdat [betrokkene 4] in september 1993 meerderjarig was geworden -, maar wordt ook gesteld dat de (stief)ouders in persoonlijke hoedanigheid voor de schade aansprakelijk zijn wegens, kort gezegd, onvoldoende toezicht op het doen en laten van hun ten tijde van de veroorzaking van de schade nog minderjarige (stief)zoon.

6) Na een, zoals hoger al aangestipt, ingewikkeld verlopen procedure heeft het GEA op 15 februari 2000 eindvonnis gewezen. Daarbij heeft het de vorderingen van de ouders van [verweerder] afgewezen, zowel in hun persoonlijke hoedanigheid alsook in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers, omdat (ook) [verweerder] inmiddels meerderjarig was geworden(3). Verder heeft het GEA [betrokkene 4] en [eiseres] veroordeeld tot betaling van US$ 75.000 aan (de inmiddels meerderjarige) [verweerder]. De aansprakelijkheid van [eiseres] baseerde het GEA onder meer op de vaststelling dat [eiseres] kort voor het ongeval had gezien dat [betrokkene 4] op het erf van hun woning met vuurwapens doende was en toen niet heeft ingegrepen.

7) Bij akte van appel van 13 maart 2000 hebben [eiseres] en de beide andere gedaagden in de eerste aanleg (namelijk [betrokkene 4] en diens stiefvader) verklaard in hoger beroep te komen van het vonnis van 15 februari 2000. In die akte werd dat vonnis aangeduid als te zijn gewezen tussen de appellanten als gedaagden, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - te weten de ouders van [verweerder]. Zoals in alinea 4 al vermeld, waren die in de inleidende processtukken als formele procespartijen (nl. als de wettelijke vertegenwoordigers van [verweerder]) aangeduid, maar hadden zij ook op persoonlijke titel schadevergoeding gevorderd. De schadevordering op persoonlijke titel was echter afgewezen. [Eiseres] c.s. hadden er dus geen belang bij om te dien aanzien verder te procederen.

8) De memorie van grieven van 5 april 2000 heeft als opschrift: in de zaak van [eiseres] versus [verweerder]. Uit die memorie (nr. 2) blijkt dat het appel een beperkte strekking heeft. Er wordt uitdrukkelijk gesteld dat [betrokkene 4] niet appelleert, en ook namens de stiefvader worden geen bezwaren tegen de beslissingen uit de eerste aanleg aangevoerd (wat niet verbazend is, nu alle vorderingen tegen [betrokkene 4]'s stiefvader waren afgewezen). Alleen [eiseres] voert grieven aan tegen het oordeel waarbij in eerste aanleg haar aansprakelijkheid is vastgesteld - uiteraard: ten opzichte van [verweerder]. De vorderingen die overigens in de eerste aanleg tegen [eiseres] gericht waren, waren immers ook afgewezen.

9) Op 19 april 2000 zijn de akte van appel en de memorie van grieven van 5 april 2000 betekend. Dat is gebeurd aan de ouders van [verweerder], aan het kantoor van hun advocate in de eerste aanleg mr. E.S.S. Moenir-Alam. Deze was tot dan toe opgetreden als raadsvrouwe voor alle eisende partijen, dus ook voor [verweerder].

10) In het appel zijn zowel [verweerder] als zijn ouders verschenen. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de appellanten niet-ontvankelijk waren in hun hoger beroep, omdat zij de zaak in appel tegen [verweerder] aanhangig hadden moeten maken, die immers inmiddels meerderjarig was. Tevens hebben zij incidenteel appel ingesteld en een hoger bedrag aan schadevergoeding en proceskosten gevorderd. [Eiseres] heeft dat betoog in beide opzichten weersproken. De twee andere appellanten hebben zich daar niet over uitgelaten.

11) Vervolgens is het in cassatie bestreden vonnis gewezen. Daarin wordt overwogen dat door [betrokkene 3] (de stiefvader van [betrokkene 4]) en [betrokkene 4] niet van grieven is gediend en dat het hof geen ambtshalve bezwaren tegen het eindvonnis koestert, wat deze appellanten betreft (rov. 4.1). Verder wordt overwogen dat de grieven van [eiseres] zich niet richten tegen het eindvonnis voorzover dit betreft de beslissingen tussen [eiseres] en de geïntimeerden(4), en dat ook wat deze beslissingen betreft het hof geen ambtshalve bezwaren koestert (rov. 4.2). Het hof bekrachtigde in het principaal appel dan ook het vonnis waarvan beroep (rov. 4.3 en dictum). Het hof verstaat vervolgens dat door appellanten geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis voorzover gewezen tussen hen en [verweerder], omdat uit de appelakte is op te maken dat slechts de ouders van [verweerder] als geïntimeerden in hoger beroep zijn betrokken (rov. 4.4 t/m 4.6 en dictum). Daarop aansluitend oordeelde het hof dat [verweerder] in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk is, nu hij immers in het principaal hoger beroep geen partij was en de appeltermijn ten tijde van het instellen van het incidenteel appel reeds was verstreken. Voor het overige bevestigde het hof ook in het incidenteel appel het vonnis waarvan beroep.

12) Van dit vonnis is [eiseres] (tijdig(5)) in cassatie gekomen. Gerequestreerde in cassatie is (alleen) [verweerder]. Deze is niet verschenen. Namens [eiseres] is het cassatiemiddel schriftelijk toegelicht.

Ontvankelijkheid van [eiseres] in haar cassatieberoep

13) Het cassatieberoep is gericht tegen [verweerder], terwijl het bestreden vonnis vaststelt dat deze geen partij was in de appelprocedure. Toch moet worden aangenomen dat [eiseres] haar cassatieberoep tegen (alleen) [verweerder] kan richten. Inhoudelijk komen haar klachten er immers op neer dat het hof [verweerder] ten onrechte niet heeft beschouwd als degene die in hoger beroep als geïntimeerde moest worden aangemerkt(6).

14) Daarnaast doet zich ook in deze zaak het probleem voor dat ik in nrs. 8 en 9 van de conclusie genomen in zaaknr. R00/169HR heb genoemd: [verweerder] is, conform de opgave in het cassatierekest, in cassatie opgeroepen aan het kantooradres van de in de appelinstantie voor hem optredende raadsvrouwe Mr Moenir-Alam. [Verweerder] is, zoals eerder al opgemerkt, in cassatie niet verschenen. Ik heb in de conclusie waarnaar ik zojuist verwees de vraag aangeroerd of een oproeping aan het adres van de in de vorige instantie optredende raadsman - een mogelijkheid waarin het Nederlands-Antilliaanse procesrecht niet expliciet voorziet - als een deugdelijke oproeping van de niet-verschenen verweerder kan worden aangemerkt. Zelf betwijfel ik dat. Zou die twijfel gerechtvaardigd blijken, dan betekent dat echter niet dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden geoordeeld. Het betekent dat dan alsnog een oproeping aan het werkelijke adres van [verweerder] moet plaatsvinden, voorzover althans niet langs andere weg zou blijken dat deze van het cassatieberoep op de hoogte is en dat hij vrijwillig afziet van verschijning en van verweer in cassatie. Ik verwijs voor verdere gegevens naar de eerder genoemde conclusie.

Bespreking van het cassatiemiddel

15) De regels voor het instellen van hoger beroep verschillen naar Nederlands-Antilliaans recht aanzienlijk van de regels die daarvoor naar Nederlands procesrecht(7) gelden. Ingevolge art. 270 Rv NA vangt het hoger beroep aan met een ter griffie van het gerecht in eerste aanleg afgelegde verklaring dat men van het rechtsmiddel gebruik wil maken(8). Uiterlijk dertig dagen na deze verklaring is de appellant bevoegd een memorie van grieven bij het gerecht in eerste aanleg in te dienen; maar hij is daartoe niet verplicht. Het appel is dus ook bij achterwege blijven van een memorie van grieven ontvankelijk, en moet ook dan inhoudelijk door de appelrechter worden beoordeeld(9). Nadat de memorie van grieven is ingediend of de termijn daarvoor ongebruikt is verstreken, laat de rechter in eerste aanleg de memorie van grieven aan de wederpartij betekenen, onder aanzegging dat hoger beroep is ingesteld, art. 273 Rv NA(10), (11).

16) Het is aannemelijk dat de op die manier vorm gegeven voorschriften voor het instellen van hoger beroep hun oorzaak en hun ratio vinden in het uitgangspunt dat ook overigens het procesrecht in de Nederlandse Antillen in sterke mate bepaalt: namelijk het uitgangspunt dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging is voorgeschreven, en dat partijen dus in persoon of met een gemachtigde van hun keuze hun standpunten kunnen verdedigen. Aan dat uitgangspunt is inherent dat processuele formaliteiten tot het minimum beperkt (moeten) zijn en dat de zorg voor de noodzakelijke formele stappen in de regel niet aan de partijen wordt overgelaten, maar aan de rechter (of de griffie van de rechterlijke instantie).

Verder brengt dat uitgangspunt mee dat de rechter een veel ruimere mogelijkheid voor ambtshalve beoordeling heeft dan naar Nederlands procesrecht het geval is(12). Ik merk daarbij echter dadelijk op dat een dergelijke speelruimte ook verplichtingen schept: namelijk de verplichting om beleidsvol met de toegemeten ruimte om te springen, en om er met name op toe te zien dat de regels van een eerlijke en behoorlijke procesgang, ondanks de informele gang van zaken die de wet tot uitgangspunt neemt, tot hun recht komen.

17) Een consequentie van dit uitgangspunt is, zoals zojuist al aangestipt, dat de verantwoordelijkheid voor de naleving van processuele formaliteiten in vergaande mate aan de procespartijen wordt onttrokken. Van partijen die geen daarop gerichte opleiding of ervaring hebben, mag niet worden verwacht dat die zich steeds voldoende rekenschap (kunnen) geven van wat in dit opzicht in een meer geformaliseerde procesgang wordt gevergd.

18) Zoals bekend wordt intussen ook in het meer formele, op professionele procesvertegenwoordigers toegesneden Nederlandse procesrecht gestreefd naar een zinvolle toepassing van de procesrechtelijke vormvoorschriften. Daarbij is het uitgangspunt dat het procesrecht erop gericht moet zijn om een deugdelijke, efficiënte en eerlijke beoordeling van het materiële geschil van de procespartijen mogelijk te maken. Uit dat uitgangspunt vloeit voort dat aan processuele formaliteiten alleen dan sancties (moeten) worden verbonden als, en voorzover, dat ertoe bijdraagt dat de procesgang deugdelijk, efficiënt en eerlijk verloopt; en dat processuele vormverzuimen niet (mogen) worden aangegrepen als een beletsel om de materiële strijdvraag ten gronde te beoordelen, tenzij er sprake is van een verzuim dat werkelijk tot de betreffende sanctie noopt(13). In het minder formele procesrecht van de Nederlandse Antillen, gericht op de niet-professionele procesvoerende, zijn de redenen die voor een soepele en "sinngemässe" toepassing van processuele vormvoorschriften pleiten meer, en niet minder klemmend dan in het Nederlandse procesrecht.

19) Zoals in alinea 15 hiervóór aangegeven is voor het instellen van hoger beroep ingevolge art. 270 Rv NA niet meer vereist dan een ter griffie afgelegde verklaring dat men van dit (rechts)middel gebruik wil maken. De wet schrijft niet voor dat daarbij wordt aangegeven wie de appellant als geïntimeerde(n) aanmerkt. Dat strookt ook met de uitgangspunten van het Nederlands-Antilliaanse procesrecht, zoals die zojuist in grote lijnen werden beschreven: in die gevallen waarin dat niet vanzelfsprekend is, kan de vraag wie precies als geïntimeerde moet worden aangemerkt voor een deugdelijk opgeleide rechtshulpverlener al (te) moeilijk zijn(14). Voor procespartijen zonder daarop gerichte opleiding of ervaring geldt dat dan a fortiori. Aan de strekking van art. 270 is daarom voldaan als de verklaring van appel er geen twijfel over laat bestaan tegen welk vonnis het hoger beroep gericht is; de appellant hoeft, zeker in de verklaring van appel, niet duidelijk te maken tegen welke personen als geïntimeerden het hoger beroep wordt ingesteld. Namens [eiseres] wordt in dit verband terecht een beroep gedaan op HR 8 mei 1992, NJ 1992, 497. Zowel de tekst als de strekking van art. 270 zouden ook moeilijk met een andere uitleg van de bepaling te verenigen zijn.

20) Dat betekent dat ik de klachten onder nr. II sub 1 e.v. van het middel als gegrond zou beoordelen, als het bestreden vonnis zo zou moeten worden begrepen dat het hof daarin heeft aangenomen dat aan de verklaring van appel wèl beslissende betekenis toekomt voor de vraag wie er als geïntimeerde in de appelprocedure moet worden aangemerkt. De verklaring van appel behoeft dat niet aan te geven; en bovendien moet, ook om de in alinea's 25-27 hierna nog te bespreken redenen, een uitleg van een dergelijke verklaring waarbij de aanduiding van de geïntimeerde(n) wèl als beperkend (bedoeld) wordt aangemerkt, kritisch worden bejegend. Overigens: het is de vraag of de bestreden beslissing van het hof op de opvatting berust dat de verklaring van appel in dit opzicht de omvang van het appel bepaalt, dan wel op een (te) beperkte lezing van de in deze zaak ingediende akte van appel; maar zoals in alinea 29 hierna te bespreken, moet volgens mij wel worden aangenomen dat die beslissing in enig opzicht gebrekkig is.

21) In het verlengde van het zojuist opgemerkte denk ik dat het middel ook gegrond is als daarin met recht wordt aangenomen dat het hof heeft miskend dat ook de memorie van grieven van belang is bij de beoordeling van de vraag tegen wie de appellant in het procesrecht van de Nederlandse Antillen zijn appel wil richten. (De wat omslachtige formulering van de vorige volzin is ook ditmaal ingegeven door het feit dat het bestreden vonnis niet ondubbelzinnig duidelijk maakt of het hof dat heeft miskend, al ben ik sterk geneigd om dat wel aan te nemen).

Gegeven dat de wet niet voorschrijft dat in de verklaring van appel wordt opgegeven tegen wie het appel gericht is en dat ook mededeling van (de precieze inhoud van) de verklaring van appel aan de geïntimeerden niet is voorgeschreven, moet wel het uitgangspunt van de wet zijn dat de memorie van grieven, althans waar een memorie van grieven wordt ingediend, vaak de eerste uitlating van de appellant zal zijn waaruit kan worden opgemaakt wat de strekking van het appel is, en daarbij ook: wie de partijen zijn tegen wie de in appel ingebrachte bezwaren specifiek gericht zijn.

22) Intussen geldt ook voor de memorie van grieven dat de appellant niet verplicht is, daarin in dit opzicht opheldering te verschaffen. Dat is reeds daarom het geval, omdat indiening van dit stuk facultatief is, en een appel waarin geen memorie van grieven is ingediend niettemin ontvankelijk is èn tot een ambtshalve beoordeling van de uitspraak van de eerste aanleg leidt. Dat zou niet mogelijk zijn wanneer niet ook zonder aanwijzing in de memorie van grieven zou kunnen worden vastgesteld wie de (weder)partijen in het appel zijn.

23) Maar dat is ook daarom het geval, omdat de appelrechter naar Nederlands-Antilliaans procesrecht gehouden is tot ambtshalve beoordeling van het in eerste aanleg gewezen vonnis, ook voorzover dat niet in appel met grieven wordt bestreden(15). Daaraan is immers inherent dat de appelrechter ook moet beoordelen of aan de appellant, ofschoon die tegen de beslissing uit de eerste aanleg slechts ten opzichte van een deel van zijn oorspronkelijke wederpartijen bezwaar heeft gemaakt (en het hoger beroep dus ogenschijnlijk slechts tegen dat deel van die wederpartijen gericht is), desondanks niet ook door de beslissing ten opzichte van andere betrokkenen tekort is gedaan - zodat die andere betrokkenen, hoewel de appellant daar geen woord aan heeft gewijd, toch als geïntimeerden in het appel moeten worden aangemerkt(16).

24) Dat leidt tot de slotsom dat de memorie van grieven van belang kan zijn voor de beoordeling wie er als partijen in het appel moeten worden aangemerkt, maar dat ook dat stuk daarvoor niet beslissend is. Per saldo moet de appelrechter ambtshalve beoordelen of het in eerste aanleg gewezen vonnis juist gewezen is. De posities die de partijen in dat opzicht hebben ingenomen zijn, hoewel ongetwijfeld van belang, voor de vraag wat de appelrechter te beoordelen heeft niet doorslaggevend. In een systeem als het Nederlands-Antilliaanse komt het uiteindelijk (alleen) aan op een beoordeling van de juistheid van het in eerste aanleg gewezen vonnis, zonodig met voorbijgaan aan wat de partijen daarover (al-dan-niet) in het midden hebben gebracht (waarbij onverminderd geldt dat de rechter ervoor moet waken dat aan de grondregels van eerlijke procesvoering niet tekort wordt gedaan).

25) Daarbij past (misschien) één kwalificatie: het is denkbaar dat partijen, dan wel dat de partij die daarbij als enige belang heeft, (ook) in een Antilliaanse appelprocedure ondubbelzinnig duidelijk maken (of maakt) dat men bepaalde onderdelen van het geschil niet in het hoger beroep wil betrekken. In dat geval zou ik menen dat de regel dat de partijen mogen bepalen wat zij aan de rechter wensen voor te leggen - de "partijautonomie"(17) - voorrang neemt boven de regels betreffende de informele wijze van instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep en de regels inzake ambtshalve beoordeling van uitspraken in hoger beroep. In het Nederlandse procesrecht - waarbij echter steeds in aanmerking is te nemen dat dat juist niet tot uitgangspunt neemt dat de appelrechter de uitspraak van de eerste aanleg ambtshalve beoordeelt - kennen wij een enigszins vergelijkbaar verschijnsel, in de vorm van het beperkte appel van elkaar opvolgende vonnissen of van vonnissen in samenhangende zaken, i.h.b.: zaken in conventie en in reconventie. Daarover is immers beslist dat de rechter ervan uit moet gaan dat een appel op het gehele in eerdere beslissingen beoordeelde geschil betrekking heeft, ook als de appellant verzuimt aan te geven dat hij ook bepaalde tussenvonnissen of beslissingen in tegelijkertijd beoordeelde en verknochte zaken op het oog heeft; maar dat dat anders kan zijn als de appellant ondubbelzinnig te kennen geeft dat hij een bepaalde beslissing niet in zijn appel wil betrekken(18).

26) In het Nederlandse procesrecht is aangenomen dat er slechts dan aanleiding is om een beperking zoals in de vorige alinea bedoeld aan te nemen, wanneer de appellant zich ondubbelzinnig in die zin heeft uitgelaten - en ook overigens pleegt te worden aangenomen dat een uitleg van een appeldagvaarding of daarmee vergelijkbaar stuk die leidt tot een voor de appellant hoogst nadelige beperking van zijn appel, in de regel als onbegrijpelijk moet worden beoordeeld(19).

In het Antilliaanse procesrecht, toegesneden als dat is op de niet-professionele procederende partij, is er reden temeer om dezelfde uitgangspunten te omarmen. Dat betekent dat de beslissing van het hof, wanneer men die zo begrijpt dat het hof de verklaring van appel namens [eiseres] als een bewust beoogde beperking van het appel heeft opgevat, alleen dan aanvaardbaar is wanneer die verklaring een ondubbelzinnige uiting van [eiseres] van deze strekking zou inhouden, en wanneer het oordeel dat dat het geval is bovendien in de gegeven context aan de minimum-eis van begrijpelijkheid zou beantwoorden.

27) Ik meen dat noch het een noch het ander het geval is. Het hof heeft niet vastgesteld dat [eiseres]' appelverklaring er

ondubbelzinnig toe strekte dat slechts van het vonnis van de eerste aanleg tegen de overige (weder)partijen werd geappelleerd (en zou rov. 4.5 wèl zo moeten worden begrepen dan zou dat oordeel volgens mij bij lange na het minimum-niveau van begrijpelijkheid niet halen). Dat geldt dan in versterkte mate wanneer men, zoals hiervóór voor juist werd gehouden, ervan uitgaat dat een memorie van grieven weliswaar voor de strekking van een appelverklaring op de voet van art. 270 Rv NA niet beslissend is, maar dat áls er een memorie is ingediend, die memorie bij de uitleg van die verklaring wel gewicht in de schaal legt. Gelezen in samenhang met de memorie van grieven is immers in uitgesproken mate onaannemelijk dat [eiseres] zou hebben beoogd, haar appel te beperken tot de procespartijen ten opzichte waarvan zij in eerste aanleg geheel in het gelijk was gesteld (nl. de ouders van [verweerder]); terwijl zowel het opschrift als de inhoud van de memorie van grieven op z'n minst sterk de indruk wekken dat het appel alléén tegen [verweerder] gericht was (en dus niet eens mede tegen de ouders van [verweerder]).

28) Ik meen er goed aan te doen mijn hiervóór weergegeven beschouwingen kort samen te vatten:

- In een verklaring van appel op de voet van art. 270 Rv NA hoeft alleen te

worden aangegeven tegen welk vonnis het rechtsmiddel wordt ingesteld, en niet welke partijen de appellant in het appel wil betrekken. De strekking van het appel kan nader worden verduidelijkt bij memorie van grieven. Ook daarin behoeft echter, gezien de aan de appelrechter gelaten ruimte voor ambtshalve beoordeling, niet uitputtend te worden aangegeven welke de in het appel betrokken (weder)partijen zijn.

- Een appellant kan ervoor kiezen om zijn appel tot een deel van de in eerste aanleg gewezen beslissingen te beperken. Hij kan dat ook doen in die vorm dat hij slechts een deel van de oorspronkelijke wederpartijen in het appel betrekt. Daarvoor is wel een ondubbelzinnige verklaring van deze strekking vereist. Of een verklaring van appel in deze zin moet worden begrepen zal, gezien de strekking die de wet aan de appelverklaring en de memorie van grieven toekent, wanneer er een memorie van grieven is ingediend in de regel moeten worden beoordeeld aan de hand van de verklaring van appel en de memorie van grieven, gelezen in hun onderlinge samenhang(20). De informele aard van het Antilliaanse procesrecht en de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen brengen mee dat bij de beoordeling van een uitlating als beperking van het beoogde appel een grote mate van terughoudendheid aangewezen is, en dat aan de motivering van een beslissing die er materieel op neer komt dat een partij inderdaad een voor de eigen processuele positie nadelige beperking van het appel heeft aanvaard, navenant hoge eisen mogen worden gesteld(21), (22).

29) Met de aldus samengevat weergegeven uitgangspunten is de bestreden beslissing van het hof in verschillende opzichten in tegenspraak, en het middel houdt een aantal daarop toegesneden klachten in.

Het hangt, zoals al terloops aangestipt, af van de uitleg die men aan het vonnis van het hof geeft, hoe men die klachten waardeert. Ik zou zelf menen dat het vonnis zo moet worden begrepen dat het hof de verklaring van appel van [eiseres] heeft gelezen als inhoudende een beperking van het appel tot de tussen haar en de ouders van [verweerder] gewezen vonnissen van de eerste aanleg, waaraan [eiseres] ondanks latere rectificatie en/of verduidelijking, o.a. bij de memorie van grieven, mocht worden gehouden. In die lezing botst de beslissing met de hoger verdedigde regel dat alleen een ondubbelzinnige beperking van het appel zo gelezen mag worden; dat daarbij bovendien gewoonlijk wèl de memorie van grieven in ogenschouw moet worden genomen; èn dat de "in eigen vingers snijdende" uitleg die ik hier veronderstel, zodanig onaannemelijk is, dat die een aanzienlijk sterkere motivering behoefde dan in het bestreden vonnis is gegeven.

30) De zojuist aan het bestreden vonnis gegeven uitleg lijkt mij (ook) daarom plausibel, omdat ik aanneem dat het hof (aan de hand van een door [verweerder] c.s. aangevoerd verweer van die strekking) zich heeft laten leiden door de gedachte dat bij [eiseres] het misverstand had postgevat dat de ouders van [verweerder] ook in appel nog de in aanmerking komende (formele) procespartij(en) waren, met voorbijzien aan het feit dat zij als gevolg van de meerderjarigheid van [verweerder], niet langer diens wettelijke vertegenwoordigers waren(23). Als dat het hof inderdaad voor ogen heeft gestaan - uit de motivering van het bestreden vonnis wordt dit niet ondubbelzinnig duidelijk - blijft onverminderd gelden dat van een miskenning van de hoger besproken regels sprake is, en wordt hoogstens verklaarbaar hoe het hof op dit dwaalspoor is geraakt. Ook als de appelverklaring van [eiseres] op de hier bedoelde onjuiste opvatting ten aanzien van de positie van de verschillende procespartijen terug te voeren zou zijn, blijft immers gelden dat die verklaring, zeker tegen de achtergrond waarop de art. 270 e.v. Rv NA berusten, niet als een ondubbelzinnige verklaring strekkend tot beperking van het ingestelde appel mocht worden opgevat; niet geheel onafhankelijk van de memorie van grieven mocht worden beoordeeld; èn dat de beslissing om die verklaring toch als ongeclausuleerde beperking van het beoogde appel te verstaan, méér motivering vereiste dan de apodictische constatering waarmee het hof heeft volstaan.

31) Daarom meen ik dat de onderdelen 1.1, 1.3 en 1.4 van het middel gegrond zijn. Dat zo zijnde, behoeft de stelling van onderdeel 1.2 niet te worden onderzocht. Ik zou overigens menen dat in het rijkelijk theoretische geval dat een appellant werkelijk ondubbelzinnig blijk heeft gegeven van de wens zijn appel te beperken, er geen ruimte is voor "herstel", als betrof het een voor de wederpartij geredelijk kenbare vergissing. De grootheden "ondubbelzinnige verklaring" en "voor de wederpartij kenbare vergissing" sluiten elkaar overigens wederzijds uit. In de gevallen waarop onderdeel 1.2 van het middel ziet, moet de oplossing worden gezocht in toepassing van de eerder verdedigde (uitleg)regels, en niet in een "subsidiaire" herstelmogelijkheid.

32) Onderdeel 2 van het middel beoordeel ik echter als ongegrond; en wel omdat de daarin bestreden overweging van het hof niet berust op de in het middelonderdeel veronderstelde uitleg van de stellingen van [eiseres].

De hier bestreden overwegingen van het hof laten misschien ruimte voor een andere lezing; maar ik begrijp die overwegingen zo, dat aan [eiseres]' beroep op het arrest van 8 mei 1992, NJ 1992, 497 voorbij wordt gegaan omdat, volgens het hof, anders dan in de zaak die in dat arrest aan de orde was, in de onderhavige zaak wèl uit de akte van appel met voldoende duidelijkheid kon worden opgemaakt welke personen als geïntimeerden in het hoger beroep werden betrokken (en naar het oordeel van het hof voor dat geval de in dit arrest geformuleerde regel niet opgaat).

33) De premisse waarop dit oordeel berust, nl. dat de akte van appel zo mag worden beoordeeld als het hof hier lijkt te hebben gedaan, wordt blijkens het eerder besprokene volgens mij terecht bestreden. Bovendien meen ik dat de in het arrest van 8 mei 1992 geformuleerde regel ook dan opgaat, als in de akte van appel wèl wordt aangegeven wie de appellant als geïntimeerden aanmerkt - ik liet al eerder blijken dat dat laatste in mijn opvatting onverlet laat dat de appelrechter bij zijn ambtshalve beoordeling van de zaak (ook) in dit opzicht tot een ander oordeel kan komen dan de appellant zelf. Alleen voor het geval de appellant ondubbelzinnig aangeeft dat hij zijn appel tot een gedeelte van de oorspronkelijke wederpartijen wil beperken (en ook de andere belanghebbende procespartijen geen "uitbreiding" van het appel bewerkstelligen(24)) is dat dus volgens mij anders. Miskenning van de hier besproken regels wordt echter in middelonderdeel 2 niet aan de orde gesteld(25).

34) In het verlengde van het zojuist besprokene lijkt het mij goed om nog even in te gaan op de positie van [verweerder].

In de eerste plaats leiden de hoger gegeven beschouwingen ertoe dat ook diens niet-ontvankelijkverklaring in zijn incidenteel appel, niet gebillijkt kan worden. Dat is het geval om de in het kader van het principale cassatieberoep besproken redenen, maar dat is ook het geval met het oog op de gedachte uit het zojuist in voetnoot 24 (opnieuw) aangehaalde arrest, en met het oog op de eerder in deze conclusie opgeworpen gedachte dat een eenzijdige beperking van het appel in het kader van art. 270 Rv NA niet het beoogde effect zou behoren te hebben, wanneer andere (belanghebbende) procespartijen er blijk van geven, daarmee niet in te stemmen.

35) Dat roept dan als volgende vraag op of, bij eventuele vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing, [verweerder] alsnog de kans zou moeten krijgen om zijn incidentele appel opnieuw te verdedigen. Het treft immers, in de context van de hiervóór verdedigde informele toepassing van het Nederlands-Antilliaanse procesrecht, als onredelijk dat [eiseres] (in aansluiting op de hier voor mogelijk gehouden vernietiging) haar argumenten opnieuw beoordeeld zou kunnen krijgen, maar dat die weg voor [verweerder] afgesloten zou zijn.

Toch is dat, vrees ik, de onvermijdelijke consequentie van het feit dat [verweerder] in cassatie niet is verschenen, en (dus) ook niet heeft geklaagd over de in zijn nadeel gegeven beslissingen van het hof(26). Ook de minder formele opzet van het Antilliaanse procesrecht kan er niet aan afdoen dat rechterlijke beslissingen onherroepelijk (moeten) worden, als daartegen niet binnen de door de wet geboden ruimte wordt opgekomen.

Conclusie

De conclusie is, dat het bestreden vonnis behoort te worden vernietigd en dat de zaak opnieuw naar het hof behoort te worden verwezen.

De Procureur Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het dossier wekt de indruk dat het een ongeluk betreft. Zie voor nadere documentatie over de feiten de producties 2 en 3 bij de "akte houdende uitlating interlocutoir 6 februari 1996" d.d. 28 april 1998 van [eiseres] c.s.

2 De vele verwikkelingen in de procesgang roepen de verzuchting in herinnering van A-G Leijten in zijn conclusie (nr. 3) voor HR 28 februari 1992, NJ 1992, 671 m.nt. PAS.

3 Over de vordering namens de broers en zusters van [verweerder] is door partijen niet meer gedebatteerd en door het GEA niet beslist. Ook in cassatie speelt die vordering geen rol (meer).

4 Daarmee bedoelt het hof de expliciet in de akte van appel genoemde ouders van [verweerder], en niet [verweerder] zelf.

5 Binnen de termijn van 3 maanden, genoemd in art. 4 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen.

6 Zie HR 9 juli 1990, NJ 1990, 748, rov. 3 en de conclusie van A-G Ten Kate bij deze beslissing, al. 47; zie voor een enigszins vergelijkbaar "spiegelbeeldig" geval HR 7 december 2001, NJ 2002, 38, rov. 4.2. en de verdere vindplaatsen genoemd in de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent voor deze beslissing, nrs. 4.10 en 4.11.

7 Om een veelvuldige en misschien wat monotone herhaling te voorkomen zal ik hierna meestal van "procesrecht" spreken, terwijl dan het burgerlijk procesrecht bedoeld wordt.

8 In het ontwerp voor een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waaraan thans in de Nederlandse Antillen de laatste hand wordt gelegd, worden de hier besproken regels voor het instellen van hoger beroep inhoudelijk ongewijzigd gehandhaafd. Ook de artikelnummers zijn dezelfde. Dat zal de toepassers van het nieuwe Antilliaanse procesrecht behoeden voor een verwarring die voor de toepassers van het nieuwe Nederlandse procesrecht een lastige hindernis oplevert.

9 Waarbij de appellant er ook voor kan kiezen om nog bij pleidooi bezwaren tegen de beslissing in eerste aanleg in te brengen, zie HR 10 november 2000, NJ 2001, 301 m.nt. HJS; maar ook dat is geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het appel. Ook als de appellant in het geheel niet heeft laten blijken wat hij aan bezwaren tegen het in appel betrokken vonnis heeft, wordt dat vonnis ambtshalve door de appelrechter beoordeeld. Het voor de appelprocedure naar Nederlands procesrecht kenmerkende "grievenstelsel", geldt dus in het Nederlands-Antilliaanse procesrecht niet.

10 In de onderhavige zaak heeft de in art. 270 Rv NA bedoelde verklaring plaatsgehad in de vorm van de op 13 maart 2000 gedateerde akte van appel. Hoewel de rechter van de eerste aanleg ook die akte aan de verweerders heeft laten betekenen, is dat laatste dus geen onderdeel van de in art. 273 Rv NA voorgeschreven maatregelen.

11 Als de betekening niet conform dit voorschrift plaatsvindt, doet dat aan de processuele rechten van de appellant niet af, HR 9 juli 1999, NJ 1999, 699, rov. 3.5. (Dat dit (ook) niet afdoet aan de rechten van de geïntimeerde is evident.) In de onderhavige zaak heeft in appel geen betekening aan [verweerder] plaatsgehad. Dat doet echter, blijkens de zojuist aangehaalde regel, aan de rechten van [eiseres] niet af. Bovendien kon, nadat [verweerder] in de appelprocedure was verschenen, volgens mij aan het feit dat betekening te zijnen opzichte niet had plaatsgehad voorbij worden gegaan. Er is niets aangevoerd dat ertoe strekte dat [verweerder] door dit verzuim benadeeld was (wat niet verbaast, nu de betekening van de appelstukken (aan de ouders van [verweerder]) heeft plaatsgehad aan de gezamenlijke raadsvrouwe van de familie [verweerder] in de beide feitelijke instanties - zodat bepaald in de rede ligt dat [verweerder] daarover dadelijk is ingelicht).

12 Zie over deze aan het Nederlands-Antilliaanse procesrecht ten grondslag liggende uitgangspunten M.M. Tillema en R.P.L.J. Tjittes, TAR 1993, nr. 2, p. 86; (in de context van het nieuwe Rv van Aruba) Van Mierlo, Rede Universiteit Aruba, 1999, p. 32; Loth, WPNR 6356, p. 322, l.k.; Asser, WPNR 6356 (1999), p. 347-349.

13 Deze gedachten zijn fraai verwoord door Heemskerk, RMTh 1971, p. 336-341 en Ten Kate, Een Goede Procesorde (Haardt-bundel), 1983, p. 71 - 82.

14 Ik verwijs voor een illustratie naar HR 5 februari 1971, NJ 1971, 209.

15 Zie bijvoorbeeld het al genoemde arrest HR 10 november 2000, NJ 2001, 301 m.nt. HJS, rov. 3.5; zie voor verdere gegevens Tillema en Tjittes in hun al eerder aangehaalde artikel in TAR 1993 nr. 2, p. 90.

16 In de onderhavige zaak heeft het hof dan ook de beslissingen van de eerste aanleg ambtshalve beoordeeld, ook voorzover daartegen geen grieven waren aangevoerd - en daarbij alleen een uitzondering gemaakt voor de beslissingen van de rechter in de eerste aanleg over de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [verweerder], het enige gegeven waarover wèl grieven waren aangevoerd. Dat merkwaardige verschil in benadering onderstreept dat de beslissing van het hof "wringt".

17 Deze wordt ook in het procesrecht van de Nederlandse Antillen gerespecteerd, zie bijvoorbeeld Asser, Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans Recht (red. Duinkerken en Loth, 1997), p. 424 e.v.

18 Ik noem als voorbeeld HR 27 april 1990, NJ 1991, 122 m.nt HJS onder nr 123, rov. 3.2; in overeenkomstige zin Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 26 augustus 1994, zaak A.R. nr. H-279/93, CD-ROM Kluwer/StichtingJurDoc 1999, SJD 1994, 320, rov. 1.3.

19 Voorbeelden leveren HR 9 juli 1990, NJ 1990, 748, rov. 4.2 en HR 10 augustus 1989, NJ 1989, 844, rov. 3.2.

20 Waarbij overigens in voorkomend geval ook andere uitingen van partijen in de appelprocedure betrokken mogen worden.

21 Dit is een toepassing van de meer algemene "Binsenwahrheit", die inhoudt dat niet gemakkelijk mag worden aangenomen dat iemand willens en wetens een standpunt heeft willen betrekken waarmee hij zijn eigen glazen ingooit; en dat beslissingen waarbij dat toch wordt aangenomen dus een gedegen onderbouwing behoeven.

22 Ik put voor de hier verdedigde gedachte ook (enige) steun uit het namens [eiseres] te hulp geroepen arrest HR 11 oktober 2000, NJ 2000, 637. In die zaak werd verdedigd dat cassatieberoep tegen een partij die niet in de in onteigeningszaken voorgeschreven cassatieverklaring was genoemd, niet ontvankelijk was. Dat betoog werd verworpen met de overweging dat uit de cassatieverklaring niet kon worden afgeleid dat de in cassatie komende partij beoogde, slechts ten aanzien van enige onderdelen van de bestreden beslissing beroep in te stellen. Die overweging is zeer wel te verenigen met de gedachte: geen beperkte uitleg van een cassatie (of appel-)verklaring, tenzij ondubbelzinnig van de bedoeling blijkt dat het beroep een beperkte strekking heeft.

23 Oftewel: dat [eiseres] de regel neergelegd in het al eerder aangehaalde arrest HR 5 februari 1971, NJ 1971, 209, had miskend.

24 Zie voor die mogelijkheid in verband met incidenteel appel het al genoemde arrest HR 27 april 1990, NJ 1991, 122 m.nt. HJS onder nr. 123, rov. 3.2.

25 De klachten van onderdeel 1 doen dat echter wel.

26 Ik veroorloof mij in dit verband wel een verwijzing naar het in alinea 14 hiervóór aangesneden probleem(pje).