Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2378

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
C00/272HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 328

Conclusie

Rolnummer C 00/272 HR

Mr. Bakels

Zitting 15 maart 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

t e g e n

1. DE GEMEENTE WOERDEN

2. [Verweerster 2]

3. [Verweerster 3] (geen van alle verschenen)

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om een gestelde toezegging, gedaan door een wethouder van de Gemeente, dat [eiser] het recht zou krijgen een supermarkt te kopen die onderdeel zou uitmaken van een door een derde, [verweerster 2], binnen een nieuwe wijk van de Gemeente te ontwikkelen winkelcentrum.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.(1)

(a) [Eiser] is eigenaar van het winkelcentrum De Schans in het Staatsliedenkwartier te Woerden. Destijds exploiteerde hij daarin een supermarkt die was aangesloten bij de organisatie van [A] N.V.. In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Gemeente voorbereidingen getroffen om in de directe omgeving van het Staatsliedenkwartier een nieuwe wijk, Snel en Polanen, tot ontwikkeling te brengen.

(b) Tussen [eiser] en de Gemeente zijn vanaf januari 1993 gedurende enige jaren besprekingen gevoerd en brieven gewisseld over de wens van [eiser] een supermarkt te gaan exploiteren in het winkelcentrum dat in deze nieuwe wijk zou worden gebouwd.

(c) Op 21 juni 1996 heeft ten stadhuize van de Gemeente een bespreking plaatsgevonden tussen, aan de ene kant, [eiser] en een door deze meegebrachte adviseur en, aan de andere kant, wethouder Blonk en de directeur van de openbare werken van de Gemeente. Op 22 juni 1996 heeft [eiser] een brief gestuurd aan B&W van de Gemeente, ter attentie van Blonk, waarin hij stelde dat laatstgenoemde hem tijdens die bespreking heeft toegezegd dat in een overeenkomst tussen de Gemeente en de projectontwikkelaar die het winkelcentrum in de nieuw te bouwen wijk tot stand zou brengen, de bepaling zou worden opgenomen dat [eiser] de in het winkelcentrum te exploiteren supermarkt in eigendom kon verkrijgen.

(d) Op 6 december 1996 heeft de Gemeente een overeenkomst gesloten met [verweerster 2] over de ontwikkeling van de wijk Snel en Polanen. In deze overeenkomst is niet opgenomen dat [eiser] het recht heeft de in die wijk te bouwen supermarkt in eigendom te verwerven.

(e) Bij brief van 10 december 1996 heeft Blonk aan [eiser] laten weten dat in het gesprek van 21 juni 1996 wel aan de orde is geweest dat [eiser] de supermarkt in eigendom zou moeten kunnen verwerven, maar dat niet direct is afgesproken dat de Gemeente zou bevorderen dat [eiser] de supermarkt zonder meer zou kunnen aankopen. De voorkeur van [eiser] om de supermarkt te kopen zou aan de betrokken projectontwikkelaar worden overgebracht. Dat is ook gebeurd.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen de Gemeente, [verweerster 2] en [verweerster 3]. Zijn vordering, zoals nadien in hoger beroep gewijzigd, luidde kort gezegd dat

- voor recht zou worden verklaard dat de Gemeente met hem is overeengekomen, althans aan hem heeft toegezegd, dat zij in de met [verweerster 2] te sluiten overeenkomst het beding zou opnemen dat [eiser] de supermarkt in eigendom kon verwerven;

- voor recht zou worden verklaard dat [verweerster 2] op de hoogte was met de tussen de Gemeente en [eiser] gesloten overeenkomst, althans gedane toezegging, voordat zij op haar beurt met de Gemeente contracteerde en dat zij, door aan vorenbedoelde overeenkomst/toezegging voorbij te gaan, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

- [verweerster 2] zou worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar onrechtmatige daad door [eiser] geleden schade;

- de Gemeente, zo de vorderingen tegen [verweerster 2] niet toewijsbaar zouden zijn, op grond van een toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad zou worden veroordeeld de dientengevolge door [eiser] geleden schade te vergoeden;

- [verweerster 3] zou worden veroordeeld de verkoop en levering van de supermarkt aan [eiser] te gedogen.

1.4 De Gemeente, [verweerster 2] en [verweerster 3] hebben de vorderingen bestreden. De rechtbank heeft deze bij vonnis van 9 september 1998 afgewezen.

1.5 [Eiser] ging tegen dit vonnis in hoger beroep bij het hof Amsterdam. De Gemeente, [verweerster 2] en [verweerster 3] voerden verweer. De Gemeente betwistte primair dat de wethouder Blonk in de onder 1.2(c) aangehaalde bespreking van 21 juni 1996 de gestelde toezegging heeft gedaan en beriep zich subsidiair, voor het geval zo'n toezegging toch zou komen vast te staan, op de onbevoegdheid van de wethouder om de Gemeente zelfstandig te binden, waarmee [eiser] zeer wel op de hoogte was.

Het hof heeft het bestreden vonnis bij arrest van 13 juli 2000 bekrachtigd. Het liet de juistheid van het primaire verweer van de Gemeente in het midden omdat in elk geval haar subsidiaire verweer gegrond is. De wethouder was inderdaad niet bevoegd de Gemeente door een toezegging als de onderhavige te binden (rov. 4.19). Ook van een aan de Gemeente toe te rekenen schijn van bevoegdheid was geen sprake. Ten eerste was [eiser] er terdege mee op de hoogte dat de Gemeente te dezen werd vertegenwoordigd door B&W. Ten tweede is in een aan de bespreking voorafgegane brief van de adviseur van [eiser] gerefereerd aan eerdere gesprekken met de wethouder, waaraan de Gemeente zich kennelijk ook niet gebonden achtte. Niets wees erop dat Blonk in het gesprek van 21 juni 1996, dat door de adviseur van [eiser] in zijn meerbedoelde brief werd aangekondigd als een oriënterend gesprek, gemachtigd was namens de Gemeente toezeggingen te doen (rov. 4.21). Aangezien de Gemeente niet aan de gestelde toezegging is gebonden, is aan de vorderingen tegen [verweerster 2] en [verweerster 3] de grondslag ontvallen, zodat deze evenmin kunnen worden toege-wezen (rov. 4.24-4.28).

1.6 [Eiser] is tegen dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(2) Hij voerde daartoe twee middelen aan. De Gemeente, [verweerster 2] en [verweerster 3] zijn in cassatie niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. Vervolgens heeft [eiser] zijn stellingen schriftelijk door zijn advocaat doen toelichten.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Middel 1 is gericht tegen rov. 4.19-4.22 van het bestreden arrest. Het valt in enkele (niet als zodanig genummerde) onderdelen uiteen. Het stelt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of Blonk met de door hem gedane toezegging de Gemeente bevoegd heeft vertegenwoordigd. Tot dit onderzoek was aanleiding, aldus de steller van het middel, gezien de volgende feiten en omstandigheden:

(a) De verklaring van de toenmalige wethouder A. Groen van de Gemeente dat eind 1993, begin 1994 binnen het college van B&W consensus was bereikt dat [eiser] de nieuw te ontwikkelen supermarkt in de wijk Snel en Polanen in eigendom zou kunnen verwerven en dat verzuimd is hiervan mededeling te doen aan [eiser] wegens een opdeling van de wethoudersportefeuilles na de verkiezingen.

(b) De mededeling van Blonk tijdens de vergadering van de raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken van 30 januari 1997(3), dat is toegezegd dat [eiser] de supermarkt in eigendom zou kunnen verwerven.

(c) De in de plaatselijke kranten verschenen artikelen over die vergadering waaruit blijkt dat toezeggingen waren gedaan.

(d) De stelling van [eiser] bij akte dat diverse commissieleden tijdens de vergadering aan voorzitter Blonk hebben gevraagd of [eiser] toezeggingen had ontvangen en dat laatstgenoemde daarop bevestigend heeft geantwoord, welke toezeggingen hij vervolgens heeft genuanceerd.

(e) De interne notitie aan de commissie voor Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken waaruit de gestelde toezegging blijkt.

2.2 Naar ik meen kan het middel geen doel treffen. Het subsidiaire bevoegdheidsverweer is door de Gemeente voor het eerst in hoger beroep gevoerd.(4) [Eiser] heeft daarop gereageerd door aan te voeren dat de (aan de Gemeente toerekenbare) schijn is gewekt dat wethouder Blonk wel degelijk bevoegd was de gestelde toezegging te doen.(5) Hij heeft daartoe een beroep gedaan op de hoedanigheid waarin Blonk met hem heeft overlegd en op de door deze tijdens de commissievergadering van 13 januari 1997 gedane uitlatingen. [Eiser] heeft dus niet gesteld dat de wethouder door het College van B&W specifiek was gemachtigd de gestelde toezegging te doen zoals, naar ik begrijp, het middel thans aanvoert. Het hof kon deze in cassatie voor het eerst voorgedragen stelling niet ambtshalve onderzoeken zonder de grenzen van de rechtsstrijd te overschrijden(6), zodat het middel al op deze grond faalt. Het feit dat het hof in rov. 4.21 heeft overwogen dat niets erop wees dat Blonk in het gesprek van 21 juni 1996 gemachtigd was namens de Gemeente toezeggingen te doen, was dus een reactie op een niet gevoerd verweer. Het kan daarom in het vorenstaande geen wijziging brengen.

In cassatie kunnen deze stellingen, voorzover zij feitelijke nova inhouden, niet voor het eerst met vrucht worden aangevoerd.

2.3 Ten overvloede maak ik over de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden nog de volgende opmerkingen.

Ad (a): Uit de verklaring van de toenmalige wethouder Groen, die overigens door de Gemeente is betwist(7), blijkt niet dat het toenmalige college van B&W een besluit(8) van de door [eiser] gestelde strekking heeft genomen en nog minder dat het College dit aan [eiser] heeft bekendgemaakt. (9) De enkele gestelde consensus binnen het toenmalige College van B&W kan aan [eiser] geen rechten geven.

Ad (b): Deze stelling kan niet in de beoordeling worden betrokken omdat in het middel niet de vindplaats daarvan in de stukken van de feitelijke instanties wordt aangegeven.(10) En al zou dat anders zijn, dan nog volgt uit het feit dat die mededeling is gedaan, niet dat de wethouder daartoe specifiek door het college van B&W was gemachtigd.

Ad (c): Hiervoor geldt in beide opzichten hetzelfde als zojuist opgemerkt.

Ad (d): Ook hier geldt dat uit het enkele feit dat dit bevestigende antwoord zou zijn gegeven, nog niet volgt dat wethouder daartoe specifiek door het college van B&W was gemachtigd.

Ad (e): Niet alleen geldt ook hier hetzelfde als zojuist opgemerkt, maar bovendien mist de onderhavige stelling feitelijke grondslag. De desbetreffende notulen(11) vermelden onder 7:

"Naar aanleiding van vragen en opmerkingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] inzake het verkrijgen van duidelijkheid met betrekking tot in het verleden met de heer [eiser] c.q. de firma [verweerster 3] gemaakte afspraken stelt de voorzitter(12) dat hij een eventuele koop door partijen wil nuanceren. Deze nuancering met betrekking tot het recht van koop is logisch, in verband met een marktconforme transactie. Een transactie mag ook niet betekenen dat de gemeente voor financiële consequenties wordt gesteld. Betreurd wordt dat op een gesprek met [eiser] en diens op schrift gestelde interpretatie van het overleg hieromtrent niet slagvaardig genoeg van gemeentezijde is gereageerd."(13)

Dit citaat biedt aan de door [eiser] gestelde toezegging geen enkele steun.

2.4 Middel 2 is gericht tegen 's hofs overweging dat, nu geen rechtsgeldige toezeggingen namens de Gemeente zijn gedaan, ook de vorderingen tegen [verweerster 2] en [verweerster 3] moeten stranden. Volgens het middel kan deze overweging geen standhouden omdat de Gemeente wél is gebonden aan de door de wethouder gedane toezeggingen.

Het middel bouwt voort op middel 1 en moet in het lot daarvan delen

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 In rov. 4.2-4.14 van het arrest van het hof Amsterdam van 13 juli 2000 zijn de vaststaande feiten uitgebreid weergegeven. Het navolgende vormt daarvan een samenvatting.

2 De cassatiedagvaarding dateert van 7 september 2000.

3 Kennelijk is bedoeld: 13 januari 1997 - A-G.

4 Memorie van antwoord nr. 22.

5 Pleitaantekeningen van 23 november 1999, nr. 9.

6 Snijders/ Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 256.

7 Antwoordakte nr. 3.

8 Art. 1:3 Awb: Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan.

9 Art. 3:40-41 Awb (samengevat weergegeven): Een tot een belanghebbende gericht besluit treedt niet in werking voordat het aan deze is bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan hem.

10 Zie overigens de memorie van grieven nr. 25. Deze stelling is door de Gemeente bestreden in haar memorie van antwoord nr. 25.

11 Als productie gehecht aan de pleitaantekeningen van 23 november 1999.

12 Wethouder Blonk - A-G.

13 Notulen nr. 7, blz. 3.