Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
03-05-2002
Zaaknummer
C00/257HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 277
JWB 2002/176
JM 2003/65 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C 00/257 HR

Mr. Bakels

Zitting 8 februari 2002

Conclusie inzake

[eiser]

t e g e n

De erven [betrokkene A]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of de koper van een vervuild stuk grond met succes de kosten van sanering daarvan uit onrechtmatige daad kan vorderen van de oorspronkelijke eigenaar/vervuiler, als hij van de vervuiling bij zijn aankoop op de hoogte was.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(a) [a-straat 1-2] te [plaats] (hierna: het totale terrein) is een langgerekt stuk grond, dat is onderverdeeld in diverse kadastrale nummers.

(b) Het perceel dat kadastraal bekendstaat als [1] ([a-straat 1], hierna: het perceel) is vervuild met olieproducten. Het behoorde achtereenvolgens toe

- van 1958 - 1981: aan [betrokkene A];

- van 1981 - 1985: aan een zekere [betrokkene B];

- van 1985 - 1988: aan [betrokkene C], de vader van eiser en

- van 1988 - 1996: aan [eiser], die toen tevens perceel [2] kocht.

(c) Toen [betrokkene A] eigenaar was van het perceel, oefende hij daarop een loonwerkersbedrijf uit. Hij had in de periode van 1958-1981 alle onderdelen van het totale terrein in gebruik, met uitzondering van [a-straat 2]. In die tijd was op het totale terrein zowel een ingegraven dieseltank aanwezig als een daarop geplaatste tank, in beide gevallen op of vlakbij de grens van het (onderhavige) perceel. Voordat [betrokkene A] het totale terrein in gebruik nam, had dit een agrarische bestemming. Nadien is het niet opnieuw bedrijfsmatig gebruikt.

(d) [eiser] is aangetrouwde familie van [betrokkene A]. Hij is opgegroeid aan de [a-straat 2] en hij heeft tot 1996 ter plaatse gewoond en gewerkt. Hij heeft aldus de bedrijfsactiviteiten die door [betrokkene A] op (het totale terrein en) het perceel werden uitgeoefend, van dichtbij meegemaakt:

"Zo weet [eiser] zich te herinneren dat op het oostelijke deel van de locatie in het verleden gaten gegraven zijn waarin bedrijfsafval en mogelijk afgewerkte olie werd gestort c.q. geloosd. Tevens werden afvalproducten verbrand in de gegraven kuilen.

De volgestorte kuilen zijn later afgedekt met een laag grond. Behalve het storten van bedrijfsafval werd volgens [eiser] afgewerkte olie in een greppel gelegen aan de zuidzijde van de locatie geloosd. Tevens werden volgens [eiser] landbouwwerktuigen gereinigd op het onverharde terreingedeelte."(1)

(e) Voorts herinnert [eiser] zich een calamiteit die zich ongeveer twintig jaar geleden voordeed - toen hij omstreeks 17 jaar oud was - waarbij een groot morsverlies van dieselolie is ontstaan door toedoen van spelende kinderen die de handpomp van de ter plaatse opgestelde dieseltank hadden laten openstaan.(2)

(f) [eiser] wist dat [betrokkene A] de onder (c) bedoelde ondergrondse tank in 1981 heeft laten verwijderen; hij wist ook dat een gedeelte van de met dieselolie verontreinigde grond is afgegraven voordat een begin werd gemaakt met de bouw van het pand [a-straat 3] op een gedeelte van het totale terrein.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Bosch. Hij vorderde dat [betrokkene A] zou worden veroordeeld aan hem een bedrag van f 29 472,79 te voldoen. Dit bedrag betreft voor het grootste deel de saneringskosten van de verontreinigde grond om het pand [a-straat 2] verkoopbaar te maken en voorts de kosten van de deskundigenrapportage en buitengerechtelijke kosten. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [betrokkene A] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de desbetreffende grond te vervuilen, althans door deze in vervuilde staat in het verkeer te brengen zonder daarvoor te waarschuwen.

[betrokkene A] voerde gemotiveerd verweer. Tevens stelde hij een voorwaardelijke vordering in reconventie in, die in cassatie niet ter zake doet.

1.4 Bij vonnis van 31 juni 1998 heeft de rechtbank in conventie de vordering afgewezen. Zij legde daaraan ten grondslag dat [eiser], gezien de wetenschap die hij over de vervuiling had, bij zijn aankoop van de percelen ([1] en [2]) in 1988 redelijkerwijs niet zonder meer mocht verwachten dat zij schoon waren. Hij had zich moeten realiseren dat er een aanmerkelijke kans bestond dat hij kosten zou moeten maken voor het schoonmaken van de grond.

In reconventie hoefde de rechtbank geen beslissing te geven omdat de voorwaarde waaronder die vordering werd ingesteld, niet was vervuld.

1.5 [eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het hof Den Bosch. Bij arrest van 29 mei 2000 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Na te hebben vastgesteld dat [eiser] - samengevat weergegeven - al bij aankoop vergaand op de hoogte was van de vervuiling van de door hem gekochte percelen, overwoog het hof daartoe als volgt.

Voorzover de vordering erop is gebaseerd dat [betrokkene A] de percelen heeft vervuild of heeft toegelaten dat deze door derden werden vervuild, stuit zij erop af dat het de eigen grond van [betrokkene A] betrof. De in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde regel, dat de eigenaren van onroerende zaken onrechtmatig tegenover de Staat kunnen handelen door hun eigen grond te vervuilen omdat de Staat zich het saneringsbelang van die percelen zal aantrekken, betekent niet dat het vervuilen van eigen grond ook onrechtmatig is jegens toekomstige rechtsopvolgers. Bovendien heeft de waarschijnlijk belangrijkste oorzaak van de verontreiniging (de calamiteit met de openstaande handpomp) zich naar valt aan te nemen voor 1975 voorgedaan, toen ook tegenover de Staat nog geen aansprakelijkheid bestond voor saneringskosten.

Voorzover de vordering erop stoelt dat [betrokkene A] vervuilde grond in het verkeer heeft gebracht terwijl hij van die verontreiniging op de hoogte was, heeft [eiser] zich voornamelijk gebaseerd op het arrest Zuidema/Groningen van de Hoge Raad. Deze vergelijking gaat echter niet op: de grond is niet na de vervuiling door [betrokkene A] bewerkt en vervolgens in het verkeer gebracht; van verkoop specifiek ten behoeve van woningbouw was geen sprake, laat staan van een bouwplicht en de verkoper was ook geen overheidsorgaan (gemeente). Voorts ziet de door [eiser] getrokken vergelijking eraan voorbij dat de onrechtmatigheid in de door hem bedoelde gevallen

"veelal samenhangt met het feit dat een goed in het verkeer wordt gebracht dat behept is met een gebrek, een tekortkoming of een negatieve eigenschap, welke aan de vervreemder wel, doch aan de verkrijger niet bekend is (en uit de aard ervan ook niet eenvoudig kenbaar is, immers onder de oppervlakte verborgen blijft).

Indien en voorzover dus al het verkopen van een verontreinigd perceel als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dan is dat enkel onrechtmatig jegens eventuele verkrijgers die van de vervuiling niet op de hoogte waren."

Derhalve heeft [betrokkene A] niet onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld door in 1981 de percelen aan [betrokkene B] te verkopen.

Bovendien brengt het feit dat [eiser] precies wist wat hij kocht, namelijk een perceel met hoogstwaarschijnlijk enige olieverontreiniging, mee dat de door hem voldane saneringskosten niet ertoe strekten het perceel te brengen in de staat welke hij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten, maar om het in een betere staat te brengen. Dat kan niet als (voor vergoeding in aanmerking komende) schade worden aangemerkt.

1.6 Tegen dit arrest heeft [eiser] tijdig beroep in cassatie ingesteld.(3) Hij droeg daartoe vier middelen voor. [betrokkene A] concludeerde tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten. Er is niet gerepliceerd of gedupliceerd.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Middel I is gericht tegen 's hofs samenvattende overweging:

"Indien en voorzover dus al het verkopen van een verontreinigd perceel als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dan is dat enkel onrechtmatig jegens eventuele verkrijgers die van de vervuiling niet op de hoogte waren."

Volgens het middel is deze beslissing in strijd met de rechtspraak van de Hoge Raad, meer in het bijzonder met de arresten Holvrieka/Bruning(4) en LE Beheer/Stijnman(5), omdat de vraag of de verkoper onrechtmatig heeft gehandeld, dient te worden beantwoord door (mede) te onderzoeken of en zo ja in hoeverre hij een mededelingsplicht had ten aanzien van de koper. Uit deze rechtspraak volgt dat de vervuiler uit onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn ook jegens de opvolgend koper die ervan op de hoogte was dat ten aanzien van dat terrein een verhoogd risico van bodemverontreiniging gold en daarnaar zelf een onderzoek had dienen in te stellen.

2.2 Het middel berust naar ik vrees op een misverstand. In de desbetreffende arresten heeft de Hoge Raad immers geoordeeld over contractuele vervuilingsgevallen in de sleutel van een beroep op dwaling. Krachtens vaste rechtspraak gaat het in dergelijke gevallen om een afweging van de mededelingsplicht van de verkoper tegenover de eigen onderzoeks-verantwoordelijkheid(6) van de koper. Daarbij geldt als vuistregel dat die mededelingsplicht prevaleert(7), welke formulering impliceert dat die plicht en deze eigen verantwoordelijkheid elkaar kunnen overlappen.(8) Kernvraag is dan ook veelal óf de verkoper een mededelingsplicht had.(9) In het arrest inzake het zwembad te Curaçao heeft de Hoge Raad niet alleen beslist dat dienaangaande alle - zo nauwkeurig en volledig mogelijk vast te stellen - omstandigheden van het geval in de beoordeling moeten worden betrokken, maar ook dat de prioriteit van die spreekplicht met name strekt ter bescherming van onvoorzichtige kopers.

2.3 In de onderhavige procedure is echter een heel andere vraag aan de orde, namelijk of de vervuiler van zijn eigen grond onrechtmatig handelt tegenover toekomstige derden-verkrijgers door die grond in vervuilde staat in het verkeer te brengen. Richtinggevend is het ook door het hof genoemde arrest Groningen/Zuidema(10), waarin aan de orde was dat de gemeente Groningen een terrein eerst had volgestouwd met chemisch afval en het daarna had geëgaliseerd, met een laag grond bedekt en het vervolgens aan diverse kopers had uitgegeven met een bouwplicht. Nadat Zuidema aan deze verplichting had voldaan, moest hij ervaren dat de ondergrond ernstig was vervuild, hetgeen hem op hoge saneringskosten kwam te staan. Hij sprak vervolgens de gemeente aan onder meer uit onrechtmatige daad en kreeg onder meer tegengeworpen dat tussen partijen een exoneratiebeding was overeengekomen, dat ook vorderingen op buitencontractuele leest betrof. Rechtbank en hof wezen de vordering echter toe. De Hoge Raad overwoog onder meer (rov. 3.3):

"Het hof heeft terecht geoordeeld dat naar de huidige rechtsopvatting de uitgifte van bouwgrond onder de genoemde omstandigheden in het algemeen onrechtmatig is jegens latere eigenaren of gebruikers; dat het handelen van de gemeente in de jaren zestig moet worden beoordeeld naar de toentertijd geldende maatstaven en kennis; en dat het handelen van de gemeente onafhankelijk van de schending van contractuele verplichtingen onrechtmatig is."

2.4 In dit licht heeft het hof in de onderhavige procedure terecht geoordeeld dat dit arrest niet en in elk geval niet zonder meer meebrengt dat [betrokkene A] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door een stuk grond aan [betrokkene B] te verkopen waarvan hij wist dat het vervuild was. Van de door het hof daartoe genoemde argumenten spreekt mij minder aan dat [betrokkene A] de grond niet eerst heeft bewerkt (hoewel dat op zichzelf waar is) maar met name wél dat [betrokkene A] aan [betrokkene B] geen bouwplicht heeft opgelegd, terwijl ook aan het argument dat [betrokkene A] geen overheidsorgaan is, betekenis toekomt omdat aan de overheid dienaangaande verhoogde zorgvuldigheidseisen mogen worden gesteld en omdat zij, meer dan een particulier, in staat is het financiële risico voor door haar gemaakte fouten te spreiden.

Niet door het hof genoemd is voorts een ander m.i. sprekend verschil tussen Groningen/Zuidema en de onderhavige zaak, namelijk dat in het geval van 1993 werd geprocedeerd tussen de oorspronkelijke partijen, terwijl in onze zaak de vervuiler/ vervreemder wordt geconfronteerd met een derde (of beter: vierde). Ik denk dat een dergelijk geval al daarom anders ligt, omdat in het algemeen de mogelijkheid bestaat - al zijn daarvoor in het concrete geval geen aanwijzingen - dat de geleverde zaak tussen de oorspronkelijke partijen aan de overeenkomst voldeed, bijvoorbeeld doordat de vervuiling in de koopprijs was verdisconteerd of voor de koper niet ter zake deed, gezien de wijze waarop deze voornemens was de grond te gebruiken. Onder dergelijke omstandigheden zou het naar mijn mening onaanvaardbaar zijn van de verkoper te verlangen aan een derde (vierde) diens saneringskosten te vergoeden. Een dergelijke vordering zou wél toewijsbaar kunnen zijn als men de feiten van het geval verandert in die zin, dat de verkochte zaak een - tussen de oorspronkelijke partijen in de koopprijs verdisconteerd - gebrek heeft dat de zaak gevaarlijk maakt voor lijf of goed van derden, welk gevaar zich vervolgens verwezenlijkt. Maar in onze zaak is dit gesteld noch gebleken. Integendeel: bodemvervuiling is, in relatie tot de verkoopbaarheid van de desbetreffende grond, geen gevaarlijke eigenschap, maar slechts een waardedrukkende.

2.5 In onze zaak is geen poging gedaan een genuanceerde en op het onderhavige geval toegesneden variant van Groningen/Zuidema ingang te doen vinden. Het wél voorgestelde middel I moet naar mijn mening reeds stuklopen op het feit dat een mededelingsplicht tegenover een op het moment van verkoop nog onbekende opvolgend verkrijger, praktisch gesproken niet voorstelbaar is.(11)

Zou het middel zo moeten worden begrepen dat [betrokkene A] een mededelingsplicht tegenover [betrokkene B] heeft geschonden en dat dit tegenover [eiser] onrechtmatig is, dan stuit het reeds af op het feit het deze stelling in de feitelijke instanties niet is verdedigd en een feitelijke waardering vergt waarvoor in cassatie geen plaats is. Afgezien daarvan valt, nu geen sprake is van een zaak die door een daaraan klevend gebrek gevaarlijk is voor derden, niet in te zien waarom het feit dat [betrokkene A] [betrokkene B] niet voor de vervuiling heeft gewaarschuwd (al aangenomen dat dit niet is gebeurd, hetgeen is gesteld noch gebleken), onrechtmatig zou zijn tegenover [eiser]. Het middel verzuimt hierover opheldering te verschaffen.

2.6 Middel II is gericht tegen het feit "dat het hof niet doorslaggevend doet zijn de kennis van koper over het al dan niet uitgevoerd zijn van een sanering, doch kennelijk volledig beslissend acht dat koper ongeacht de sanering had moeten weten van de vervuiling en reeds daardoor aansprakelijk is."

Volgens het middel "is voor de vraag of er te dien aanzien een mededelingsplicht bestond voor de verkoper beslissend of deze vervuiling ten tijde van de verkoop nog steeds aanwezig was in de mate waarvan voorheen sprake was (en dus of er volledig was gesaneerd of niet)."

2.7 Ook na herhaalde lezing van het middel heb ik er moeite mee te begrijpen wat daarmee wordt bedoeld. Maar dit kan ook aan mij liggen. Daarom doe ik toch de volgende poging tot bespreking.

Voorzover het middel voortbouwt op middel I door andermaal te verwijzen naar de "mededelingsplicht voor de verkoper", moet het in het lot daarvan delen.

Voorzover het 's hofs oordeel als onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd bestrijdt omdat het niet erom gaat of opvolgend verkrijgers met de vervuiling op de hoogte waren maar om de in verband daarmee te maken saneringskosten, kan ik het niet volgen. Die saneringskosten staan immers in rechtstreeks verband met de vervuiling. Ik kan dan ook niet inzien dat voor de beoordeling van de onderhavige vordering het hof een onjuiste rechtsopvatting zou hebben aanvaard of in zijn motiveringsplicht tekort zou zijn geschoten, door te overwegen zoals het deed.

2.8 Middel III is gericht tegen 's hofs overweging - kort samengevat - dat de vordering bovendien moet stranden omdat [eiser] geen (voor vergoeding vatbare) schade heeft geleden, maar slechts kosten heeft gemaakt om het perceel in een betere staat te brengen. Volgens het middel is deze beslissing "niet gebaseerd op het Nederlands recht en als zodanig is deze beslissing rechtens niet juist althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed."

2.9 Het middel stuit reeds af op het feit dat het is gericht tegen een overweging ten overvloede, terwijl de dragende overwegingen voor 's hofs beslissing door de middelen I en II tevergeefs zijn aangevallen.

Bovendien voldoet het middel niet aan de daaraan ingevolge art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen omdat niet wordt uiteengezet waarom deze beslissing onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn.

2.10 Middel IV acht in de eerste plaats "onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed de conclusies die het hof uit de feitelijke constellatie trekt. (...) Gedoeld wordt op r.o. 4 blz. 4 alinea 5. De feiten die daar genoemd worden brengen toch niet mee dat [eiser] dus moet hebben afgeweten van de verontreiniging. Dit ook gezien de overweging op blz. 5 dat de calamiteit zich ca. 20 jaar voordien heeft voorgedaan."

2.11 Het middel faalt omdat het is gericht tegen een feitelijke overweging van het hof die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst en die alleszins begrijpelijk is.

2.12 Ten tweede klaagt het middel, als ik het goed begrijp, over het feit dat het hof het arrest Groningen/Zuidema van het onderhavige geval heeft distinguished door onder meer erop te wijzen dat in ons geval de grond geen bewerking heeft ondergaan voordat zij, in vervuilde staat, ter verkoop werd aangeboden.

2.13 Deze klacht lijdt schipbreuk omdat het hof niet om die enkele reden, maar ook om een tweetal andere - terecht als zodanig genoemde - redenen onderscheid heeft gemaakt tussen het meergenoemde arrest en onze zaak. Bovendien is daarvoor nog een vierde reden aan te voeren, in deze conclusie besproken onder 2.4. Voorts heeft het hof zijn oordeel mede gebaseerd op een tweetal andere overwegingen die zijn oordeel zelfstandig dragen en die in cassatie tevergeefs zijn aangevallen. Kortom: deze klacht mist belang.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Aldus het gesprek dat door Consulmij, een expertisebedrijf dat door [eiser] zelf is ingeschakeld, met [eiser] is gevoerd, waarvan verslag is gedaan in het door Consulmij uitgebrachte rapport van oktober 1994, productie 2 bij conclusie van eis, blz. 7.

2 Zie de vorige noot.

3 Op de laatst mogelijke dag: de cassatiedagvaarding dateert van 29 augustus 2000.

4 HR 14 november 1997, NJ 1998, 657.

5 HR 16 juni 2000, NJ 2001, 559.

6 Deze term is afkomstig van Kleijn, die daarvan uitleg geeft in zijn noot onder HR 10 april 1998, NJ 1998, 666 (zwembad te Curaçao).

7 HR 30 november 1973, NJ 1974, 97, HR 7 december 1984, NJ 1985, 771 en HR 21 december 1990, NJ 1991, 251.

8 Zoals beslist in het in noot 6 genoemde arrest.

9 Aldus terecht de A-G Langemeijer in diens conclusie voor het arrest inzake het zwembad te Curaçao, nr. 2.8.

10 HR 19 februari 1993, NJ 1994, 290.

11 Onder een andere invalshoek wordt de vraag of "het mogelijk (is) dat hetgeen wij thans doen en laten een onrechtmatige daad oplevert jegens hen die over driehonderd jaar worden geboren", boeiend besproken door Nieuwenhuis, in "Zij die geboren worden groeten u", RM Themis 1988, blz. 359-367.