Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2186

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
R01/045HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-28
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 426a, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 382
JWB 2002/251

Conclusie

Rek.nr.: R01/045

Zitting 19 april 2002

Conclusie Mr J. Spier inzake:

[Eiseres]

tegen

[Verweerder]

Inleiding

1. In deze Antilliaanse procedure is niet gemakkelijk te bevroeden wat partijen wensen. Dat blijkt reeds hieruit dat in het inleidend verzoekschrift wél wordt aangegeven wat wordt gevorderd maar niet waarom dat gebeurt. Welwillende lezing brengt mee dat [eiseres] betaling vordert van het in een door [verweerder] afgegeven schuldbekentenis genoemde bedrag. Op grond van het niet gemakkelijk te doorgronden procesverloop in eerste aanleg heeft het Gerecht in Eerste Aanleg (hierna: GEA) in zijn tussenvonnis van 11 oktober 1999 geoordeeld dat

"de stellingen van partijen er (in feite op neer)komen dat zij de verdeling van die gemeenschap wensen".

In appèl is dit niet bestreden.

2. Mij viel op dat sprake is van een niet geringe discrepantie tussen de stukken in het Hof-dossier en die overgelegd door [eiseres]. In dit verband vermeld ik slechts:

a. dat de repliek in Hof-dossier vergezeld gaat van een reeks producties; deze ontbreken in het dossier van [eiseres];

b. de opmaak en paginering van het antwoord van [verweerder] stemmen in beide dossiers niet overeen. Ik beschouw het niet als mijn taak om minutieus te controleren of de inhoud van processtukken overeenstemt in de onderscheidene dossiers. In het Hof-dossier bevinden zich in de map cva vele producties; deze trof ik niet aan in het dossier van [eiseres].

3. Het bovenstaande stelt mij voor moeilijkheden. Omdat [verweerder] verstek heeft doen gaan, valt niet na te gaan of partijen elkaar, GEA en Hof dezelfde stukken hebben doen toekomen. Uit het oogpunt van art. 6 EVRM beschouw ik dat als een probleem. In theorie kan men antwoorden dat het aan partijen is om hierover, desgewenst, te klagen. Doch dat lijkt mij louter theorie. Er valt immers eerst iets te klagen wanneer men weet dat er iets niet klopt. Of die situatie zich hier voordoet, kan ik niet beoordelen. Het valt zeker niet uit te sluiten dat [eiseres] - zoals helaas vaak voorkomt - slechts een incompleet dossier aan Uw Raad heeft overgelegd.

4. Ik baseer me hierna op het Hof-dossier.

5. Ik veroorloof mij nog de opmerking dat het wenselijk lijkt dat het hierboven gesignaleerde probleem - dat zich met regelmaat voordoet - op passende wijze wordt opgelost. De wijze waarop dat zou kunnen gebeuren, gaat het bestek van deze conclusie te buiten.

6. Opmerking verdient nog dat het verzoekschrift in cassatie onvolledig is op het stuk van de vermelding van de voornamen van [eiseres] en onbegrijpelijk waar het gaat om het adres van haar advocaat. Ook al omdat uit de rest van het verzoekschrift geen twijfel kan bestaan over de identiteit van verzoekster tot cassatie én omdat ook het juiste adres van mr Angad Gaur wordt genoemd, kan dat m.i. met de mantel der liefde worden bedekt.(1)

1. Feiten

1.1 In deze zaak hebben het GEA in zijn vonnissen van 11 oktober 1999 en 15 mei 2000 en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het Hof) in zijn in cassatie bestreden vonnis de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld. Tenzij anders vermeld, wordt dit ontleend aan rov. 3 van 's Hofs vonnis.

1.2 [Eiseres] en [verweerder] hebben gedurende langere tijd een affectieve relatie gehad (vonnis GEA van 11 oktober 1999 rov. 3). Op 31 mei 1994 hebben zij ten overstaan van een kandidaat-notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is bepaald:

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 2

(...)

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomsten bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van de netto inkomsten of zoveel meer als partijen wensen wordt gestort op een gemeenschappelijke bank en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas is/zijn mede-eigendom van partijen (...); zij zijn daarin voor de helft gerechtigd. (2)

(...)

Artikel 3

(...)

3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning (...) een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (...)

(...)

1.3 In augustus 1994 heeft [verweerder] een woning, gelegen aan de [a-straat 1], gekocht en in eigendom geleverd gekregen. Partijen hebben deze woning gezamenlijk bewoond.

1.4 Ter financiering van een deel van de koopsom van de woning heeft [verweerder] bij de Postspaarbank een hypothecaire lening gesloten. Uit hoofde van deze lening diende terzake van aflossing en rente aan de bank maandelijks een bedrag van Nafl. 1.915,-- te worden betaald. [Eiseres] heeft zich jegens de bank hoofdelijk verbonden voor de verplichtingen uit hoofde van de lening.

1.5 De samenleving van partijen wordt geacht eind april 1997 te zijn beëindigd. Op 7 mei 1997 was [eiseres] elders woonachtig.(3)

1.6 Op 25 maart 1998 heeft [verweerder] een handgeschreven stuk ondertekend waarin hij verklaart terzake de "afwikkeling voortvloeiende uit het uit elkaar gaan" aan [eiseres] een bedrag van Nafl. 23.652,50 verschuldigd te zijn, "los van de eventuele belastingteruggave verrekeningen".(4) Bij dit stuk hoort een berekening waaruit blijkt dat dit bedrag is verkregen door een bedrag van Nafl. 25.852,50 (27 x Nafl. 957,50) te verminderen met een bedrag van Nafl 4.800,00 ("restant lening") en te vermeerderen met een bedrag van Nafl. 2.600,-- ("bijdrage [...]").

1.7 In cassatie kan voorts ervan worden uitgegaan dat partijen gedurende de periode van 31 mei 1994 tot eind april 1997 (vrijwel steeds) bij helfte hebben bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.(5)

2. Procesverloop

2.1 In de onderhavige procedure vordert [eiseres] van [verweerder] betaling van een bedrag van Nafl. 18.583,84, te vermeerderen met rente en kosten, alsmede vanwaardeverklaring van het conservatoir beslag dat zij tot zekerheid van deze vordering heeft doen leggen op de woning van [verweerder].

2.2.1 [Eiseres] baseert deze vordering in de eerste plaats op de hiervoor bedoelde schuldbekentenis van 25 maart 1998. (6)

2.2.2 Zij stelt voorts dat zij gedurende de periode dat partijen hebben samengeleefd voor een te groot deel heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en de financieringslasten van de woning. Na de beëindiging van de samenleving hebben partijen, volgens [eiseres], afgesproken dat zij aanspraak kon maken op restitutie van een gedeelte van het door haar ingebrachte geld. Het daaraan voorafgaande overleg heeft geresulteerd in de hiervoor onder 1.6 bedoelde schuldbekentenis.. Na aftrek van de inmiddels door de Inspectie der belastingen aan haar toegekende teruggave wegens de hypotheekrente aftrek resteert een door [verweerder] te betalen bedrag van Nafl. 18.583,84. [Verweerder] weigert dit evenwel te betalen, aldus [eiseres].

2.3 [Verweerder] heeft zelf verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. Voorzover in cassatie nog van belang heeft het partijdebat zich vervolgens toegespitst op de volgende geschilpunten.

(1) Inbreng naar evenredigheid of bij helfte

2.4 Volgens [eiseres] dienden partijen ingevolge art. 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst naar evenredigheid van hun netto-inkomsten bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. [Verweerder] heeft echter nimmer inzage willen geven in de hoogte van zijn inkomen. Het is echter zeer aannemelijk dat [verweerder] naar rato van zijn netto-inkomen meer had moeten bijdragen (inleidend verzoekschrift onder 3 en 8; CvR in conventie, CvA in reconventie onder 4).

2.5 [Verweerder] betoogt daarentegen dat partijen reeds bij de aanvang van de gezamenlijke huishouding in februari 1993 zijn overeengekomen dat ieder voor de helft zou bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, "of zoveel meer als zij dat wensten". [Verweerder] meent dat deze afspraak wordt gedekt door art. 2 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst. Hij heeft daaraan nog toegevoegd dat een bijdrage naar evenredigheid ook niet logisch zou zijn geweest nu partijen beiden maandelijks sterk wisselende inkomsten genoten (CvA in conventie, CvE in reconventie, blz. 4/5; CvD in conventie, CvR in reconventie, blz. 7/8).

(2) Schuldbekentenis

2.6 De schuldbekentenis heeft volgens [verweerder] betrekking op hetgeen door [eiseres] is bijgedragen aan de maandelijkse hypotheeklasten, giften van [eiseres] aan [verweerder] en verrekening van een lening van [verweerder] aan [eiseres] (CvA in conventie, CvE in reconventie, blz. 3, CvD in conventie, CvR in reconventie, blz. 6 en 7, proces-verbaal comparitie van partijen van 27 oktober 1999, blz. 2).

2.7.1 [Verweerder] betoogt dat [eiseres] geen beroep toekomt op de schuldbekentenis. Daartoe heeft hij in de eerste plaats aangevoerd dat deze niet is bedoeld als definitieve afrekening tussen partijen. De schuldbekentenis is slechts afgegeven in het kader van een verzoeningspoging en had slechts tot doel [eiseres] zekerheid te verschaffen op de nalatenschap van [verweerder], indien [verweerder] voortijdig zou komen te overlijden (CvA in conventie, CvE in reconventie, blz. 6 en 8; CvD in conventie, CvR in reconventie, blz. 3; proces-verbaal comparitie van partijen van 27 oktober 1999, blz. 1).

2.7.2 In de tweede plaats heeft hij aangevoerd dat partijen bij de overeenkomst die heeft geleid tot de schuldbekentenis zijn uitgegaan van onjuiste premissen. Bij de berekening is namelijk uitgegaan van de volledige maandelijkse hypotheeklast, derhalve van zowel de rente- als de aflossingscomponent. Ingevolge de samenlevingsovereenkomst behoren de maandelijkse rentelasten evenwel tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. [Verweerder] verzoekt het GEA daarom deze overeenkomst te vernietigen op grond van (wederzijdse) dwaling, althans deze te ontbinden "op grond van de redelijkheid en de billijkheid" en "een rechtvaardig afwikkelingsbedrag vast te stellen". Hij heeft er nog op gewezen dat alleen de aflossingscomponent voor teruggave in aanmerking komt (CvA in conventie, CvE in reconventie, blz. 10, 11 en 13; CvD in conventie, CvR in reconventie, blz. 8, 12; CvA na comparitie, blz. 3-4 en 7).

2.8.1 [Eiseres] betwist de door [verweerder] gestelde bedoeling van partijen ten aanzien van de schuldbekentenis. Volgens haar is deze wel degelijk afgegeven in het kader van een definitieve afwikkeling tussen partijen. De tekst wijst daar reeds op (CvR in conventie, CvA in reconventie, onder 2; CvD in reconventie, blz. 1 en onder 4; proces-verbaal comparitie van partijen van 27 oktober 1999, blz. 1).

2.8.2 Van (wederzijdse) dwaling is volgens [eiseres] geen sprake. Daarbij heeft zij erop gewezen dat [verweerder] de schuldbekentenis zelf heeft opgesteld op grond van berekeningen die hij zelf heeft uitgevoerd. [Eiseres] meent bovendien dat [verweerder] bij zijn berekeningen terecht de volledige maandelijkse hypotheeklasten heeft betrokken (CvR in conventie, Cva in reconventie, onder 8; CvD in reconventie onder 4; proces-verbaal comparitie van partijen van 27 oktober 1999, blz. 2 ; Conclusie na comparitie, blz. 1).

2.8.3 Blijkens door [eiseres] in geding gebrachte notulen van een bespreking onder leiding van een juriste zou zij zich op het standpunt hebben gesteld dat op 25 maart 1998 overleg heeft plaatsgevonden over de precieze vaststelling van de restitutie "van hetgeen zij heeft ingebracht in de financiering van het huis". "Daarbij is in onderling overleg komen vast te staan dat [verweerder] ([...], JS) f. 23.652,50 aan [eiseres] ([...], JS) verschuldigd is. Hij heeft voor dat bedrag toen een schuldbekentenis ondertekend." [Verweerder] zou daarop hebben gezegd: "Dat verhaal klopt, maar ik heb het oorspronkelijke uitgangspunt verlaten, omdat de rente-inbreng -volgens het krantenartikel niet vergoed behoeft te worden, omdat dat geen vermogensaanwas inhoudt, maar die betaling zuiver de Bank ten goede komt." Verderop zegt [verweerder]: "Ik beaam dat ik op of omstreeks 25/3 een schuldbekentenis heb ondertekend en afgegeven, maar ik handelde destijds onder invloed van "dwaling"; ik ben inmiddels tot andere inzichten gekomen die het restitutiebedrag van rente + aflossing niet rechtvaardigen." [Verweerder] heeft zich ertoe beperkt het waarheidsgehalte van de notulen te betwisten (cva na comparitie blz. 8).

(3) Restant geldlening van [verweerder] aan [eiseres]

2.9 [Verweerder] stelt dat hij aan [eiseres] een renteloze geldlening van Nafl. 12.000,-- heeft verstrekt, van welk bedrag [eiseres] nog een bedrag van Nafl. 4.800,-- dient terug te betalen. Hij maakt aanspraak op dit bedrag (CvA in conventie, CvE in reconventie, blz. 9; CvD in conventie, CvR in reconventie, blz. 12; proces-verbaal comparitie van partijen van 27 oktober 1999, blz. 2).

2.10 [Eiseres] bestrijdt deze geldlening niet, maar stelt zich op het standpunt dat [verweerder] genoemd restant in zijn (onaantastbare) schuldbekentenis heeft betrokken, zodat deze vordering is verrekend (CvR in conventie, CvA in reconventie, onder 6; CvD in reconventie, onder 8).

2.11 In zijn tussenvonnis van 11 oktober 1999 heeft het GEA overwogen dat de omstandigheid dat partijen een samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, waarbij zij een gemeenschappelijke huishouding zijn overeengekomen, impliceert dat in zoverre sprake is van een gemeenschap. De stellingen van partijen komen in feite erop neer dat zij verdeling van die gemeenschap wensen. Omdat partijen zich niet tot een notaris hebben gewend om tot een verdeling te geraken dan wel een proces-verbaal van zwarigheden te laten opmaken, ziet het GEA aanleiding een comparitie van partijen te gelasten (rov. 3 en 4).

2.12 .1 Ter comparitie heeft [verweerder] erkend dat hij de schuldbekentenis van 25 maart 1998 zelf heeft opgesteld. Naar zijn zeggen, had deze "uitsluitend betrekking tot de hypotheek-aflossingen bij de Postspaarbank, vooruitlopend op de afwikkeling van de zaak" (proces-verbaal blz. 2).

2.12.2 Het GEA heeft partijen, aan het slot van de comparitie, opgedragen "een overzichtelijke staat op te stellen van hetgeen zij hebben gefourneerd met de daarbij behorende bewijsstukken" (p.v. blz. 3). Daarbij diende [eiseres] aan te geven wat door haar ter zake van gas, licht en water is betaald, terwijl [verweerder] nadere informatie diende te verschaffen omtrent de gebruiksbelasting van de woning.

2.13 Bij eindvonnis van 15 mei 2000 heeft het GEA in conventie [verweerder] veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van Nafl. 3.887, 27, te vermeerderen met rente; het heeft het beslag van waarde verklaard. In reconventie heeft het - voorzover thans van belang - de schuldbekentenis van 25 maart 1998 vernietigd.

2.14 Samengevat weergegeven en voorzover in cassatie nog van belang heeft het daartoe onder meer het volgende overwogen:

(i) Het GEA verwerpt de stelling van [verweerder] dat hij [eiseres] met de schuldbekentenis slechts een titel wenste te verstrekken ingeval hij zou "vooroverlijden", nu daaruit volgt dat deze is opgemaakt ter afwikkeling van de samenleving (rov. 2).

(ii) Het GEA zal nagaan of en in hoeverre het in de schuldbekentenis genoemde bedrag, dat betrekking heeft op de hypotheekaflossingen, juist is en op welke wijze de verdeling tot stand dient te komen (rov. 3). Daarbij neemt het GEA het volgende tot uitgangspunt:

- Afgerekend dient te worden over de periode van 31 mei 1994 - de datum van het aangaan van de samenlevingsovereenkomst - tot en met april 1997. Op 7 mei 1997 moet de samenleving geacht worden te zijn beëindigd (rov. 4).

- Partijen hebben gedurende deze periode bij helfte bijgedragen aan de gemeenschappelijke huishouding. Het GEA gaat er daarom vanuit dat beide partijen hebben ingestemd met deze, van art. 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst afwijkende, gang van zaken (rov. 5).

(iii) Het GEA begrijpt uit de stellingen van [verweerder] dat [eiseres] (eveneens) bij helfte heeft bijgedragen aan de maandelijkse hypotheeklasten. Daarmee heeft [eiseres] ten onrechte bijgedragen aan de aflossing van de hypotheek. Gedurende de hiervoor genoemde periode is afgelost Nafl. 17.243, 20, zodat [verweerder] haar Nafl. 8.621,60 dient terug te betalen (rov. 6). [Eiseres] diende op grond van art. 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst wel bij te dragen in de rentecomponent van de maandelijkse hypotheeklast (rov. 7).

(iv) Het GEA gaat ervan uit dat [verweerder] in de berekeningen die aan de schuldbekentenis ten grondslag liggen ten onrechte zowel de aflossings- als de rentecomponent heeft betrokken. Nu vast staat dat [verweerder] deze berekeningen zelf heeft opgesteld, mocht [eiseres] in beginsel erop vertrouwen dat deze juist waren. Gelet op het bepaalde in de samenlevingsovereenkomst kan [verweerder] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid echter niet aan de schuldbekentenis worden gehouden. Het had in feite beide partijen duidelijk moeten zijn dat sprake was van een evidente misslag van [verweerder] die ertoe zou leiden dat [eiseres] zonder rechtvaardiging wordt bevoordeeld. Het Gerecht vernietigt daarom de schuldbekentenis (rov. 8).

(v) Op het moment van uit elkaar gaan, was [eiseres] uit hoofde van een geldlening nog een bedrag van Nafl. 4.800,-- verschuldigd. Dit bedrag zal worden verrekend met hetgeen [verweerder] naar de vaststelling van het Gerecht aan [eiseres] dient te voldoen (rov. 11).

(vi) Het fiscaal voordeel dient bij helfte te worden verdeeld. Hetzelfde geldt voor de verbruiksbelasting. De door [eiseres] betaalde onderhouds- en reparatiekosten van de woning dient [verweerder] te vergoeden (rov. 9, 10 en 12). Rekening houdend met het voorgaande en na aftrek van hetgeen [eiseres] ten onrechte heeft bijgedragen aan de aflossing van de hypotheek is het GEA van oordeel dat [eiseres] ter zake de verdere kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft bijgedragen hetgeen zij ook diende bij te dragen (rov. 13-14). Dit (en het feit dat [verweerder] na het entameren van de procedure reeds een bedrag heeft betaald) leidt tot de slotsom dat [verweerder] aan [eiseres] een bedrag van Nafl. 3.887, 27 dient te voldoen (rov. 19).

2.15 [Eiseres] is van het eindvonnis van het GEA in hoger beroep gekomen.. Bij MvG heeft zij acht grieven geformuleerd. In cassatie zijn nog van belang de Grieven I-VI .

2.16.1 Met grief I kwam [eiseres] op tegen het oordeel van het GEA in rov. 5 dat zij ermee heeft ingestemd dat partijen bij helfte zouden bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zulks in afwijking van het samenlevingscontract. De grieven II en III bestreden rov. 6 en 7, waarin het GEA op dit oordeel heeft voortgebouwd. Meer in het bijzonder betoogt zij dat hetgeen zij heeft betaald ter afossing van de hypotheek moet worden terugbetaald.

2.16.2 Ter toelichting op deze grieven heeft [eiseres] - kort gezegd - aangevoerd dat zij nimmer met een bijdrage bij helfte heeft ingestemd. Weliswaar heeft zij (grotendeels) bij helfte ingebracht(7), doch [verweerder] heeft haar nimmer in staat gesteld te controleren of daarmee conform art. 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst inderdaad naar evenredigheid werd ingebracht.

2.17 Grief IV was gericht tegen het oordeel van het GEA in rov. 8 dat de schuldbekentenis dient te worden vernietigd. In dit verband heeft [eiseres] onder meer aangevoerd dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat voor haar duidelijk moet zijn geweest dat sprake was van een evidente misslag aan de zijde van [verweerder]. Daartoe heeft zij erop gewezen dat [verweerder] ruim anderhalf jaar de tijd heeft genomen de aan de schuldbekentenis ten grondslag liggende berekeningen te maken, dat hij daarbij een notaris heeft geconsulteerd, dat [verweerder] reeds eerder een schuldbekentenis had opgesteld, die door hem is herzien en vervangen en dat zij geen inzicht heeft gekregen in de documentatie en de calculatiemethode voor de berekeningen van [verweerder] (MvG, blz. 5). Deze omstandigheden rechtvaardigen ook niet, althans niet zonder nadere motivering, de conclusie dat de schuldbekentenis "op grond van de redelijkheid en billijkheid" moet worden vernietigd.

2.18 Grief V klaagde erover dat het GEA in rov. 9 ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiseres] de helft van het fiscaal voordeel aan [verweerder] dient te vergoeden. Volgens [eiseres] heeft het GEA hiermee miskend dat zij nooit heeft ontkend dat zij [verweerder] het fiscale voordeel diende te vergoeden en dat zij in haar inleidend verzoekschrift zelfs het volledige fiscale voordeel van het in de schuldbekentenis genoemde bedrag van Nafl. 23.652, 50 heeft afgetrokken en haar vordering daarmee heeft bepaald op Nafl. 18.583, 84.

2.19.1 Grief VI kwam op tegen het oordeel van het GEA in rov. 11 ten aanzien van het restant van de geldlening. Ter toelichting op deze grief heeft [eiseres] kort gezegd opgeworpen dat [verweerder] ter comparitie zelf heeft erkend dat hij het bedrag van Nafl. 4.800,-- in de schuldbekentenis heeft verrekend. Aldus is sprake van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in art. 1944 BWNA, welke ingevolge art. 1945 BWNA alleen wegens dwaling kan worden herroepen. [Eiseres] herhaalt dat van dwaling evenwel geen sprake is. Bovendien vindt dit bevestiging in een handgeschreven berekening, door haar als productie 3 in prima overgelegd.(8)

2.19.2 [Eiseres] heeft er voorts op gewezen dat de onjuiste voorstelling van zaken bij [verweerder] niet door haar teweeg is gebracht, aangezien zij geen enkele bemoeienis heeft gehad met de berekeningen. Naar de mening van [eiseres] dient de dwaling voor rekening van [verweerder] te blijven nu deze aan zijn schuld is te wijten dan wel krachtens de verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. In dat verband heeft zij (ten dele nogmaals) aangevoerd dat [verweerder] de berekeningen zelf heeft uitgevoerd, dat [verweerder] zich terzake heeft verstaan met een medewerker van een notariskantoor, dat [verweerder] zich destijds in de eindfase van zijn rechtenstudie bevond en bovendien over zijn volledige verstandelijke vermogens beschikte. Onder deze omstandigheden treft [verweerder] alle blaam dat hij desondanks is uitgegaan van de verkeerde premissen (blz. 6-7).

2.19.3 Hieraan heeft [eiseres] nog toegevoegd dat voor haar niet kenbaar was dat sprake was van een evidente misslag. Zij mocht er dan ook vanuit gaan dat de berekening correct was, te meer nu [verweerder] reeds voor 15 mei 2000 is begonnen met het aflossen van het in de schuldbekentenis genoemde bedrag (blz. 7/8).

2.20.1 [Verweerder] heeft de grieven bestreden. In reconventie heeft hij (nogmaals) geconcludeerd tot vernietiging van de schuldbekentenis, onder meer wegens (wederzijdse) dwaling.(9)

2.20.2 In het kader van de Grieven I-III heeft [verweerder] aangevoerd dat partijen vóór en na het opstellen van het samenlevingscontract hebben afgesproken dat ieder voor de helft of zoveel meer als zij dat zouden wensen, zouden bijdragen in de kosten van de huishouding. Hij herhaalt dat de basis hiervoor is te vinden in art. 2 lid 3. Dat partijen dit hebben afgesproken, blijkt volgens [verweerder] ook uit de notulen van en bespreking op 30 augustus 1998 (mva blz. 2/3).(10)

2.20.3 [Verweerder] voert aan dat voor de berekeningen minder dan 26 dagen beschikbaar waren; in dit verband wijst hij er op dat hij in die periode "emotioneel berooid, in de war, en niet in staat om zijn wil te bepalen" was; hij heeft voor de berekeningen geen notaris geraadpleegd (blz. 3 en 8). Ook bestrijdt hij dat zijn rechtenstudie destijds reeds goeddeels was voltooid (blz. 9/10).

2.21 Het Hof heeft in zijn vonnis van 9 januari 2001 alle grieven ongegrond bevonden en het bestreden vonnis, onder verbetering van de aanduiding van hetgeen wordt vernietigd, bevestigd.

2.22 De centrale stelling van de grieven I t/m III is, volgens het Hof, dat [eiseres] niet met verdeling bij helfte heeft ingestemd (rov. 4.2). Als vaststaand wordt aangenomen dat partijen gedurende hun samenleving de kosten der gemeenschappelijke huishouding bij helfte hebben gedragen zonder dat daar een inkomensvergelijking aan ten grondslag lag (rov. 4.3).

2.23 Het Hof citeert uit de door [eiseres] in geding gebrachte notulen (hierboven onder 2.8.3 vermeld) waarin is te lezen dat [verweerder] het voorstel heeft gedaan om iedere maand hetzelfde bedrag in te brengen. Nu [eiseres] zich conform het voorstel van [verweerder] heeft gedragen, heeft [verweerder] daaruit "in beginsel (...) mogen afleiden dat zij met dit voorstel akkoord ging". De stelling van [eiseres] dat zij er niet in zou zijn geslaagd informatie te krijgen omtrent [verweerders] inkomen acht het Hof "te weinig specifiek". Daarom houdt het Hof het ervoor dat [eiseres] [verweerder] niet voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij haar aanspraak op onderlinge verrekening conform art. 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst handhaafde (rov. 4.5).

2.24 Het Hof voegt hier, ten overvloede, nog aan toe dat [eiseres] - onder nader door het Hof genoemde omstandigheden - haar aanspraak in elk geval jegens [verweerder] had moeten verwoorden. Dit te meer nu - kort gezegd - bij veel latere aanspraken rekening moet worden gehouden met het niet meer voorhanden zijn van alle relevante gegevens (rov. 4.6).

2.25 Op deze gronden verwerpt het Hof de grieven I t/m III. Met betrekking tot de grieven IV t/m VI wordt het volgende overwogen.

2.26 Een schuldbekentenis is een bewijsstuk; het schept geen verbintenissen. Duidelijk is, volgens het Hof, dat [verweerder] met de schuldbekentenis beoogde het bedrag aan te geven dat hij meende aan [eiseres] schuldig te zijn uit hoofde van de afwikkeling van hun samenleving. Duidelijk is voorts dat dit bedrag (afgezien van een aantal andere posten) bestond uit de helft van de bedragen die waren betaald voor de hypothecaire lening: aflossing en rente. Daarbij ging [verweerder] ervan uit dat hij [eiseres] haar volledige aandeel in de desbetreffende bedragen diende terug te betalen. Op grond van art. 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst diende [eiseres] evenwel een bijdrage te leveren in de rente. Dat brengt mee dat de bewijskracht van de schuldbekentenis is ontkracht: het bedrag dat [verweerder] schuldig verklaart, stemt immers niet overeen met hetgeen hij daadwerkelijk schuldig was (rov. 4.9).

2.27.1 Het Hof vervolgt dan:

"In de stellingen van [eiseres] ligt besloten dat [verweerder] heeft voorgesteld haar het bedrag van de schuldbekentenis te voldoen en dat zij daarmee heeft ingestemd. In dat geval is sprake van (een ...) vaststellingsovereenkomst, aangegaan te beëindiging van het geschil tussen partijen. Een dergelijke overeenkomst kan worden vernietigd in geval van dwaling. In het onderhavige geval is aan de vereisten voor dwaling voldaan: [verweerder] beoogde uit te gaan van het bedrag dat hij aan [eiseres] verschuldigd was; het door [verweerder] berekende bedrag omvatte echter - zoals gelet op de samenstelling van het bedrag voor [eiseres] kenbaar heeft kunnen zijn - de door [eiseres] betaalde rente-component in de hypotheekbedragen, die terecht door [eiseres] voor haar rekening is genomen. Niet relevant is dat de onjuiste voorstelling van zaken niet door [eiseres] teweeg is gebracht; evenmin relevant is of [eiseres] op het moment van aangaan van de overeenkomst al dan niet zelf in de veronderstelling verkeerde dat de rente moest worden terugbetaald."

2.27.2 Na vernietiging speelt de overeenkomst geen rol meer. Daarom moet een nieuwe berekening worden gemaakt, ook nopens genoemde Nafl. 4.800 (alles rov. 4.10). Daarop stuiten de grieven IV t/m VI naar 's Hofs oordeel af (rov. 4.11). De stelling van [eiseres] dat de gebruiksbelasting alleen door [verweerder] moest worden gedragen, acht het onvoldoende onderbouwd (rov. 4.11).

2.28 [Eiseres] heeft tegen het vonnis van het Hof tijdig beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.

3. Formele perikelen

3.1 Bij kennisneming van het griffiedossier is bij mij de vraag gerezen of mag worden aangenomen dat [verweerder] op de hoogte is van het ingestelde beroep en daarmee of hij de gelegenheid heeft gehad een verweerschrift te doen indienen.

3.2 De gang van zaken verdient in een aantal opzichten geen schoonheidsprijs. Om onduidelijke redenen vermeldt het aan Uw Raad gerichte verzoekschrift een adres van [verweerder] dat niet overeenstemt met dat in de stukken. Ik heb daarnaar bij mr Angad Gaur navraag laten doen, maar dat heeft geen verduidelijking gebracht.

3.3 De griffie heeft het in het verzoekschrift vermelde adres klaarblijkelijk over het hoofd gezien en heeft de correspondentie gericht aan de [a-straat 1]. De eerste, aangetekend verzonden, brief van 28 maart 2001, is geretourneerd met op de enveloppe de vermelding: non réclamé met een datumstempel 7 mei 2001. De tweede op 15 mei 2001, per gewone post naar hetzelfde adres, verzonden brief is, voorzover valt na te gaan, niet teruggekomen.

3.4 Ik heb mij ambtshalve de vraag gesteld of [verweerder] in de periode gelegen tussen eind maart en eind mei 2001 daadwerkelijk woonachtig was aan de [a-straat]. In het licht van 1) zijn stellingen en 2) het in het verzoekschrift genoemde adres kon die vraag m.i. niet zonder meer bevestigend worden beantwoord.

3.5 Gezien het belang dat [verweerder] op de hoogte raakt van het ingestelde cassatieberoep (m.i. een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging) heb ik nader onderzoek laten instellen via de griffie van het Hof. Via de Hof-administratie vernam ik dat [verweerder] tot en met 22 februari 2001 stond ingeschreven aan het adres [a-straat 1]. In verband met vertrek naar Nederland heeft hij zich laten uitschrijven. Een adres in Nederland is niet bekend.

3.6 Bij deze stand van zaken zal het er m.i. voor mogen worden gehouden dat [verweerder] in de onder 3.4 genoemde periode en thans geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Dat communicatie onmogelijk is, heeft hij over zich zelf afgeroepen en komt daarmee voor zijn risico.

3.7 Opmerking verdient nog dat niet duidelijk is waarom het dossier maandenlang op de griffie is blijven liggen(11) nadat de aan [verweerder] voor het indienen van een verweerschrift gegunde termijn was verstreken. De tijd die aldus verloren is gegaan is betreurenswaardig; daaraan doet niet af dat het maken van vergissingen menselijk is. De periode is erg lang, maar m.i. nog niet zo lang dat daardoor sprake is van schending van art. 6 EVRM. Mocht Uw Raad dat anders zien, dan lijkt mij een passende vorm van vergoeding terugbetaling van het griffierecht.

3.8 Om een deel van de verloren gegane tijd weer "in te lopen" concludeeer ik heden bij vervroeging.

4. Bespreking van de middelen

4.1 Het beroep richt zich mede tegen het in prima gewezen vonnis. [eiseres] is in zoverre niet-ontvankelijk omdat daartegen geen cassatieberoep openstaat.

4.2 Het eerste middel strekt ten betoge dat het Hof 1) buiten de rechtsstrijd is getreden door aan te nemen dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst en 2) door de schuldbekentenis als zodanig te kwalificeren. De toelichting verwijt het Hof nog 3) de schuldbekentenis te hebben geconverteerd.

4.3 De onder 4.2 2) en 3) weergegeven klachten missen feitelijke grondslag. Het Hof heeft getracht goede zin aan der partijen stellingen te geven. Het heeft deze, op de in zijn vonnis genoemde gronden, aldus begrepen dat sprake was van een vaststellingsovereenkomst. Van conversie is geen sprake. Noch ook heeft het Hof de schuldbekentenis als vaststellings-overeenkomst gekwalificeerd. Het geeft expliciet aan dat de schuldbekentenis slechts een bewijsstuk is; dat leent zich niet voor conversie in een overeenkomst.

4.4 Nu het Hof aansluiting heeft gezocht bij de stellingen van partijen, zoals het deze heeft verstaan, ontvalt tevens de basis aan klacht 1).

4.5 Het tweede middel gaat er ten onrechte van uit en bouwt voort op de gedachte dat het Hof heeft aangenomen dat de schuldbekentenis vernietigbaar is. Het behoeft daarom geen bespreking.

4.6 Het derde middel is onbegrijpelijk. Voorzover daaruit al een klacht valt te destilleren, ziet deze eraan voorbij dat het Hof in de bestreden passage een oordeel geeft over hetgeen [verweerder] voor ogen stond. Niet valt in te zien waarom de stellingen van [eiseres] in dat opzicht beslissend zouden zijn.

4.7 Voorzover het vierde middel beroep doet op uiteenzettingen van [eiseres] loopt het stuk op art. 426a lid 2 Rv. nu niet wordt onthuld waar deze in de stukken zijn te vinden.(12)

4.8 Voor het overige bestrijdt het middel, naar ik begrijp, 's Hofs oordeel dat [eiseres] uit [verweerders] berekeningen kenbaar had moeten zijn dat deze tevens zagen op de door haar betaalde rente. 's Hofs oordeel zou miskennen dat [verweerder] de berekeningen zelf heeft uitgevoerd.

4.9 De klacht faalt reeds omdat voor de vraag of uit bepaalde berekeningen iets kenbaar is niet (zonder meer) van belang is wie deze heeft uitgevoerd. Het middel ziet bovendien over het hoofd dat het Hof heeft geoordeeld dat de kenbaarheid voor [eiseres] voortvloeide uit "de samenstelling van het bedrag". Wat er van dat oordeel ook zij, het middel laat na aan te geven waarom uit de samenstelling voor [eiseres] niet kenbaar had moeten zijn hetgeen het Hof heeft aangenomen.

4.10 Uit middel V valt niet gemakkelijk af te leiden waarover nauwkeurig wordt geklaagd. Het kan blijven rusten omdat de klacht klaarblijkelijk betrekking heeft op vernietiging (wegens dwaling) van de (geconverteerde) schuldbekentenis; zie met name blz. 9 de met "In casu" ingeluide alinea. Zoals hiervoor onder 4.3 reeds werd vermeld, berust het op een verkeerde lezing van 's Hofs vonnis. Het stuit reeds daarop af.

4.11 Ten overvloede loop ik nog enkele specifieke klachten (beschouwingen) na:

a. bestreden wordt dat niet relevant is dat de onjuiste voorstelling door [eiseres] teweeg is gebracht. Hetgeen in dat verband te berde wordt gebracht, heeft met die stelling m.i. weinig te maken en mist daarom belang. Zie met name ook het slot van de klacht.

b. sprake zou zijn van nonchalance, een onjuiste inschatting, onverschoonbaarheid, nalatigheid, onervarenheid, domheid, onvoorzichtigheid en eigen schuld van [verweerder]. Deze bestaan, naar ik begrijp, volgens [eiseres] hierin dat "[verweerder] zelf onderzoek had verricht en zonder bemoeienis van [eiseres] zijn berekeningen had gemaakt". De laatste omstandigheid staat aan een beroep op dwaling niet in de weg. De eerste stelling staat niet vast. Het middel geeft niet aan waarom het Hof deze stelling in zijn beschouwingen had moeten betrekken.

4.12 Opmerking verdient nog dat het Hof heeft aangenomen dat de dwaling voor [eiseres] kenbaar had moeten zijn, hetgeen door het derde middel tevergeefs wordt bestreden. Kennelijk heeft het Hof aangenomen dat [eiseres] - mede gezien haar eerdere relatie met [verweerder] - [verweerder] had moeten inlichten(13); daarop wijst in zekere zin de laatste volzin van de eerste alinea van rov. 4.10. Ook daarin vindt het vijfde middel zijn Waterloo.

4.13 Middel VI is onbegrijpelijk. Het bouwt bovendien voort op de misvatting dat sprake zou zijn van een vernietiging van de schuldbekentenis.

4.14 Ten overvloede: als men, met het Hof, aanneemt dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd, dan is volstrekt begrijpelijk en juist dat een nieuwe berekening moet worden gemaakt. Waarom dat anders zou zijn, geeft het middel in geen enkel opzicht aan.

4.15 Ook het zevende middel is onbegrijpelijk. Het ziet er hoe dan ook aan voorbij dat het GEA zich, in appèl en cassatie niet bestreden, heeft losgemaakt van de vordering van [eiseres] door aan te nemen dat partijen scheiding en deling wensen. Bij die stand van zaken vormt de grondslag van het inleidend verzoekschrift niet langer het uitgangspunt.

4.16 Middel VIII ventileert de klacht dat 's Hofs oordeel - kort gezegd - dat [eiseres] tekort is geschoten in haar stelplicht "in strijd (is) met het materiële recht", terwijl het "ook m.n. geen steun (vindt) in het bewijsrecht".

4.17 De rechtsklacht voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. omdat, zelfs met goede wil, niet valt te bevroeden welke rechtsregel volgens [eiseres] zou zijn geschonden.

4.18 Met bewijsrecht heeft 's Hofs oordeel weinig te maken. Die klacht schiet daarom langs zijn oordeel heen.

4.19 Hoe dit zij, de klacht ziet er aan voorbij dat 's Hofs oordeel op twee zelfstandige pijlers rust. Hetgeen in rov. 4.6 is verwoord, kan 's Hofs oordeel dragen. Het wordt in cassatie niet bestreden.

4.20 Mogelijk bedoelt de toelichting nog een afzonderlijke klacht te formuleren inhoudend dat het Hof zich ten onrechte heeft gebaseerd op de notulen. Daaruit zou immers niet blijken dat [eiseres] het voorstel van [verweerder] heeft aanvaard.

4.21 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Immers heeft het Hof de aanvaarding niet uit de notulen afgeleid maar uit het feit dat "[eiseres] zich feitelijk heeft gedragen conform het voorstel van [verweerder]" (rov. 4.5). Dat het Hof het feitelijk bij het rechte eind had, blijkt uit het slot van de toelichting. Daarin wordt immers toegegeven dat [eiseres] de helft voldeed. Nu niet is gesteld of gebleken dat zij daarbij een voorbehoud maakte (rov. 4.6) is 's Hofs oordeel rechtens niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.

4.22 Onderdeel XI voldoet om de onder 4.7 reeds genoemde reden niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

4.23 Ten slotte verwijt [eiseres] het Hof nog art. 6 EVRM te hebben geschonden. Waarom dat het geval zou zijn komt niet uit de verf. Ook die klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot:

* niet-ontvankelijk verklaring voorzover het beroep zich richt tegen het in prima gewezen vonnis;

* verwerping voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Vgl. de losbladige Burgerlijke Rechtsvordering art. 5 (Asser) aant. 2.

2 Dit artikellid heb ik ontleend aan de door [eiseres] in prima in geding gebrachte overeenkomst.

3 Eindvonnis van het GEA van 15 mei 2000, rov. 4. Deze vaststelling is in hoger beroep niet bestreden.

4 De citaten zijn ontleend aan het door [eiseres] in prima in geding gebrachte stuk met als briefhoofd KLM (prod. 3).

5 Eindvonnis van het GEA van 15 mei 2000, rov. 5.

6 Het inleidend verzoekschrift is verregaand onduidelijk. De enige zin die daaraan valt toe te kennen is die welke in de tekst is vermeld; dat valt met name af te leiden uit hetgeen onder 10 is weergegeven in samenhang met het petitum. In de cvr onder 8 wordt uitgedragen dat hetgeen in de tekst is verwoord, inderdaad de grondslag vormt.

7 Zie met name de toelichting op grief III, onder 1.

8 Ik merk hierbij op dat op dit stuk (waarvan de bovenregel doet vermoeden dat het per fax is verzonden door [verweerder]) de volgende mededeling voorkomt: "Rest lening 5035 - 235 = 4800".

9 Zie voor de uitwerking van deze vordering(en) blz. 5 - 11.

10 Prod. I bij de Conclusie na comparitie van [eiseres].

11 Ik heb daarnaar zelf navraag gedaan maar de reden is mij niet duidelijk geworden.

12 HR 11 januari 2002, NJ 2002, 82.

13 Vgl. art. 6:228 lid 1 onder b BW NA; dit artikel stemt overeen met de Nederlandse regeling. Deze regeling komt overeen met het voordien geldende recht; zie Verbintenissenrecht (Hijma) art. 228 aant. 4.