Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
C00/348HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2178
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2002/160
JOL 2002, 423
JWB 2002/277

Conclusie

Rolnr: C00/348

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 19 april 2002

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

IDM LEASEMAATSCHAPPIJ B.V.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Tussen verweerster in cassatie, IDM, en [B] B.V. is op 29 juni 1992 een "twee partijen financiële lease-overeenkomst" (hierna: de overeenkomst) gesloten. Deze overeenkomst houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

"(..)

1. idm lease maatschappij B.V.

(...)

hierna te noemen: "idm lease".

2. [B] B.V.

(...)

hierna (...) te noemen: "Cliënt", komen het volgende overeen:

Artikel 1. idm lease verstrekt Cliënt ter financiering van :

-- zie aanhangsel --

hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk te noemen: "het Object"

een krediet van ƒ 300.000,--

(...)

Artikel 4. 1. Cliënt verschaft aan idm lease tot meerdere zekerheid voor de betaling van al hetgeen idm lease van Cliënt heeft of zal te vorderen hebben uit hoofde van deze overeenkomst of uit welke andere hoofde dan ook, een eerste recht van pand op het bovenomschreven Object.

(...).

Artikel 6. Op deze overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden idm lease maatschappij B.V. d.d. 01-01-1992.

Cliënt verklaart een exemplaar van deze Algemene Voorwaarden te hebben ontvangen.

(...)".

1.2 De overeenkomst is namens [B] B.V. ondertekend door eiser tot cassatie, [eiser], als directeur.

1.3 In het als bijlage bij de overeenkomst gevoegde aanhangsel staat onder 1. Wagenpark vermeld(2):

"(...)

1. Wagenpark

artikelmerk typeserienr./chassisnr. kentekenbouwjaar

(...)

een autoJeepCherokee [...] [AA-AA-00] 1992

(...)."

1.4 De krachtens art. 6 van de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden houden onder meer in:

"(...)

Artikel 11. Zolang idm lease rechten op het Object kan doen gelden, is Cliënt verplicht:

a. Het Object niet te verkopen, te verruilen, te bezwaren, te verhuren of in gebruik te geven;

(...)".

1.5 Het houderschap van het kenteken behorend bij de Jeep Cherokee is op 18 januari 1994 op naam gesteld van de echtgenote van [eiser], [betrokkene 1].

1.6 Op 21 januari 1994 is de Jeep op naam gesteld van de vader van [eiser], [betrokkene 2].

1.7 Op 28 januari 1994 is aan [B] B.V. surséance van betaling verleend. Op 9 februari 1994 is [B] B.V. in staat van faillissement verklaard.

1.8 De V.O.F. Richter Slaapcomfort te Bussum heeft de Jeep op 5 maart 1994 gekocht van [A B.V.] voor een bedrag van ƒ 45.500,-- inclusief BTW. Op 8 maart 1994 is de Jeep op naam gesteld van Richter Slaapcomfort.

1.9 Het faillissement van [B] B.V. is in de loop van 1997 opgeheven wegens gebrek aan baten.

1.10 Na uitwinning van haar zekerheden tijdens het faillissement van [B] B.V. heeft IDM pro-resto nog een bedrag van ƒ 83.175,42 te vorderen van [B] B.V.

1.11 Bij inleidende dagvaarding van 13 maart 1998 heeft IDM [eiser] en [A](3) B.V. gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te Zutphen en betaling gevorderd van een bedrag van ƒ 47.409,38 te vermeerderen met wettelijke rente. IDM heeft daartoe gesteld dat [eiser] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld nu zij door verkoop van de Jeep haar pandrecht niet meer kan uitoefenen en dat zij schade heeft geleden ten bedrage van ƒ 45.500,- zijnde de verkoopprijs van de Jeep.

1.12 [Eiser] heeft verweer gevoerd en daarbij onder meer de omvang van de schade betwist. Na een op 8 september 1998 gehouden comparitie na antwoord en verdere conclusiewisseling, heeft de rechtbank bij vonnis van 24 juni 1999 de vordering jegens [eiser] afgewezen.

1.13 IDM is van dit vonnis, voor zover gewezen tussen haar en [eiser], in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 19 september 2000 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling van de door IDM gevorderde schadevergoeding.

1.14 Tegen dit arrest heeft [eiser] tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld. IDM heeft een conclusie van antwoord genomen. Partijen hebben hierna hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft [eiser] nog een nadere schriftelijke toelichting genomen.

2. Bespreking van de middelen

2.1 [Eiser] voert twee middelen aan.

2.2 Het eerste middel richt zich tegen rechtsoverweging 5.5 waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"Van belang is dat de Jeep Cherokee diende tot zekerheid van de aflossing van de door IDM aan [B] B.V. verstrekte lening. Door de door [eiser] gestelde verkoop en levering van de Jeep Cherokee op 15 juli 1993 aan zijn echtgenote werd aan IDM deze zekerheid ontnomen. [Eiser] heeft ter rechtvaardiging van zijn handelen opgeworpen dat de waarde van de aan IDM verstrekte zekerheden ver uitsteeg boven de hoogte van de restantschuld.

Het hof acht dit niet relevant, nu partijen in de "twee partijen financiële lease-overeenkomst" nadrukkelijk zijn overeengekomen dat alle daarin genoemde objecten zouden dienen als zekerheid van de aflossing van de lening. Voor afwijking van die overeenkomst dient tussen de beide partijen overeenstemming te bestaan. Het is niet alleen aan [eiser] te bepalen dat IDM op enig moment, mede gelet op de waarde van de resterende zekerheden in verhouding tot het saldo van de lening, met minder zekerheden genoegen zal (moeten) nemen. Daarbij heeft het hof meegewogen dat verhaal niet altijd (zoals in dit geval als gevolg van het bodembeslag van de fiscus) kan worden uitgeoefend op alle verstrekte zekerheden, hetgeen een reden kan zijn de zekerheden, ook al zijn deze van (veel) grotere waarde dan het saldo van de schuld, te handhaven.

Mede gelet op het geringe tijdsverloop tussen de gestelde verkoop en levering op 15 juli 1993 en de nadien gebleken betalingsproblemen van [B] B.V. (in september 1993 vond de eerste stornering van een termijnbetaling plaats, begin december 1993 heeft de fiscus bodembeslag gelegd, op 28 januari 1994 werd surséance van betaling verleend en op 9 februari 1994 werd het faillissement uitgesproken) is het hof van oordeel dat het door [eiser], als bestuurder van [B] B.V., onttrekken van de Jeep Cherokee aan het stil pandrecht, een zodanig ernstig verwijt oplevert dat hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk is te houden.

[Eiser] voert nog het verweer dat hij niet wist dat stil pandrecht was verleend op de Jeep Cherokee en dat hij niet wist dat schriftelijke toestemming was vereist voor vervreemding van de Jeep Cherokee. Het hof verwerpt dit verweer. [Eiser] heeft de overeenkomst waarbij het pandrecht op (onder meer) de Jeep Cherokee werd gevestigd ondertekend namens [B] B.V., zodat hij geacht moet worden bekend te zijn met de inhoud van de overeenkomst. Voorts had hij als bestuurder van [B] B.V. moeten beseffen dat hij niet zonder toestemming van IDM de Jeep Cherokee aan het pandrecht kon onttrekken."

2.3 In rechtsoverweging 5.4 heeft het hof, naar het middel stelt: terecht, de regel van het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Ma(5) voorop gesteld. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als een bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatig handelen (vgl. HR 31 januari 1958, NJ 1958, 251), maar dat het van de concrete omstandigheden van het geval afhangt of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden

2.4 Volgens het middel heeft het hof die regel in rechtsoverweging 5.5 niet, althans niet juist, althans onbegrijpelijk toegepast. Het hof zou ten onrechte uitsluitend (uitdrukkelijk) het geringe tijdsverloop tussen de gestelde verkoop en levering enerzijds en de gebleken betalingsproblemen anderzijds, voldoende grond hebben geacht om te komen tot het oordeel dat sprake is van een voldoende ernstig verwijt.

2.5 Het hof heeft allereerst overwogen dat [B] B.V. jegens IDM toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis en dat [eiser] als bestuurder van de vennootschap deze wanprestatie heeft bewerkstelligd. Aldus heeft het hof het uitgangspunt van het arrest van 18 februari 2000 gehanteerd, zodat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist.

2.6 Vervolgens heeft het hof overwogen dat het geringe tijdsverloop tussen de gestelde(6) verkoop en de levering van de Jeep op 15 juli 1993 en de nadien gebleken betalingsproblemen van de vennootschap - begin december 1993 heeft de fiscus bodembeslag gelegd terwijl op 28 januari 1994 surséance van betaling is verleend en op 9 februari 1994 het faillissement is uitgesproken - een dusdanig ernstig verwijt opleveren dat [eiser] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is te houden.

2.7 Daarmee heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de door [eiser] bewerkstelligde wanprestatie van de vennootschap jegens IDM, in het licht van het feit dat de vennootschap naar een faillissement afgleed en [eiser] dat als enig aandeelhouder en bestuurder op het moment van de door hem gestelde verkoop van de Jeep moet hebben geweten, een dusdanig ernstig verwijt oplevert aan het adres van [eiser], dat hij persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de door het handelen van de vennootschap bij IDM veroorzaakte schade. Dat [eiser] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de verkoop van de Jeep aan zijn echtgenote en daarmee het onttrekken van de Jeep aan het stil pandrecht van IDM wordt door het hof nog gemotiveerd met het vaststaande feit dat [eiser] als directeur van de vennootschap de overeenkomst heeft ondertekend en aldus wist dat er een stil pandrecht op de Jeep rustte.

2.8 Het oordeel van het hof onder 5.5 geeft zo bezien niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt derhalve.

2.9 Het tweede middel betoogt dat het hof een aantal door [eiser] gevoerde en/althans gehandhaafde verweren, waarvan de juistheid tot een ander oordeel omtrent zijn aansprakelijkheid zou moeten leiden, onbesproken heeft gelaten zodat het hof daarmee het recht heeft geschonden althans zijn arrest met onvoldoende redenen heeft omkleed.

2.10 Uit de in het middel genoemde verweren kan(7) worden afgeleid dat het middel bedoelt dat het hof verweren onbesproken heeft gelaten waarvan de juistheid tot een ander oordeel over (de omvang van) de schade zou moeten leiden.

2.11 Nadat het hof, anders dan de rechtbank, [eiser] aansprakelijk achtte, kwam de omvang van de schade voor het eerst ter beoordeling aan de orde. Het hof heeft de schade in rechtsoverweging 5.6 vastgesteld op het bedrag waarvoor de Jeep op 5 maart 1994 aan Richter Slaapcomfort is verkocht. Het hof heeft hieraan toegevoegd dat dit korte tijd is nadat [B] B.V. in gebreke bleef. Voor het overige heeft het hof zijn oordeel niet gemotiveerd. In rechtsoverweging 5.7 heeft het hof geoordeeld dat na het vorenoverwogene de overige stellingen en weren geen bespreking behoeven.

2.12 In eerste aanleg heeft [eiser] met betrekking tot de omvang van de schade verweer gevoerd, dat deels bij memorie van antwoord is herhaald en deels daarin nader is gemotiveerd. Voor zover [eiser] in eerste aanleg stellingen heeft aangevoerd die hij in hoger beroep niet heeft prijsgegeven, geldt dat het hof daarop op grond van de devolutieve werking van het appel had moeten ingaan. Ten aanzien van die stellingen en ten aanzien van de voor het eerst in hoger beroep aangevoerde stellingen geldt dat het hof niet op alle door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde argumenten behoeft in te gaan. Het hof motiveert zijn arrest echter onvoldoende indien het een essentiële stelling of verweer buiten beschouwing laat(8).

2.13 Het middel klaagt erover dat de volgende vijf verweren onbesproken zijn gelaten.

a. De verkoopprijs van de Jeep van ƒ 32.500,-- was reëel, is daadwerkelijk aan de vennootschap betaald en is zelfs ten goede gekomen aan de schuldeisers van de vennootschap, waaronder (toen) IDM, die derhalve geen schade heeft geleden(9).

b. IDM had haar schade kunnen verhalen op de overige door de vennootschap gestelde zekerheden. Het nalaten daarvan levert eigen schuld op(10).

c. IDM zou de auto ten tijde van de verkoop desgevraagd zeker hebben vrijgegeven(11).

d. De voor de auto betaalde prijs van ƒ 45.500,-- kan niet beschouwd worden als de geleden - eventueel te vergoeden - schade. Slechts de executiewaarde op het moment van opeising van de auto door [B] B.V. kan gezien worden als de geleden schade - welke opeising niet heeft plaatsgevonden(12).

e. [Eiser] heeft geen profijt gehad van de gewraakte verkoop(13).

2.14 Het onder e genoemde verweer heeft m.i. betrekking op de aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder. Op dit verweer behoefde het hof derhalve bij de vaststelling van de schade niet meer in te gaan. De overige verweren had het hof echter - wat er van sommige zij - moeten beoordelen, nu de schade bij onrechtmatige daad dient te worden vastgesteld aan de hand van het feitelijk nadeel dat uit de onrechtmatige daad voorvloeit(14). Zo het hof in rechtsoverweging 5.7 tot uitdrukking heeft willen brengen dat deze verweren dienen te worden verworpen, is het arrest onvoldoende gemotiveerd omdat niet is aangegeven op welke gronden deze verwerping berust. Middel II slaagt derhalve.

3. Conclusie

Deze strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie het vonnis van de rechtbank Zutphen van 24 juni 1999 onder 2.1 t/m 2.8 en het arrest van het hof Arnhem van 19 september 2000 onder 4.

2 Produktie 1 cvr.

3 Bij vonnis van 24 juni 1999 heeft de rechtbank iedere beslissing ten aanzien van de vordering van IDM op [A] B.V. aangehouden omdat de procedure tegen [A] B.V. op de voet van art. 29 Fw. is geschorst vanwege haar faillissement.

4 Bij cassatiedagvaarding van 12 december 2000.

5 Zie over dit arrest tevens L. Timmerman, Ondernemingsrecht 2000-7; P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 12e druk 2001, nr. 48. Zie voorts Asser-Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon, 2e druk 2000, nr. 323. Vergelijk voorts HR 30 maart 2001, JOL 2001, 211.

6 Cva onder 5.

7 In een welwillende lezing.

8 Veegens/Korthals Altes/Groen, Casssatie in burgerlijke zaken, 1989, blz. 234.

9 Cva onder 5 en mva onder 13, 15 en 27.

10 Cvd onder 3 en mva onder 27.

11 Cvd onder 4.

12 Cva onder 7 en mva onder 13, slot.

13 Zie het vonnis van de rechtbank onder 6.3; mva onder 25, slot.

14 Zie Asser-Hartkamp 4-I, nr. 409 e.v.