Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2177

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
C01/008HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 459
NJ 2002, 597
JWB 2002/308
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C 01/008 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 3 mei 2002

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

Compagnie Forestière de l' Indenie

Dit geschil over vervoer onder cognossement betreft de omrekenkoers van de aansprakelijkheidslimiet.

De feiten en het procesverloop

1.1. In dit stadium van het geding kan worden volstaan met een summier feitenoverzicht.

1.1.1. Gedaagde in cassatie, een in Abidjan (Republiek Ivoorkust) gevestigde onderneming (hierna aangeduid als: CFI), heeft - naar aanvankelijk werd betwist doch inmiddels vaststaat - in december 1982 een vervoerovereenkomst gesloten met eiseres tot cassatie ([eiseres]). De overeenkomst strekte tot het vervoeren door [eiseres] van 63 boomstammen van San Pédro (Ivoorkust) naar Leixoes (Portugal) met het zeeschip "Brazilian Express". Bij het aan boord nemen van de lading op 29 december 1982 is een cognossement (Bill of Lading) afgegeven waarin de Hague Rules "as enacted in the country of shipment" van toepassing werden verklaard(1).

1.1.2. Op 11 januari 1983 is het schip aangekomen in de haven van Leixoes en daar gelost. Aangezien niemand het cognossement presenteerde en in de haven klaarblijkelijk geen opslagruimte beschikbaar was, heeft de plaatselijke cargadoor van het schip (Agencia maritima Silva Baradas) toestemming gegeven om de boomstammen op te slaan in een opslagplaats van de handelsonderneming Madeidouro, degene die in het cognossement werd genoemd als "Party to be notified".

1.1.3. Bij deurwaardersexploit heeft CFI het originele cognossement aan Baradas aangeboden doch hierop geen uitlevering van de boomstammen verkregen.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 6 januari 1984 (sic!) heeft CFI [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg en betaling gevorderd van een schadevergoeding groot 160.087,25 Franse francs (FF), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 1984, althans de tegenwaarde van dat bedrag in Nederlandse munt. Aan de vordering heeft CFI ten grondslag gelegd dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar verplichting om op vertoon van het cognossement door CFI de lading aan CFI uit te leveren. Het bedrag van FF 160.087,25 correspondeert met de koopsom die CFI op 29 december 1982 in rekening had gebracht aan Madeidouro(2).

1.3. Bij vonnis van 11 juni 1986 heeft de rechtbank Nederlands recht van toepassing geacht op grond van rechtskeuze (rov. 4.1). Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de waarde van de boomstammen ad FF 160.087,25 tussen partijen vaststaat (rov. 3.1). Met betrekking tot het geschilpunt of de toestemming van Baradas tot opslag van de boomstammen bij Madeidouro te beschouwen is als het uitleveren van de lading aan een ander dan de daartoe gerechtigde, heeft de rechtbank aan [eiseres] een bewijsopdracht gegeven.

1.4. [Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld. CFI heeft incidenteel geappelleerd. Bij arrest van 20 december 1994 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage beslist dat [eiseres] (en niet een door [eiseres] genoemde Duitse reder) degene is die door CFI uit hoofde van het cognossement kan worden aangesproken. Ook het hof was van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is (rov. 5). Verder heeft het hof geoordeeld dat op grond van redelijkheid en billijkheid geen schadevergoeding aan CFI toekomt indien komt vast te staan dat CFI - zoals [eiseres] had gesteld - vanwege eerdere incidenten met Madeidouro reeds bij het sluiten van de vervoerovereenkomst ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat het cognossement bij aankomst in Leixoes niet tijdig voorhanden zou zijn en CFI desondanks geen instructies heeft gegeven hoe [eiseres] in dat geval zou moeten handelen (rov. 17). Het hof heeft het tussenvonnis van de rechtbank vernietigd, een nieuwe bewijsopdracht aan [eiseres] gegeven en de zaak ter verdere afdoening teruggewezen naar de rechtbank.

1.5. Bij tussenvonnis van 17 juli 1996 heeft de rechtbank geoordeeld dat het verlangde bewijs niet kan worden geput uit de overgelegde documenten en [eiseres] toegelaten tot bewijslevering door getuigen. Bij vonnis van 25 februari 1998 heeft de rechtbank vastgesteld dat het bewijs niet was geleverd. De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwezen opdat partijen zich zouden uitlaten over de omvang van de schade(3).

1.6. Bij conclusie na dit tussenvonnis heeft [eiseres] bij wijze van nieuw verweer aangevoerd dat de aansprakelijkheid wettelijk is beperkt. Krachtens art. 4 (jo. art. 9) van de Hague Rules "as enacted in the country of shipment" (Ivoorkust)(4), is de aansprakelijkheid van de vervoerder gelimiteerd tot de tegenwaarde van 200 pond Sterling in CFA-franc (dat is de munteenheid in Ivoorkust(5)) per stuk, berekend naar de koers op de datum van aankomst van het schip in de haven van bestemming (d.w.z. naar de koers op 11 januari 1983). [Eiseres] stelde dat 200 pond Sterling op 11 januari 1983 overeenkomt met CFA-fr 1.085,-. [Eiseres] berekende het maximaal toewijsbaar bedrag aldus: 63 boomstammen maal CFA-fr. 1.085,- is CFA-fr. 68.355,-. Omgerekend in Nederlandse munt naar de koers op 8 april 1998 (datum conclusie na tussenvonnis) betekende dit volgens [eiseres] een maximaal toewijsbaar bedrag van Hfl. 22.557,15. In haar antwoordconclusie betwistte CFI primair dat [eiseres] een beroep toekomt op de aansprakelijkheidslimiet, waarbij zij zich beriep op grove schuld van [eiseres]. Subsidiair erkende CFI dat de aansprakelijkheidslimiet per 11 januari 1983 uitkomt op een bedrag van CFA-fr. 68.355,-; CFI kwam zelfs nog iets lager uit, nl. op CFA-fr. 68.330,77. CFI betwistte evenwel dat dit gelijk staat aan Hfl. 22.557,15. Bij omrekening in Nederlandse munteenheid dient volgens CFI niet de huidige wisselkoers te worden aangehouden, maar de wisselkoers CFA-fr/Hfl zoals die op 11 januari 1983 gold. Op deze wijze kwam CFI uit op een aansprakelijkheidslimiet in Nederlandse munteenheid van Hfl. 53.298,-. CFI herhaalde overigens recht te hebben op betaling in Franse francs, zoals zij in de inleidende dagvaarding had gevorderd.

1.7. De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 22 juli 1998 het beroep van CFI op grove schuld van [eiseres] verworpen. Vervolgens kwam de rechtbank toe aan de berekening van de aansprakelijkheidslimiet. De rechtbank ging ervan uit dat 200 GBP naar de koers op de peildatum, 11 januari 1983, overeenkomt met Hfl 846,-. De rechtbank heeft, via de wisselkoers Hfl/Franse franc en de wisselkoers Franse franc/CFA-franc per 11 januari 1983 (FF 1 = CFA-fr. 50)(6), de waarde van één CFA-franc per 11 januari 1983 vastgesteld op Hfl 0,007464. Op die wijze (846:0,007464) kwam de rechtbank aan een aansprakelijkheidslimiet van CFA-fr. 113.344,- per boomstam. Na vermenigvuldiging met het aantal boomstammen (63) kwam de aansprakelijkheidslimiet in totaal uit op CFA-fr. 7.140.675,-. De rechtbank heeft [eiseres] veroordeeld tot betaling van CFA-fr. 7.140.975,-, althans de tegenwaarde van dat bedrag in Nederlandse courant naar de dag van betaling(7), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 januari 1984 tot de dag van betaling.

1.8. In rov. 3.3 heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om de waardedaling van de CFA-franc tussen 1983 en 1998 voor rekening van [eiseres] te laten komen. De rechtbank merkte in dit verband op dat CFI niet een vordering tot vergoeding van koersschade, als bedoeld in art. 6:125 BW, had ingesteld.

1.9. [Eiseres] heeft tegen dit eindvonnis en de tussenvonnissen van 17 juli 1996 en 25 februari 1998 hoger beroep ingesteld. Van de grieven is in dit stadium uitsluitend grief IV van belang. In deze grief wees [eiseres] erop dat CFI betaling had gevorderd in Franse francs. Indien [eiseres] aansprakelijk wordt geacht dient het te betalen bedrag volgens [eiseres] dan ook te worden uitgedrukt in Franse francs. [Eiseres] betoogde dat bij de omzetting van CFA-francs in Franse francs de huidige wisselkoers (1 FF = 100 CFA-fr.) dient te worden aangehouden. [Eiseres] wilde met deze grief dus bereiken dat, indien het hof tot toewijzing kwam, het hof het bedrag in hoofdsom zou stellen op FF 71.409,75 in plaats van op CFA-fr. 7.140.975,-.

1.10. Bij memorie van antwoord (blz. 8) heeft CFI bevestigd dat de vordering primair in Franse francs luidde; de door de rechtbank in rov. 3.3 vermelde algemene wisselkoers doet volgens CFI niet af aan de toewijzing van de vordering.

1.11. Bij arrest van 26 september 2000 heeft het hof de beide tussenvonnissen bekrachtigd. Met betrekking tot grief IV overwoog het hof dat, nu de inleidende vordering is uitgedrukt in Franse francs, zij ook in Franse francs behoort te worden toegewezen. Vervolgens overwoog het hof (rov. 22):

"Dit betekent, aangezien in deze procedure vaststaat dat ten tijde van de lossing, die immers als het beslissende evenement moet worden aangemerkt, te weten op 11 januari 1983, de koers van Ffr 1 gelijk stond aan CFA 50, dat het schadebedrag Ffr 142.819 (afgerond) bedraagt."

Vervolgens heeft het hof het eindvonnis uitsluitend vernietigd m.b.t. het toegewezen bedrag en [eiseres] veroordeeld tot betaling van FF 142.819,-, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlandse courant tegen de koers van de dag van betaling, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 januari 1984 tot de dag van betaling.

1.12. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest. Nadat in cassatie verstek was verleend tegen CFI, heeft [eiseres] het cassatiemiddel schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel a komt neer op de klacht dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep uit het oog heeft verloren. Het hoger beroep mag niet tot het resultaat leiden dat de appellant ongevraagd in een slechtere positie geraakt dan waarin hij door het vonnis van de eerste rechter verkeerde. De klacht wordt toegelicht als volgt. CFI is in hoger beroep niet opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat, bij gebreke van een vordering als bedoeld in art. 6:125 BW, de devaluatie van de CFA-franc tussen 1983 en 1998 voor rekening van CFI behoort te blijven. Als omrekenkoers moet in hoger beroep dus worden gehanteerd de huidige koers, te weten: FF 1 = CFA 100. De beslissing van de rechtbank tot toewijzing van CFA-fr. 7.140.975,- kwam volgens [eiseres] dus neer op een toewijzing ter waarde van FF 71.409,75. Het hof heeft het dubbele bedrag, namelijk FF 142.819,-, aan CFI toegewezen.

2.2. De klacht is n.m.m. gegrond om de in het middel aangegeven reden. In hoger beroep was uitsluitend aan de orde de toewijzing van CFA-fr. 7.140.975,-, waartegen de grieven van [eiseres] zich richtten. Zelfs indien juist is dat voor de omrekening van de aansprakelijkheidslimiet van CFA-francs naar Franse francs de koers van de datum van aankomst in de haven van bestemming (11 januari 1983) bepalend is(8), stond het het hof niet vrij een hoger bedrag toe te wijzen dan de rechtbank had toegewezen(9). Het bestreden arrest kan op dit punt niet in stand blijven.

2.3. De Hoge Raad kan de zaak m.i. zelf afdoen. Toewijsbaar is een bedrag van FF 71.406,75, althans de tegenwaarde van dat bedrag in Nederlandse munteenheid naar de koers van de dag van betaling. Inmiddels moet ook rekening worden gehouden met de invoering van de Euro. Eén Euro is gelijk aan FF 6,55957; één Franse franc is 0,152449 Euro. Het bedrag van FF 71.406,75 komt dus overeen met 10.885,89 Euro. Ten overvloede zij aangetekend dat de rechtbank (rov. 3.5 eindvonnis) onbestreden heeft vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de Nederlandse wettelijke vertragingsrente is verschuldigd over het toe te wijzen bedrag.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, behoudens voor zover daarin de tussenvonnissen van 17 juli 1996 en 25 februari 1998 werden bekrachtigd en over de kosten van het geding in hoger beroep werd beslist, en, opnieuw rechtdoende op het hoger beroep tegen het eindvonnis van 22 juli 1998:

- tot veroordeling van [eiseres] tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van Euro 10.885,89, te vermeerderen met de (Nederlandse) wettelijke rente over dat bedrag van 6 januari 1984 tot aan de dag van betaling.

- tot afwijzing van het meer of anders gevorderde;

alles met zodanige beslissing in de kosten van het geding in cassatie als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het cognossement (prod. CvA) verwijst naar het Cognossementsverdrag van 25 augustus 1924 (Trb. 1957, 24), waarin de Hague Rules zijn neergelegd. De latere "Hague-Visby rules" zijn op dit cognossement niet van toepassing. Zie over het cognossementsverdrag o.m.: J. Richardson, A Guide to the Hague and Hague-Visby Rules (1994); H. Boonk, Zeevervoer onder cognossement (1994), i.h.b. hoofdstuk VIII; Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht IV, Vervoer, bew. A.C. van Empel (1980), nrs. 9226 e.v. De aansprakelijkheidsbeperking is in Nederland geïmplementeerd aanvankelijk in art. 469 WvK en thans in art. 8:388 BW.

2 Zie prod. 4 bij CvR.

3 Waarom die rolverwijzing nog nodig was terwijl de rechtbank op 11 juni 1986 had overwogen dat de waarde van de boomstammen vaststond, is mij niet duidelijk geworden.

4 De Republiek Ivoorkust is tot het Cognossementsverdrag van 1924 toegetreden met de volgende verklaring: "Pour l'application de l'article 9 de la Convention relatif á la valeur des unités monétaires employées, la limite de responsabilité est égale à la contre-valeur en francs C.F.A. sur la base d'une livre or égale à deux livres sterling papier, au cours du change de l'arrivée du navire au port de déchargement". Een gelijke bepaling is neergelegd in art. 2 van de wet van de Republiek Ivoorkust van 12 juni 1961, nr. 61-211, tot ratificatie van het Brussels Cognossementsverdrag.

5 CFA staat voor: Communauté financière africaine, een financieel-economische zone van 14 afrikaanse landen. Volgens de landeninformatie van Buitenlandse Zaken (bereikbaar via www.overheid.nl) is de CFA-franc in 1994 gedevalueerd.

6 Die omweg was kennelijk nodig omdat er geen rechtstreekse wisselkoers Hfl/CFA-franc wordt bijgehouden.

7 D.w.z. de tegenwaarde ná de koersdaling van de CFA-franc. Zie ook art. 6:123 en 6:124 BW. Waarom het dictum CFA-fr. 300,- afwijkt van rov. 3.3 van het eindvonnis is mij niet duidelijk geworden.

8 Het Cognossementsverdrag van 1924 bevat daarover geen bepaling. In art. IV lid 5 onder d van de (voor Ivoorkust niet toepasselijke) Hague-Visby rules, zoals het verdrag is gewijzigd bij het Protocol van 21 december 1979, is een internationale rekeneenheid gekozen: het special drawing right (SDR). De bepaling laat, bij omrekening van SDR naar de nationale munteenheid, de bepaling van de koersdatum over aan het nationale recht van de aangezochte rechter. Voor Nederland gelden dan de art. 6:123 e.v. BW.

9 H.J. Snijders/A. Wendels, Civiel appel (1999) nr. 242.