Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2146

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
C00/317HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 435
NJ 2002, 544
PW 2003, 21538
WR 2002, 59
JWB 2002/292
Van der Meijden annotatie in JAF 2002/17
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C00/317HR

Zitting van 26 april 2002

Mr Huydecoper

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerder 1]

en

[verweerster 2]

verweerders in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Ogenschijnlijk is het belang dat in deze zaak aan de orde is, niet erg groot. Het gaat per saldo om de vraag of [eiser], de eiser tot cassatie, verplicht is om [verweerder] c.s., de verweerders in cassatie, toe te staan om twee schapen en een beperkte hoeveelheid pluimvee te houden op een gedeelte van het aan [eiser] toebehorende landgoed Queekhoven in [woonplaats]. Maar op schijn moet men gewoonlijk niet af gaan. Het recht om (huis)dieren te houden heeft al bij herhaling beslissingen van de Hoge Raad teweeggebracht(1); en de regel van art. 448 lid 1 sub 3 Rv. (oud) geeft nader accent aan het belang dat aan het houden van (juist) een beperkt aantal dieren toekomt.

2) Zoals in de cassatiedagvaarding met juistheid wordt gesteld, heeft de kantonrechter in rov. 4 van het in eerste aanleg in deze zaak gewezen vonnis van 23 december 1998, de voor deze zaak van belang zijnde feiten vastgesteld. Ik vermeld kort dat deel van de feiten dat ook in cassatie van belang is(2):

- [eiser] is door aankoop van het betreffende onroerend goed - het gaat dus om het landgoed Queekhoven in [woonplaats] - op de voet van art. 7A:1612 BW als verhuurder partij geworden bij de huurovereenkomst die gold tussen de verkoopster van dat onroerend goed en [verweerder] c.s.

- deze huurovereenkomst betreft woonruimte, bestaande in een op het landgoed Queekhoven aanwezige tuinmanswoning.

- de huurovereenkomst bevat een beding dat ertoe strekt dat het de huurder bekend is dat in het park van het landgoed Queekhoven alleen mag worden gewandeld; en dat het toegestaan is een waakhond te hebben en een kleine hoeveelheid pluimvee en twee schapen te houden op het (in het bedoelde park gelegen) eiland(3). Daarnaast verbiedt de huurovereenkomst het houden van dieren die overlast veroorzaken.

- [Verweerder] c.s. hebben een border aan de noordzijde van de door hen gehuurde woning beplant en onderhouden.

- Toen de huurovereenkomst werd aangegaan werd het landgoed overdag voor publiek opengesteld, maar [eiser] heeft deze openstelling beëindigd.

- [Verweerder] c.s. hebben van (de directeur van) de oorspronkelijke verhuurster de sleutels van een aantal ruimten in een nabij het gehuurde liggend koetshuis ontvangen, en zij hebben die ruimten in gebruik genomen.

- In een door [verweerder] c.s. voor accoord getekende brief uit 1992 is een aantal werkzaamheden omschreven die [verweerder] c.s. voor Queekhoven zouden verrichten. [Verweerder] c.s. hebben die werkzaamheden voor [eiser] niet (meer) verricht.

3) Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de vraag of, kort gezegd, het aanvankelijk aan [verweerder] c.s. toegestane houden van een hond en het gebruik van bepaalde ruimten in het koetshuis, van de border aan de noordzijde van de gehuurde woning en van het park en het eiland in het park, ingevolge de verplichtingen die op [eiser] als verhuurder waren overgegaan, ook door deze moesten worden toegestaan. In dit geding vorderen [verweerder] c.s. verklaringen voor recht dat [eiser] inderdaad tot het zojuist aangeduide verplicht is, met bevelen die strekken tot nakoming van de betreffende verplichtingen.

4) In eerste aanleg droeg de kantonrechter aan beide partijen bewijs op en beval zij een inlichtingencomparitie en een plaatsopneming. In het tegen dit vonnis gerichte appel betwistten partijen beide de juistheid van de te hunnen laste gegeven bewijsopdrachten. De rechtbank bekrachtigde de beslissing van de kantonrechter inzake de aan [eiser] verstrekte bewijsopdracht en vernietigde de beslissing met betrekking tot een deel van de aan [verweerder] c.s. verstrekte bewijsopdracht. Aansluitend verwees de rechtbank de zaak voor verdere behandeling terug naar de kantonrechter.

5) Tegen deze beslissing is [eiser] - tijdig - in cassatie gekomen. [Verweerder] c.s. hebben het cassatieberoep weersproken. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

6) De twee onderdelen van het cassatiemiddel betreffen, zoals aan het begin van deze conclusie al aangestipt, slechts één aspect van het hiervóór kort weergegeven geschil, namelijk de vraag of het houden van pluimvee en schapen op het eiland in het park gerekend moet worden tot de elementen die krachtens art. 7A:1612 BW overgaan op de verhuurder die door overdracht van de verhuurde zaak tot de huurovereenkomst "toetreedt". Zij bestrijden de inhoudelijke beoordeling, door de rechtbank, van deze vraag, en de wijze waarop de rechtbank de bewijslastverdeling met betrekking tot die vraag heeft beoordeeld.

7) Voor de beide klachten van het middel is van belang hoe de in art. 7A:1612 BW neergelegde regel moet worden uitgelegd. Daarom allereerst enkele beschouwingen daarover.

8) De Hoge Raad heeft bij herhaling geoordeeld dat in gevallen waarin een huurovereenkomst naast (de gebruikelijke) verbintenissen terzake van het aan de huurder toekomende genotsrecht en de daartegenover staande prestatie(s) van de huurder, ook andere rechten en verplichtingen inhoudt(4), de regel van art. 7A:1612 BW alleen toepasselijk is op "rechten en verplichtingen die onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik van het goed tegen een door de huurder te betalen prijs"(5). Het kan daarbij, blijkens dezelfde beslissingen van de Hoge Raad, ook gaan om rechten en verplichtingen die in nadere overeenkomsten, al dan niet schriftelijk vastgelegd, naast de "eigenlijke" huurovereenkomst zijn bedongen; en het doet daarbij niet terzake of de "opvolgende" verhuurder kennis droeg van de betreffende rechten of verplichtingen. Beslissend is (alléén) of er met betrekking tot de te onderzoeken verplichting(en) sprake is van "onmiddellijk verband ... met het doen hebben van het gebruik van het goed tegen een door de huurder te betalen prijs".

9) Deze maatstaf wordt in de literatuur in meerderheid niet kritisch beoordeeld(6). Wetsontwerp 26 089, inmiddels in de Eerste Kamer aanhangig, beoogt opneming van deze maatstaf in de wet zelf, in het voorgestelde art. 7:226 lid 3. Het middel gaat ook van deze maatstaf uit. [Verweerder] c.s. bestrijden die ook niet. Ik sluit mij daar graag bij aan (wat impliceert dat ik de zojuist in voetnoot 6 genoemde opvatting van Abas niet onderschrijf). Dat er, bij "gemengde" overeenkomsten, een onderscheid gemaakt moet worden tussen "eigenlijke" huurbedingen die aan de regel van art. 7A:1612 BW onderworpen zijn en andere bedingen die te ver van de "eigenlijke" huurverhouding verwijderd zijn om toepassing van art. 7A:1612 BW gerechtvaardigd te doen zijn, ligt bepaald voor de hand; en gezien het uitzonderlijke karakter van de regel van art. 7A:1612 BW treft ook de beperking van die regel tot datgene wat als huur in eigenlijke zin kan worden gekwalificeerd, als zinnig en redelijk(7).

De afzonderlijke onderdelen van het middel

10) Onderdeel A van het middel neemt tot uitgangspunt dat de vraag of een bepaald beding aan art. 7A:1612 BW onderworpen is, als rechtsvraag moet worden gekwalificeerd. Dat is juist(8), maar ook weer niet helemaal juist. Zoals bij iedere rechtsvraag geldt ook hier dat er een feitelijke beoordeling nodig is om vast te stellen of de feiten van de casus "passen" in de rechtsregel die in geding is; en er zijn de nodige grensgevallen te bedenken waarbij het vooral van feitelijke waardering van de concrete omstandigheden afhangt, of het "onmiddellijk verband" uit de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf wel of niet aanwezig is.

11) Ik geef enkele voorbeelden, die overigens op de in deze zaak ter beoordeling staande casus lijken: het zal meestal zo zijn dat als een huurder met goedvinden van de verhuurder ook bepaalde aan de verhuurder toebehorende onroerende aanhorigheden (na)bij het gehuurde mag gebruiken, dit gebruiksrecht onmiddellijk verband houdt met de positie van de betrokkene als huurder, en dus valt binnen de door de Hoge Raad gegeven maatstaf(9); maar er zijn omstandigheden denkbaar waaronder dat anders is. Zo kan het zijn dat er tussen de partijen, laten we zeggen: twee in naast elkaar gelegen ruimtes werkzame en elkaar "aanvullende" ondernemingen, een huurrelatie en tegelijk een samenwerkingsverhouding bestaat, en dat het gebruiksrecht van bepaalde aanhorigheden (opslagruimte, bijvoorbeeld) kennelijk in de context van de samenwerkingsverhouding moet worden geplaatst, en niet in de context van de tegelijkertijd geldende huurrelatie. Of er kunnen tussen verhuurder en huurder vriendschaps- of familiebetrekkingen bestaan die kennelijk de "oorzaak" vormen voor bepaalde prestaties die de huurder ten laste van de verhuurder geniet (en die die verhuurder aan een willekeurige "gewone" huurder niet zou toestaan)(10).

In zulke gevallen is er ruimte voor twijfel, of met betrekking tot de genoemde prestaties het onmiddellijke verband bestaat dat de door de Hoge Raad gegeven maatstaf op het oog heeft. Voor de beoordeling van zulke (grens)gevallen is (vooral) feitelijke waardering van de omstandigheden doorslaggevend.

12) Ik gaf al aan dat de in deze zaak te beoordelen casus gelijkenis vertoont met de zojuist verzonnen voorbeelden. [Eiser] heeft zich er op beroepen dat de aan [verweerder] c.s. toegestane gebruiksmodaliteiten van bepaalde buiten de gehuurde woonruimte zelf gelegen gedeelten van het landgoed Queekhoven, in dit geval moeten worden gezien als uitvloeisels van een andere verhouding tussen [verweerder] c.s. en de (oorspronkelijke) verhuurster, dan de tevens tussen die partijen bestaande huurverhouding - hetzij een verhouding van (goede) buren, hetzij een van de eigenlijke huurverhouding te onderscheiden rechtsverhouding van dienstverlening (al dan niet in het kader van goed nabuurschap).

In het verlengde van het zo-even besprokene meen ik dat er inderdaad gevallen denkbaar zijn waarin een onderscheid zoals dat door [eiser] is bepleit, moet worden gemaakt; maar meen ik óók, dat het bij de beoordeling daarvan in overwegende mate aankomt op feitelijke waardering van de bijzonderheden van het gegeven geval. Een oordeel hierover is te veel verweven met waarderingen van feitelijke aard om in cassatie tot de kern te kunnen worden onderzocht.

13) Daarom meen ik dat onderdeel A van het middel niet opgaat. De omstandigheden die in deze zaak als vaststaand kunnen gelden brengen niet mee dat in cassatie kan worden vastgesteld dat het aan [verweerder] c.s. toegestane gebruik van het eiland voor het houden van pluimvee en schapen geen onmiddellijk verband houdt met het doen hebben van het gebruik van het gehuurde. Zoals aanstonds in alinea's 19 e.v. nader te bespreken, ligt eerder voor de hand om het tegendeel aan te nemen, en om er dus van uit te gaan dat een dergelijk gebruiksrecht (of "gedoogd" gebruik) wèl het vereiste onmiddellijke verband heeft met het krachtens de huurovereenkomst verschuldigde genot van de verhuurde zaak. Weging van de omstandigheden die daarover uiteindelijk uitsluitsel moeten geven, is echter niet van dien aard dat die in cassatie kan plaatshebben.

14) De aanwijzingen waarop in het middel onder A verder een beroep wordt gedaan, acht ik in dit verband bepaald niet doorslaggevend. Dat het eiland zich op (ruime) afstand van de gehuurde woning zou bevinden legt nauwelijks gewicht in de schaal, als men in aanmerking neemt dat niet gesteld is dat het houden van schapen en pluimvee op dat eiland zou gebeuren buiten het verband van het ter plaatse wonen van [verweerder] c.s. (bijvoorbeeld: in het kader van een bedrijf dat [verweerder] c.s. elders voeren). Het houden van dieren als de onderhavige (na)bij zijn woning, lijkt mij in het algemeen eerder aan te merken als een activiteit die tot het wonen ter plaatse te rekenen is (en dus als iets wat onmiddellijk verband houdt met het ingevolge de huurovereenkomst verschuldigde woongenot), dan als iets wat van het wonen en het woongenot los staat, en op zichzelf beschouwd mag worden. In het verlengde daarvan legt ook het feit dat de ("eigenlijke") huurovereenkomst alleen op de tuinmanswoning betrekking zou hebben (gesteld al dat dat zou vaststaan, wat ik overigens niet voetstoots aanneem) nauwelijks gewicht in de schaal. Het ligt, bijvoorbeeld, in de rede dat [verweerder] c.s. om hun woning te bereiken, gebruik moeten maken van op het landgoed aanwezige toegangswegen of -paden die niet tot het "eigenlijke" gehuurde behoren (maar die tot algemeen gebruik ten dienste van het landgoed bestemd zijn)(11). Toch hoort het recht om zulke toegangsfaciliteiten te gebruiken onmiskenbaar tot de rechten die onmiddellijk verband houden met het verschuldigde huurgenot, en doet daaraan niet af dat de huurovereenkomst alleen de woning (en niet de toegangsfaciliteiten) betreft.

15) De verklaring van [betrokkene 1] en een aantal omstandigheden in verband daarmee, waarover de nrs. 13 en 14 van middelonderdeel A spreken, zijn exemplarisch voor de factoren die bij de beoordeling van de onderhavige vraag in de (feitelijke) afweging moeten worden betrokken. Dat die factoren in dit geval meegewogen moe(s)ten worden, onderstreept dat de vraag waar het hier om gaat aan de hand van een feitelijke weging van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld, en onderstreept dat het niet juist is, dat het hier om een loutere rechtsvraag gaat.

16) Dat de rechtbank niet voorshands bewezen heeft geoordeeld dat de hier ter discussie staande aanspraak c.q. verplichting niet onmiddellijk verband houdt met het ingevolge de huurovereenkomst te verstrekken huurgenot, berust op een overwegend feitelijke waardering van het beschikbare feitenmateriaal, en kan dus in cassatie niet nader worden getoetst. Onbegrijpelijk vind ik dit oordeel van de rechtbank geenszins - zoals dat al in mijn eerdere beschouwingen zal hebben doorgeklonken.

Bewijslast

17) In het verlengde van het in alinea's 7 t/m 12 hiervóór besprokene geldt, dat het voor de toepassing van art. 7A:1612 BW doorslaggevend verschil kan maken of bepaalde feitelijke omstandigheden die daarbij gewicht in de schaal kunnen leggen, in de procedure komen vast te staan. Waar dergelijke gegevens omstreden zijn, moet dus ook de vraag onder ogen worden gezien, welke partij met betrekking tot die gegevens de bewijslast c.q. het bewijsrisico draagt.

Die vraag heeft de rechtbank dan ook onder ogen gezien; en middelonderdeel B bestrijdt wat de rechtbank daarover heeft beslist.

18) Ik begrijp het oordeel van de rechtbank (uit rov. 5.2) zo, dat art. 7A:1612 BW een regel ter bescherming van de huurder inhoudt en dat daarom het onderhavige bewijsrisico bij de verhuurder moet worden gelegd.

Zó algemeen geformuleerd lijkt mij dat geen juiste opvatting. In zoverre geef ik de steller van het middel gelijk(12). Maar er kan een wat minder stellig geformuleerde regel aan de hand van wat in deze zaak is vastgesteld worden aangewezen, die tot dezelfde uitkomst leidt als de rechtbank heeft gevonden. Als die regel juist zou zijn, zou het middel in de hier besproken variant belang missen.

19) De minder stellige regel die ik zojuist bedoelde sluit aan op wat eerder in alinea 11 werd gezegd.Die regel omschrijf ik aldus, dat als algemene- of vuistregel mag worden aangenomen dat bevoegdheden die een huurder vanwege de verhuurder worden verleend met betrekking tot gebruik van het gehuurde, of van belendingen of van (andere) in de nabijheid van het gehuurde aanwezige onroerende aanhorigheden, onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik van het goed...etc.; en dat daarom op de partij die zich erop wil beroepen dat dat in een gegeven geval anders is, de stelplicht en bewijslast rusten ten aanzien van de omstandigheden die het aannemen van de uitzondering rechtvaardigen.

Althans lijkt mij de hier aangeduide (vuist)regel aannemelijk als het gaat om een gebruik dat aansluit bij het overige gebruik van het gehuurde, en dat daar niet duidelijk los van staat. Dat geval doet zich hier voor: zoals in alinea 14 al gezegd, sluit het houden van enkele (huis)dieren in de nabijheid van het gehuurde kennelijk aan op het wonen ter plaatse, en is dat niet een van dat wonen te onderscheiden, zelfstandige activiteit.

20) Zoals hiervóór in alinea's 10 en 11 opgemerkt, zijn er wel gevallen denkbaar waarin gebruiksrechten van het hier bedoelde soort een huurder onder een andere titel dan in zijn hoedanigheid van huurder worden verleend, of dat die gebruiksrechten kennelijk niet mogen worden aangemerkt als "het gebruik van het goed tegen een door de huurder te betalen prijs" (maar moeten worden geplaatst in een andere context). Dat is dan echter telkens zo, omdat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen - die dus door degene die zich op de gevolgen daarvan wil beroepen gesteld en eventueel bewezen moeten worden.

Ik meen dat in een geval als dit de regel/uitzondering-benadering in aanmerking komt, die in het kader van art. 150 (177-oud) Rv. met enige regelmaat wordt toegepast(13).

21) Het lijkt mij overigens dat ook de opvatting die namens [eiser] in de schriftelijke toelichting (nr. 25) aan de hand van art. 7:226 van wetsontwerp 26 089 en art. 6:74 BW wordt verdedigd, tot de hier aangenomen bewijslastverdeling leidt: de partij die een beroep wil doen op de (uitzonderings)regel die in art. 6:74 BW na "tenzij" volgt en die in art. 7:226 BW in het derde lid is opgenomen, zal in het algemeen stelplicht en bewijslast hebben ten aanzien van de feiten die aan de uitzondering ten grondslag worden gelegd. Zo is het hier ook - althans als het gaat om een verplichting die niet al naar zijn aard valt buiten de verplichtingen die "onmiddellijk verband" houden met het doen hebben van gebruik van het gehuurde etc.(14). Ik gaf al als mijn mening te kennen dat bedingen inzake privé-gebruiksrechten m.b.t. zich (na)bij het gehuurde bevindende onroerende zaken (zeker als het gaat om gebruik dat past in het kader van het gebruik dat overigens van de gehuurde zaak wordt gemaakt), niet kunnen worden aangemerkt als bedingen die naar hun aard in de uitzonderingscategorie vallen.

22) Dat brengt mij tot de uitkomst dat de rechtbank voor de bewijslastverdeling een niet geheel juiste regel heeft toegepast, maar dat zij daarbij wel tot het juiste resultaat is gekomen. De feitelijke gegevens die in cassatie ter beschikking staan wijzen immers uit dat het hier gaat om gebruik van (na)bij het gehuurde aanwezige aanhorigheden voor een doel dat past in het kader van het wonen, door [verweerder] c.s., in de gehuurde woning, en dat dat gebruik aan [verweerder] c.s. is toegestaan door hun (aanvankelijke) verhuurster. Eerder (in alinea 14) gaf ik al aan dat er ook niets is dat er op wijst dat dit gebruik niet (vooral) verband hield met het ter plaatse wonen van [verweerder] c.s.. [Eiser] heeft inderdaad beroep gedaan op uitzonderlijke begeleidende omstandigheden die mogelijk een andere beoordeling kunnen rechtvaardigen, maar wat [eiser] daarover heeft aangevoerd is door [verweerder] c.s. betwist. Dan rust, aan de hand van de zojuist geopperde (vuist)regel, de bewijslast m.b.t. deze betwiste omstandigheden op [eiser].

Daarom heeft [eiser] inderdaad geen belang bij onderdeel B van het middel.

Conclusie

Ik meen dat het cassatieberoep behoort te worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik noem als voorbeelden HR 10 juni 1988, NJ 1988, 873 (huisdierenverbod) en HR 29 oktober 1993, NJ 1994, 107 met als vervolg daarop HR 1 november 1996, NJ 1997, 134 (hanengekraai). HJEG 12 juni 2001, NJ 2002, 23 had als inzet het houden van vier schapen en twee geiten.

2 De cassatiedagvaarding geeft inhoudelijk nagenoeg dezelfde weergave van de feiten.

3 Uit de vaststellingen van de kantonrechter sub m) en n) in de hier besproken rov. uit het vonnis van de kantonrechter van 23 december 1998 blijkt hoe de stand van zaken met betrekking tot het houden van deze dieren in feite is (of beter: hoe die was toen de kantonrechter vonnis wees).

4 Voorbeelden van dergelijke "gemengde" overeenkomsten (waarbij overigens toepassing van art. 7A:1612 BW niet aan de orde was) zijn te vinden in HR 26 februari 1993, NJ 1993, 581 m.nt. PAS, HR 6 mei 1988, NJ 1989, 51 m.nt. WHH en HR 19 juni 1987, NJ 1988, 72 PAS.

5 HR 11 december 1981, NJ 1982, 239 m.nt. PAS, rov. 3; in dezelfde zin HR 8 april 1983, NJ 1983, 646, rov. 3.2, HR 2 januari 1987, NJ 1987, 960, rov. 3.2. en HR 21 januari 2000, NJ 2000, 237, rov. 3.5.

6 Handboek Huurrecht (losbl.), Dozy, art. 1612, aant. 7b; Zuidema, Recht voor de huurder (2001), p. 106 e.v.; Dozy-Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht voor de Praktijk (1999), p. 155 e.v.; De Mol-Rossel, Praktijkboek Onroerend Goed (losbl.), II C nr. 114, i.h.b. p. II C - 129 e.v.; De Wijkerslooth-Vinke in Compendium Bijzondere Overeenkomsten (1998), p. 168. Een andere maatstaf wordt verdedigd in Asser-Abas 5 - II (supplement 2001), nrs. 95 en 96. Kritisch daarover Dozy-Jacobs, a.w. p. 155, instemmend: Stein, noot bij NJ 1982, 239.

7 De beschouwingen uit de Toelichting bij het Voorontwerp voor boek 7 titel 4 die in de schriftelijke toelichting namens [eiser] (nr. 16) worden aangehaald benaderen het (ook) door mij omarmde standpunt vanuit een iets andere invalshoek, met dezelfde uitkomst.

8 Zo ook Handboek Huurrecht t.a.p. (op blz. Art. 1612 - 25) en Dozy-Jacobs, a.w. p. 156.

9 Een praktijkvoorbeeld werd beoordeeld in Hof 's-Hertogenbosch 9 oktober 1991, WR 1992, 1.

10 Zie bijvoorbeeld Zuidema, a.w. p. 107. Zoals in de schriftelijke toelichting namens [eiser] aangegeven, levert Ktg. Amsterdam 29 september 1995, WR 1996, 34 een voorbeeld op van een dergelijk geval. Zie voor een ander voorbeeld van restrictieve beoordeling van tot de huurovereenkomst te rekenen aanspraken (waarbij overigens geen toepassing van art. 7A:1612 BW aan de orde was) Hof Arnhem 18 december 2001, WR 2002, 27. Ik wil daarbij niet verhelen dat ik over de juistheid van deze laatste beslissing twijfel.

11 Of dat hier feitelijk werkelijk het geval is is niet van belang - het gaat mij om het voorbeeld.

12 Zowel de rechtbank in het hier besproken oordeel als [eiser] in de cassatiedagvaarding in alinea 19, lijken ervan uit te gaan dat het steeds alleen de huurder is die er belang bij kan hebben, zich op de werking van art. 7A:1612 BW te beroepen. Er zijn echter ook gevallen te bedenken waarin (vooral) de opvolgend verhuurder daarbij belang heeft. De verplichting tot het verlenen van bepaalde diensten, zoals [verweerder] c.s. die in dit geval hadden aanvaard, levert daarvan een voorbeeld op. Dat ook deze mogelijkheid bestaat (dus: dat juist de verhuurder belang heeft bij een beroep op art 7A:1612 BW), maakt de hier door de rechtbank gehanteerde regel én de t.a.p. door [eiser] verdedigde gedachte nog minder aannemelijk.

13 Zie bijvoorbeeld Asser, Bewijslastverdeling (1992), Mon. Nieuw BW A24 p. 93 - 94, HR 10 november 1989, NJ 1990, 273 m.nt. PAS, rov. 3.2 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 631, rov. 5.2.

14 Een "klassiek" voorbeeld van een beding dat naar zijn aard voor een andere beoordeling in aanmerking komt, lijkt mij het bij Abas t.a.p. genoemde beding dat de verhuurder verplichtte bepaalde effecten die hij aan de huurder verkocht had terug te kopen, HR 5 mei 1927, NJ 1927, p. 1183 m.nt. EMM.