Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE2122

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
C00/305HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE2122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-14
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 116, geldigheid: 2002-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 345
JWB 2002/224

Conclusie

Nr. C00/305HR

Mr Huydecoper

Zitting van 19 april 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

de stichting STICHTING MITROS

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In deze zaak heeft de verweerster in cassatie, Mitros, ontbinding gevorderd van een huurovereenkomst tussen Mitros als verhuurster en de eiser tot cassatie, [eiser], als huurder. De vordering was gegrond op de stelling, kort gezegd, dat het gehuurde - een garage - werd gebruikt voor of in verband met criminele activiteiten(1).

2) De thans in cassatie aanhangige bodemprocedure is een vervolg op een procedure op de voet van art 116 (oud) Rv. In die procedure werd [eiser] door de kantonrechter tot ontruiming veroordeeld wegens, kort gezegd, het door Mitros gestelde gebruik van het gehuurde voor criminele activiteiten. Blijkens de inleidende dagvaarding in deze procedure, heeft Mitros die aangevangen omdat [eiser] de in art. 116 (oud) Rv. in het vijfde lid bedoelde verklaring had afgelegd.

3) [Eiser] betwist, kort samengevat, dat de criminele activiteiten waarbij hij inderdaad betrokken was, verband hielden met het gehuurde. Hij betwist in dat verband nader, dat hij zou hebben geweten dat een aanzienlijke hoeveelheid in de gehuurde garage aangetroffen goederen (daar aangetroffen in het kader van een opsporingsonderzoek in verband met de betreffende criminele activiteiten) van diefstal of andere misdrijven (waaronder met name: opzettelijke inbreuken op de Auteurswet en de Wet op de Naburige Rechten) afkomstig waren.

4) In de eerste aanleg werd de vordering van Mitros die nu in cassatie wordt bestreden toegewezen, en wel: door dezelfde kantonrechter die ook de voorziening op grond van art. 116 (oud) Rv. had beoordeeld. In appel herhaalde [eiser] zijn zojuist summier weergegeven verweer(2), en maakte hij bezwaar tegen het feit dat de voorlopige voorziening en de zaak ten gronde door dezelfde kantonrechter waren beoordeeld (wat volgens [eiser] niet verenigbaar zou zijn met de door art. 6 EVRM gewaarborgde rechterlijke onpartijdigheid).

5) De rechtbank heeft de beide namens [eiser] in appel voorgedragen argumenten verworpen. Tegen dit oordeel - in beide aspecten daarvan - komt [eiser] in cassatie op. Mitros heeft tot verwerping geconcludeerd. (Alleen) Mitros heeft de zaak schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van het cassatiemiddel

6) Onderdeel I van het middel doet opnieuw een beroep op art. 6 EVRM. Het mondt uit in de stelling dat de rechtbank, die geoordeeld heeft dat de beoordeling van de twee procedures in de eerste aanleg door dezelfde kantonrechter inderdaad met art. 6 EVRM onverenigbaar was, de zaak had moeten terugverwijzen naar de kantonrechter, om aan [eisers] aanspraak op beoordeling in twee feitelijke instanties recht te doen.

7) Naar Nederlands nationaal procesrecht is dat betoog ongegrond. De appelrechter die over een eindvonnis van de lagere rechter heeft te oordelen - zoals hier het geval was -, is verplicht om, wanneer de beslissing(en) van de lagere rechter vernietigd moet(en) worden, de zaak aan zich te houden en verder af te doen. Dat kan ertoe leiden dat de inhoudelijke beoordeling van de zaak tot één instantie beperkt blijft; maar die omstandigheid levert geen voldoende zwaarwegende reden op om van de betreffende regel af te wijken(3).

8) Ook het EVRM noopt niet tot afwijking van deze regel van Nederlands procesrecht.

Uitgangspunt moet daarbij, denk ik, wel zijn dat de beoordeling van de onderhavige zaak in de eerste aanleg niet in overeenstemming met art. 6 EVRM was. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat dat zo was, en tegen dat oordeel wordt in cassatie niet opgekomen(4).

9) Aan de eisen van art. 6 EVRM wordt echter voldaan wanneer een eventueel gebrek aan onpartijdigheid van een lagere oordelende instantie kan worden goedgemaakt doordat de zaak aan een hogere instantie kan worden voorgelegd, mits die hogere instantie de zaak ten volle kan (her)beoordelen, en uiteraard: mits die hogere instantie geheel aan de maatstaf van onpartijdigheid voldoet(5). Dat in de onderhavige zaak de beslissing van de rechtbank in appel geheel conform de eisen van art. 6 EVRM is gegeven, ook ten aanzien van de onpartijdigheid van de oordelende rechters, staat in cassatie niet ter discussie (en terecht). Dan is gegeven dat ook de procedure als geheel niet ten opzichte van de eisen van art. 6 EVRM tekort is geschoten. Bij die stand van zaken is er (ook) geen grond voor terugverwijzing van de zaak naar de kantonrechter, met voorbijgaan aan de nationale Nederlandse regels van procesrecht.

Daarom meen ik dat onderdeel I van het middel niet opgaat.

10) Onderdeel II van het middel herhaalt - daar komt het op neer - het argument dat [eiser] niet in zijn verplichtingen als huurder tekort is geschoten doordat de gehuurde garage werd gebruikt voor de opslag van van misdrijf afkomstige goederen, als dat feit hem niet zou mogen worden toegerekend.

11) Ook dit argument beoordeel ik als ongegrond, en wel omdat de beslissing van de rechtbank mij geheel juist lijkt. Inderdaad is het zo - zoals de rechtbank ook expliciet overweegt - dat een vordering tot ontbinding ook kan worden gegrond op tekortkomingen die de schuldenaar/huurder niet kunnen worden toegerekend - dus (zelfs) op gevallen van zuivere overmacht(6). Deze (nieuwe) regel kan echter ook goede diensten bewijzen in gevallen waarin betwijfeld mag worden of er van overmacht sprake is, maar waarin het weinig voor de hand ligt om van de eiser te verlangen dat die aantoont dat de betreffende tekortkoming aan de verweerder toegerekend mag worden.

12) De onderhavige zaak levert een schoolvoorbeeld op van een geval als zojuist bedoeld: het ligt bepaald in de rede dat de tekortkoming in kwestie wel aan [eiser] toegerekend mag worden; maar het gaat in deze context bepaald ver, om van Mitros te verlangen dat die stelt en eventueel bewijst, in welke opzichten er van toerekenbaarheid sprake is. Dan lijkt mij legitiem dat de rechter gebruik maakt van de ruimte die de wet biedt, door de regel dat toerekenbaarheid niet noodzakelijkerwijs hoeft te blijken, hier te hulp te roepen(7).

13) De rechtbank heeft verder overwogen dat het hier een tekortkoming betreft waarvan de aard en ernst ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. De waardering van de aard en ernst van de tekortkoming bestrijdt het middel op zichzelf niet. Dat verbaast niet, nu het hier inderdaad om een alleszins zwaarwegende tekortkoming gaat, die een verhuurder in het algemeen niet kan, en zeker niet hoeft te accepteren. Gezien het feit dat het middel op dit punt de beslissing van de rechtbank niet bestrijdt, zal ik dit niet verder uitdiepen. Rechtspraak en literatuur bieden overigens voldoende aanknopingspunten die de juistheid illustreren van de maatstaf die de rechtbank bij dit oordeel heeft aangelegd.

14) Onderdeel III van het middel vecht de afweging aan, aan de hand waarvan de rechtbank heeft besloten dat de tekortkoming die ten laste van [eiser] is vastgesteld ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

Het middelonderdeel bouwt allereerst voort op de onjuiste argumenten van onderdeel II, en moet in zoverre om dezelfde redenen worden verworpen.

Het neemt daarnaast een onjuiste rechtsopvatting tot uitgangspunt. Het verdedigt - als ik het onderdeel goed begrijp - dat bij de afweging die de rechtbank hier gemaakt heeft, de "hoofdverplichtingen" van de partijen als (privaatrechtelijk) huurder en verhuurder op de voorgrond zouden moeten staan, en deze hoofdverplichtingen niet aan overwegingen ontleend aan het algemeen belang, waarnaar de rechtbank in de hier bestreden overweging heeft verwezen, "ondergeschikt (mogen) worden gemaakt".

15) (Min of meer) hetzelfde standpunt is verdedigd in de zaak waarin het arrest HR 22 oktober 2000, NJ 2000, 208 m.nt. JH werd gewezen. In dat arrest is dat standpunt (in de rov. 3.4.2 - 3.4.4) in duidelijke bewoordingen van de hand gewezen. Ik ben het met deze beslissing van de Hoge Raad van harte eens, en meen daarom dat ook het standpunt dat het onderhavige middelonderdeel verdedigt verdient te worden afgewezen(8).

16) Ik voeg volledigheidshalve toe dat de weging die de rechter moet maken bij de beoordeling of een tekortkoming aan de kant van een contractspartij ontbinding van de betreffende overeenkomst rechtvaardigt, in uitgesproken mate met waarderingen van feitelijke aard samenhangt. Het is dus uitzonderlijk wanneer die weging aspecten vertoont die zich voor toetsing in cassatie (anders dan op begrijpelijkheid van de gegeven motivering) leent. Die uitzondering doet zich volgens mij in deze zaak bepaald niet voor. Uit deze beschouwingen volgt (ook) dat ik de argumenten van dit middelonderdeel over het relatief geringe gewicht dat de rechtbank aan het belang aan de kant van [eiser] heeft toegekend, als ondoeltreffend beoordeel. Het is volkomen begrijpelijk dat de rechtbank daarover geoordeeld heeft, zoals zij dat heeft gedaan; en verdere toetsing van dat oordeel is in cassatie niet mogelijk.

Conclusie

Ik meen dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Huur en verhuur van een stallingsruimte - zoals de onderhavige garage er kennelijk, (ook) naar de strekking van de betreffende huurovereenkomst, een is - wordt beheerst door de bepalingen van het BW en door de Huurwet. Uit de stukken wordt niet geheel duidelijk of hier Hoofdstuk VIA van de Huurwet van toepassing is of juist de overige Hoofdstukken van die wet (bij repliek in eerste aanleg ging Mitros van de eerste mogelijkheid uit, maar zonder aan te geven op welke feiten die keuze berust). Voor de beoordeling van een vordering tot ontbinding hoeft echter niet persé te worden vastgesteld welk "huurregime" in dit geval van toepassing was.

2 [Eisers] onderbouwing van dat verweer in de appelprocedure was overigens nauwelijks gedetailleerder dan mijn eerder gegeven samenvatting van dat verweer.

3 Vele beslissingen, vanaf HR 28 november 1946, NJ 1947, 50; zie bijvoorbeeld recentelijk HR 25 februari 2000, NJ 2000, 509 m.nt HJS, rov. 3.5 en HR 1 februari 2002, RvdW 2002, 28, rov. 3.4 - beide zaken waarin ook een beroep werd gedaan op in eerste aanleg plaatsgevonden verzuimen in verband met art. 6 EVRM.

4 Mitros stelt in haar schriftelijke toelichting dat zij vraagtekens bij dit oordeel plaatst. Op die manier kan echter een in de feitelijke instanties gegeven beslissing niet in cassatie ter discussie worden gesteld. De vindplaatsen die Mitros in dit verband aanhaalt laten overigens zien dat de onderhavige vraag - staat het feit dat een rechter in een civiele zaak een beslissing over een voorlopige voorziening heeft gegeven, er aan in de weg dat dezelfde rechter oordeelt over een vordering ten gronde met betrekking tot - praktisch - dezelfde geschilpunten? - in de Nederlandse rechtspraak zeer verschillend wordt beoordeeld. Naast de door Mitros aangehaalde gevallen (waarbij ik opmerk dat de vindplaats van Rechtbank Haarlem 12 maart 1999 moet zijn: Praktijkgids 1999, 5348) is nog te wijzen op Rechtbank Dordrecht 6 augustus 1997, NJ 1997, 713, Praktijkgids 1997, 4829, Rechtbank Arnhem 22 maart 1990, NJ 1990, 671 en Rechtbank Utrecht 26 mei 1999, JAR 1999, 129 (deze beslissing zal de rechtbank in het bestreden vonnis bedoeld hebben, toen zij naar haar eigen eerdere jurisprudentie verwees). De rechtspraak van het EHRM over de vraag of eerdere betrokkenheid van een rechter bij een zaak die hem in een later stadium ter beoordeling wordt voorgelegd, de (geobjectiveerde) onpartijdigheid van die rechter in kwestie stelt, vertoont een sterk casuïstisch beeld (het Hof benadrukt dat zelf ook bij herhaling). Ik meen dat die rechtspraak geen eenduidig antwoord op deze vraag mogelijk maakt.

5 Zie bijvoorbeeld EHRM 26 augustus 1997, Reports 1997-IV, rov. 48 - 53; Van Dijk-Van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (1998), p. 453 en p. 456-457; EVRM Rechtspraak en Commentaar (losbl.), Heringa, art. 6, lid 1, nr. 3.6.1, p. 2 - 3. Zie ook EHRM 1 oktober 1980/23 juni 1981, A-serie nr. 43, rov. 50 en 51. Het zelfde komt overigens tot uiting in de twee recente beslissingen van de Hoge Raad die in voetnoot 3 zijn aangehaald.

6 Dit is, zoals bekend, een van de onderwerpen ten aanzien waarvan in het nieuwe vermogensrecht bewust is gekozen voor een afwijking ten opzichte van het "oude" BW; zie bijvoorbeeld Asser - Hartkamp 4 - II (2001), nr. 515; T&C Burgerlijk Wetboek boeken 6, 7 en 8 (2001), Olthof, aant. 2 bij art 6:265; Brunner - De Jong, Verbintenissenrecht Algemeen (1999), nr. 229; Hijma - Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht (1999), nr. 519; Hartlief, Ontbinding, diss. 1994, o.a. p. 87 - 88; Bakels, Mon. Nieuw BW B 58 (Wederkerige overeenkomsten en ontbinding wegens tekortkoming), p. 32 (kritisch); Schoordijk, Het Algemeen Gedeelte van het Verbintenissenrecht (1979), o.a. p. 537 - 538.

Ik merk terzijde op dat dit niet betekent dat toerekenbaarheid of verwijtbaarheid in dit verband niet terzake doen. Die gegevens kunnen van - aanzienlijk - belang zijn bij de beoordeling of de betreffende tekortkoming, mede gezien de ernst daarvan, de gevorderde ontbinding rechtvaardigt. Maar het is onmiskenbaar dat toerekenbaarheid naar huidig recht niet een vereiste is voor toewijzing van een ontbindingsvordering.

7 Daaraan doet niet af dat er ook andere, en misschien elegantere wegen zijn die tot dezelfde uitkomst leiden - zoals de weg langs de redenering dat [eiser] geen feiten had gesteld die de op zichzelf niet zo voor de hand liggende gedachte dat hij op het hier aan de orde zijnde punt geheel te goeder trouw was, aannemelijk of zelfs maar begrijpelijk konden maken; zodat om die reden aan zijn betoog, als onvoldoende feitelijk onderbouwd, voorbij mocht worden gegaan. De door de rechtbank toegepaste gedachtegang komt misschien als enigszins abrupt over; maar die is noch rechtens onjuist, noch logisch aanvechtbaar.

8 Voor de vraag welke belangen een verhuurder in de verhouding met zijn huurder rechtmatig mag nastreven verwijs ik nog naar HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363 m.nt. ARB, rov. 3.3.