Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1550

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
R01/125HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1550
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 320
JWB 2002/216

Conclusie

Rek.nr. R01/125HR

Mr Strikwerda

Parket, 29 maart 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze procedure zijn op 20 augustus 1987 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren: [kind 1], op [geboortedatum] 1989, en [kind 2], op [geboortedatum] 1993. Op verzoek van de man (thans verweerder in cassatie) heeft de Rechtbank te Zutphen bij beschikking van 1 maart 2001 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 8 mei 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man leeft inmiddels samen met een nieuwe partner. Op 3 februari 2001 is uit deze relatie een kind geboren. De vrouw (thans verzoekster van cassatie) vormt met de kinderen van partijen een gezin.

2. In de echtscheidingsprocedure verzocht de vrouw bij wege van zelfstandig verzoek de Rechtbank te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen van partijen een bedrag van f 450,- per maand per kind zal betalen. Als bijdrage in de kosten van haar eigen levensonderhoud verzocht de vrouw de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 1.277,- per maand.

3. Bij genoemde beschikking van 1 maart 2001 heeft de Rechtbank de kinderalimentatie bepaald op f 450,- per maand per kind, de alimentatie ten behoeve van de vrouw op f 122,- per maand.

4. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Arnhem bij beschikking van 28 augustus 2001 de beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen zal betalen een bedrag van f 200,- per maand per kind. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage van de kosten van haar levensonderhoud wees het Hof af.

5. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

6. Middel 1 betreft de kinderalimentatie en klaagt, naar ik begrijp, dat het Hof bij de bepaling daarvan het in HR 2 december 1994, NJ 1995, 287 nt. JdB voor gevallen als het onderhavige geformuleerde uitgangspunt heeft miskend. Het Hof zou, meer bepaald, niet hebben onderzocht of toewijzing van de door de vrouw verzochte kinderalimentatie een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin van de man zou aantasten en zou de belangen van de kinderen van partijen hebben achtergesteld bij die van de nieuwe partner.

7. In genoemde uitspraak heeft de Hoge Raad (zie ook HR 25 november 1994, NJ 1995, 286) vooropgesteld dat bij de beoordeling van de draagkracht van een vader met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting tot bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind uit een inmiddels ontbonden huwelijk in beginsel rekening moet worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de vader komen. Heeft de vader een nieuw gezin gevormd, dan zullen zijn uitgaven mede door deze factor worden bepaald. Wel zal bij de beoordeling van de draagkracht van de vader rekening moeten worden gehouden met wat als redelijk dient te worden beschouwd jegens het niet in het nieuwe gezin verblijvende kind in welks verzorging en opvoeding de vader verplicht is bij te dragen. In dit kader zal ook een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de nieuwe partner aan de orde kunnen komen, aldus de Hoge Raad. Uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag wat jegens het kind als redelijk moet worden beschouwd, is

"dat het enkele feit dat de vader zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen van het kind in het kader van de hiervoor bedoelde afweging bij die nieuwe partner ten achter te stellen."

De omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat een uitzondering op dit uitgangspunt gerechtvaardigd is. Als omstandigheden die onder meer van belang kunnen zijn, noemt de Hoge Raad:

"de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten; de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin; en de mogelijkheden voor de vader en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden als van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven."

8. Uit dit een en ander volgt dat bij de vaststelling van kinderalimentatie in gevallen als hier bedoeld de draagkracht van de vader niet in abstracto of geïsoleerd mag worden berekend, doch dat bij de beoordeling van de uitgaven van het nieuwe gezin van de vader rekening zal moeten worden gehouden met wat als redelijk moet worden beschouwd jegens het niet in het gezin van de vader verblijvende kind. Vgl. Asser-de Boer, nr. 1033.

9. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het Hof bij zijn beoordeling van de draagkracht van de man het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt heeft miskend. Het Hof heeft immers bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met de omstandigheid dat de nieuwe partner van de man in staat moet worden geacht zich, bijvoorbeeld door het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden in de avonduren, inkomsten te verwerven (r.o. 4.6). Voorts heeft het Hof ten aanzien van zowel de opgegeven kosten ter zake van de omgangsregeling die de partner van de man maakt als de door de man opgevoerde woonlasten blijk gegeven van de opvatting dat deze kostenposten getoetst dienen te worden aan het criterium of zij in het licht van de onderhoudsverplichting van de man jegens de kinderen van partijen redelijk zijn (r.o. 4.7 en r.o. 4.8).

10. Voor zover het middel betoogt dat het Hof het door de Hoge Raad voor gevallen als het onderhavige geformuleerde uitgangspunt heeft miskend, mist het derhalve feitelijke grondslag. Voor zover het middel wil betogen dat het Hof als toetssteen had moeten nemen of toewijzing van de door de vrouw verzochte kinderalimentatie een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin van de man zou aantasten, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het miskent dat de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten een omstandigheid is die van belang kan zijn bij de beoordeling van de vraag of uitzondering op het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt gerechtvaardigd is. Zij vormt, anders dan het middel kennelijk wil, niet de maatstaf voor de berekening van de alimentatieruimte bij de man.

11. Middel 2 heeft betrekking op 's Hofs oordeel met betrekking tot de verzochte alimentatie voor de vrouw. Het middel klaagt dat het Hof de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 11 september 1992, NJ 1992, 745) inzake de samenloop van alimentatieverplichtingen van een meermalen gescheiden alimentatieplichtige jegens zijn gewezen echtgenoten heeft miskend.

12. Het middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. In het onderhavige geval is van een zodanige samenloop van alimentatieverplichtingen immers geen sprake.

13. Middel 3 keert zich met verscheidene klachten tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 4.8, dat de door de man opgevoerde woonlasten in verhouding staan tot zijn inkomen en niet als bovenmatig moeten worden aangemerkt.

14. Ook dit middel is tevergeefs voorgesteld. De afweging en waardering van de factoren die de draagkracht van de man bepalen, zijn voorbehouden aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt (vaste rechtspraak, zie bijv. HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313). De redelijkheid van de door de man opgevoerde woonlasten is zo'n factor. Voorts gaat het middel uit van motiveringseisen die niet kunnen worden gesteld aan beslissingen die, zoals de onderhavige, uitsluitend betrekking hebben op het vaststellen en het wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht naar voren gebrachte omstandigheden (zie o.m. HR 10 december 1999, NJ 2000, 4). 's Hofs oordeel dat de vrouw haar standpunt onvoldoende heeft toegelicht, berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken en is, gelet op hetgeen de vrouw op dit punt blijkens de gedingstukken naar voren heeft gebracht (zie haar verweerschrift tevens incidenteel appel, onder 9, en de verklaring van mr Pubben ter terechtzitting van het Hof), niet onbegrijpelijk.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,