Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1540

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
C00/339HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 390
JWB 2002/248

Conclusie

Mr. Hartkamp

nr. C00/339

zitting 29 maart 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) De eiser tot cassatie, [eiser], en de verweerster in cassatie, [verweerster], hebben met elkaar een affectieve relatie gehad en samengewoond. [Verweerster] heeft tijdens de duur van die relatie een woning gekocht, vervolgens deze woning met gesloten beurzen voor een andere geruild en de aldus verkregen woning na het verbreken van de relatie verkocht. Beide woningen stonden op haar naam in de openbare registers. De netto-opbrengst van de verkochte woning (f 67.832,41) is met instemming van [verweerster] door de notaris op de rekening van [eiser] overgemaakt.

2) [Verweerster] heeft een bedrag van f 64.000 van [eiser] gevorderd, stellend dat dit aan haar als eigenares van de verkochte woning toekomt. De man heeft zich verweerd met de stelling dat hij de aankoop van de woning heeft gefinancierd. In reconventie heeft hij een aantal bedragen van de vrouw gevorderd.

De rechtbank te Zwolle heeft in haar tussenvonnis van 26 augustus 1998 [eiser] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de opbrengst na verkoop van de woning "aan hem toekomt zoals hierboven onder 4.2 is overwogen". Onder 4.2 had de rechtbank overwogen dat de man zal worden toegelaten tot het bewijs dat [verweerster] "ermee akkoord ging dat de opbrengst na verkoop van de woning [a-straat 1] te [plaats] aan hem zou toekomen." Het bestaan van de in reconventie gestelde vorderingen heeft de rechtbank bij wege van voorlopig oordeel niet aannemelijk geacht.

In haar eindvonnis van 30 juni 1999 heeft de rechtbank [eiser] in zijn bewijslevering geslaagd geacht en de vordering van [verweerster] afgewezen.

3) Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 15 augustus 2000 de vordering van [verweerster] toegewezen tot een bedrag van f 39.000.(1)

Het hof heeft de toewijzing gemotiveerd met de overweging dat [verweersters] voormelde akkoordverklaring niet impliceert dat er ook een rechtsgrond voor de betaling aan [eiser] bestond. Nu ervan mag worden uitgegaan dat [verweerster] als eigenares in beginsel recht had op betaling van de netto-opbrengst, was het volgens het hof aan [eiser] om zijn stelling te bewijzen dat hij recht had op dat bedrag. Dit bewijs heeft [eiser] niet geleverd, nu partijen voor de verschuldigdheid van dit bedrag geen rechtsgrond hebben genoemd, terwijl een eventuele door [verweerster] beoogde schenking nietig is wegens het ontbreken van een notariële akte als bedoeld in art. 7A:1719, aldus het hof. Om deze reden heeft het hof niet relevant geacht de door [verweerster] als partij-getuige afgelegde verklaring dat [eiser] en zij hadden afgesproken "dat uiteindelijk ieder de helft zou krijgen".

Evenals de rechtbank heeft het hof de reconventionele vorderingen niet toewijsbaar geacht.

4) [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en twee (nader onderverdeelde) cassatiemiddelen voorgesteld. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. [Verweerster] heeft gedupliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Middel I voert aan dat het hof heeft miskend dat partijen beoogden dat "[eiser] dit bedrag zou ontvangen mede ter uiteindelijke betaling en ter financiële afwikkeling van kortgezegd over en weer bestaande verplichtingen of vorderingen en dat daarmee een rechtsgrond voor de betaling gegeven is".

Deze klacht faalt naar mijn mening, omdat het gestelde oogmerk van de betaling ten processe niet is komen vast te staan. Het hof heeft immers vastgesteld dat partijen geen rechtsgrond voor de betaling hebben genoemd.

6) Middel II voert aan dat het hof na gegrondbevinding van [verweersters] grieven [eiser] alsnog in de gelegenheid had moeten stellen in te gaan op het voorlopig oordeel van de rechtbank omtrent de door hem in reconventie ingestelde vorderingen.

De klacht faalt naar mijn mening, omdat geen rechtsregel het hof daartoe verplichtte. [Eiser] had rekening kunnen houden met 's hofs oordeel omtrent de grieven en voor dat geval zelf zijn stellingen in reconventie nader kunnen concretiseren en onderbouwen. 's Hofs oordeel omtrent die stellingen is geenszins onbegrijpelijk.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het verschil met de vordering van f 64.000 wordt verklaard door het feit dat [verweerster] heeft erkend dat een bedrag van f 25.000 door [eiser] aan haar was geleend voor de aanschaf van het huis.