Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1539

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
C00/319HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 110, geldigheid: 2002-07-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 420
JWB 2002/270

Conclusie

C 00/319 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 19 april 2002

Conclusie inzake:

1. [Eiseres 1]

2. [Eiseres 2]

tegen

de Staat der Nederlanden

In deze zaak gaat het om een vordering tot schadevergoeding na een huiszoeking.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):

1.1.1. Op 21 juli 1992 heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Maastricht, met verlof van diezelfde rechtbank, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 1], destijds burgemeester van de gemeente Gulpen, huiszoeking ter inbeslagneming gedaan in het kantoorpand van de vennootschappen die in dit geding de eiseressen zijn. Aanleiding voor de huiszoeking was het vermoeden dat [betrokkene 1] met (een van) eiseressen of met een van de aan eiseressen gelieerde bedrijven een ontoelaatbare transactie was aangegaan m.b.t. een perceel grond te Gulpen.

1.1.2. [Betrokkene 1] noch eiseressen noch de met eiseressen gelieerde bedrijven zijn ter zake van deze grondtransactie strafrechtelijk (verder) vervolgd.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 14 augustus 1995 hebben eiseressen de Staat aangesproken tot betaling van een schadevergoeding van f 24.544,- met wettelijke rente. Volgens eiseressen is sprake van een onrechtmatige daad waarvoor de Staat aansprakelijk is. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de verdenking die tot de huiszoeking heeft geleid achteraf ongegrond is gebleken. Subsidiair hebben zij gesteld dat de huiszoeking in hun kantoor op een onnodig schadelijke wijze is uitgevoerd. De gestelde schade bestaat voor het grootste deel uit personeelskosten. Eiseressen hebben gesteld dat het personeel zich geïntimideerd voelde doordat de toegang tot het bedrijf door de politie werd afgezet; bovendien werd tijdens de huiszoeking aan het personeel het gebruik van de telefoon en van het computersysteem verboden. Hierdoor vielen de normale werkzaamheden gedurende vier uren stil; daarna was extra werk nodig om de normale bedrijfsvoering te herstellen. Ook de twee directieleden zijn door de huiszoeking van hun gewone werk afgehouden. Daarnaast kon een afspraak met een belastingadviseur die ochtend niet doorgaan. Het hof vat dit alles samen onder de term stagnatieschade.

1.3. Nadat de Staat verweer had gevoerd, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 18 september 1996 de vordering afgewezen. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen:

- dat bij de toepassing van het dwangmiddel huiszoeking niet in strijd met de wet is gehandeld noch fundamentele beginselen zijn veronachtzaamd;

- dat uit het strafvorderlijk onderzoek niet is gebleken dat de verdenking op grond waarvan de huiszoeking plaatsvond ten onrechte heeft bestaan;

- dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat de huiszoeking de voortgang van de werkzaamheden onnodig heeft geblokkeerd dan wel anderszins onzorgvuldig is geweest.

1.4. Eiseressen hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 6 juli 2000 heeft het hof het beroepen vonnis bekrachtigd.

1.5. Eiseressen hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten. De Staat heeft gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. De vraag in welke gevallen via de burgerlijke rechter schadevergoeding kan worden verkregen ter zake van de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen tegen iemand die niet strafrechtelijk is veroordeeld, is al meermalen aan de Hoge Raad voorgelegd. Volstaan moge worden met verwijzing naar de gevormde jurisprudentie(2). In de zaak die thans ter beslissing wordt voorgelegd kan, gezien rov. 12, in cassatie ervan uit worden gegaan dat de verdenking, die de aanleiding vormde tot het gerechtelijk vooronderzoek in het kader waarvan de huiszoeking plaatsvond, niet was gericht tegen eiseressen. De mogelijkheid op grond van art. 89/90 Sv of art. 591/591a Sv een vergoeding naar billijkheid te vragen stond voor eiseressen niet open: zij waren niet de gewezen verdachte. Een schadevordering wegens een huiszoeking bij een derde (d.w.z. niet verdachte) is aan de orde geweest in HR 30 maart 2001, RvdW 2001, 71 (Staat/Lavrijsen)(3). Uit dat arrest breng ik in herinnering het onderscheid tussen schade die inherent is aan de toepassing van het dwangmiddel en schade die bij gelegenheid van de toepassing van een dwangmiddel nodeloos aan een ander wordt berokkend. Dit onderscheid komt ook in het huidige cassatiemiddel terug. Een verschil met de onderhavige zaak is echter dat in de zaak Staat/Lavrijsen de primaire grondslag van de vordering werd gezocht in het toebrengen van onevenredige schade en in de strijdigheid met het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten.

2.2. Onderdeel 1 heeft betrekking op een procedurele kwestie. Bij pleidooi in hoger beroep(4) hebben eiseressen als grond voor hun hoger beroep aangevoerd dat ten tijde van de huiszoeking jegens hen geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond. Het hof heeft dit betoog beschouwd als een nieuwe grief, waarop geen acht mocht worden geslagen omdat deze te laat werd aangevoerd en de Staat niet ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat deze grief alsnog in de rechtsstrijd werd betrokken. Dat was inderdaad het toepasselijke criterium(5). Onderdeel 1 komt neer op de klacht dat het hof dit betoog ten onrechte als een nieuwe grief heeft beschouwd: in de eerdere stellingen van eiseressen zou dit standpunt reeds besloten hebben gelegen. Subsidiair noemen eiseressen de beslissing onbegrijpelijk omdat het hof in rov. 12 zelf ervan uitgaat dat de verdenking tegen [betrokkene 1] en niet tegen eiseressen was gericht.

2.3. In hoger beroep (grief II) hebben eiseressen bezwaren geuit tegen het oordeel van de rechtbank, dat inhield dat uit het strafvorderlijk onderzoek niet is gebleken dat de verdenking op grond waarvan de huiszoeking plaatsvond ten onrechte heeft bestaan. Het hof heeft het pleidooi kennelijk zó begrepen, dat eiseressen alsnog als grief wilden aanvoeren dat van meet af aan geen redelijke verdenking van schuld aan een strafbaar feit heeft bestaan. Met andere woorden: dat zij alsnog wilden opkomen tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de wettelijke voorwaarden voor een huiszoeking was voldaan. Dat viel buiten het bereik van de grieven. Om deze reden is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 6 het desbetreffende betoog heeft beschouwd als een nieuwe grief.

2.4. Met het oog op de subsidiaire klacht van onderdeel 1 en de daarop volgende middelonderdelen, verdient opmerking dat - anders dan een dwangmiddel dat uitsluitend tegen verdachten mag worden toegepast, zoals preventieve hechtenis - een huiszoeking ter inbeslagneming mag worden gehouden op iedere plaats die in de last wordt aangewezen, dus ook op het adres van iemand die geen verdachte is. Zo'n werking tegen derden komt vaker voor. Ik noem, ter vergelijking, de last tot binnentreden van een woning ter fine van aanhouding van een verdachte (art. 55 jo. 121 (oud) Sv): die last kan worden gegeven ten aanzien van elke woning ten aanzien waarvan vermoed wordt dat de aan te houden verdachte zich daar bevindt. Voor het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek is weliswaar vereist dat het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd, maar is niet vereist dat de verdenking tegen een bepaalde persoon is gerezen (zie art. 149 en art. 181 Sv; ik spreek telkens over de wettekst zoals die in juli 1992 gold). In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek kan de rechter-commissaris, met verlof van de rechtbank(6), ter inbeslagneming huiszoeking verrichten op de plaatsen die in het verlof zijn aangewezen. Dat behoeft niet de woning van de verdachte zelf te zijn. Voor de rechtmatigheid van de huiszoeking was dus niet beslissend of eiseressen zelf verdacht werden, noch of een tegen hen bestaande verdenking terecht was. Huiszoeking ter inbeslagneming kan worden gedaan op plaatsen waar vermoed wordt dat zich voorwerpen bevinden die vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor inbeslagneming vatbaar zijn o.m. de voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen (art. 94 Sv). Degene in wiens woning of bedrijfsruimte huiszoeking wordt gehouden, heeft de huiszoeking te dulden. Een grond voor evt. schadevergoeding moet dus ergens anders worden gezocht.

2.5. Juist is 's hofs constatering in rov. 12: dat een derde (niet verdachte in het gerechtelijk vooronderzoek) enige overlast als gevolg van het onderzoek van de rechter-commissaris heeft te dulden. Dat de overlast onevenredig zou zijn is niet gesteld. De motiveringsklacht aan het slot van onderdeel 1 faalt.

2.6. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 10. Bij onderdeel 2 hebben eiseressen geen belang. Wanneer eiseressen niet worden aangemerkt als verdachte, of wanneer eiseressen ten onrechte zouden zijn aangemerkt als verdachte (ter zake van een ander strafbaar feit dan dat waarvan [betrokkene 1] werd verdacht), wil dat niet zeggen dat de huiszoeking onrechtmatig is geweest. Wanneer eiseressen van mening zijn dat uit anderen hoofde de huiszoeking jegens hen onrechtmatig is(7), rust op hen de stelplicht te dier zake. Om dezelfde reden missen eiseressen belang bij onderdeel 6.

2.7. De overige onderdelen van het cassatiemiddel hebben betrekking op de verwerping van grief I. Deze grief doelde op de subsidiaire grondslag, te weten de stelling dat de huiszoeking is uitgevoerd op een zodanige wijze dat nodeloos schade aan eiseressen werd toegebracht. Dat het nodeloos toebrengen van schade bij gelegenheid van een op zichzelf rechtmatige ambtsverrichting onrechtmatig kan zijn is reeds in de rechtspraak aanvaard(8). In rov. 12 hanteert het hof dienovereenkomstig het criterium "disproportionaliteit".

2.8. In rov. 12 overweegt het hof dat in het onderhavige geval de huiszoeking niet disproportioneel of onnodig blokkerend is uitgevoerd. Het hof heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat de huiszoeking heeft geduurd van 8.00 tot 13.30 uur en zich heeft beperkt tot de kamers van de directeuren [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Het hof heeft hieruit en uit de door eiseressen overgelegde verklaringen van werknemers opgemaakt dat de werkzaamheden binnen het bedrijf niet volledig werden geblokkeerd als gevolg van de huiszoeking. Het hof noemt als voorbeeld dat inkomende telefoongesprekken onder toezicht wel mogelijk bleven. Ook heeft het hof overwogen dat een minder ver strekkend middel dan huiszoeking "niet goed denkbaar was nu het er bij de huiszoeking (onder meer) om ging de door [betrokkene 2] desgevraagd aan de fiscus verstrekte gegevens te verifiëren aan de hand van haar eigen boekhouding". In rov. 14 heeft het hof het bewijsaanbod van eiseressen als niet ter zake dienende gepasseerd.

2.9. Onderdeel 3 klaagt dat het hof niet had mogen voorbijgaan aan het bewijsaanbod. Volgens het onderdeel hebben eiseressen aangeboden met getuigen te bewijzen dat de huiszoeking het werken van het personeel en van de twee directeuren onmogelijk heeft gemaakt.

2.10. Het passeren van het bewijsaanbod door het hof is te verklaren. Het hof verstaat onder "onnodig blokkeren" iets anders dan eiseressen daaronder hebben verstaan. In de visie van eiseressen(9) was het niet nodig bij hen huiszoeking te doen. Eiseressen hebben in dit verband aangevoerd dat zij al eerder antwoord hadden gegeven op vragen over de desbetreffende grondtransactie en dat voor de justitiële autoriteiten er geen reden was om aan te nemen dat zij nadere vragen niet zouden beantwoorden. Zij stelden dat de justitiële autoriteiten bij het onderzoek in een gelieerd bedrijf hebben volstaan met het stellen van vragen, waarop toen antwoord is gegeven, en met het opvragen van documenten, welke toen zijn afgegeven. Zij zijn van mening dat de rechter-commissaris ook jegens hen hiermee had kunnen volstaan. Hiertegenover stond in appel de visie van de Staat, inhoudende dat het "bevriezen" van de situatie ter plaatse tijdens de huiszoeking nodig was om te voorkómen dat bewijsmateriaal werd weggemaakt. De rechter-commissaris had krachtens art. 125 (oud) Sv de bevoegdheid om de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting te nemen en om te bevelen dat niemand zich zonder zijn toestemming van de plaats van de huiszoeking zou verwijderen zolang het onderzoek aldaar niet was afgelopen(10).

2.11. Uit rov. 11 blijkt dat het hof het hier bedoelde standpunt van eiseressen onder ogen heeft gezien. In rov. 12 heeft het hof het standpunt van eiseressen verworpen. Gelet op het debat in appel en de nadruk die het hof aan het slot van rov. 12 op het doel van de huiszoeking legt, ligt in 's hofs oordeel besloten dat het doel van de huiszoeking (het verifiëren van de eerder verschafte informatie aan de hand van de boekhouding) het "bevriezen" van de situatie ter plaatse tijdens de huiszoeking rechtvaardigde. Met andere woorden: er moest gezorgd worden dat geen wijzigingen in de boekhouding konden worden aangebracht vóórdat de justitiële autoriteiten daarvan kennis namen. In de zienswijze van het hof is de gestelde stagnatieschade dus niet nodeloos toegebracht, maar is het "bevriezen" van de situatie inherent aan de (op zichzelf rechtmatige) huiszoeking. Het aanbod te bewijzen dat de huiszoeking het werken van het personeel en van de twee directeuren onmogelijk heeft gemaakt was in de redenering van het hof niet doeltreffend: indien het bewijs geleverd zou worden zou de schade niet voor vergoeding in aanmerking komen. Onderdeel 3 faalt.

2.12. Met het oog op mogelijke precedentwerking merk ik nog op dat de grenslijn tussen inherente schade en nodeloos toegebrachte schade dun kan zijn. Zo is in een casus als de onderhavige voorstelbaar dat, wanneer - rekening houdend met het belang van het onderzoek(11) - met het beschikbare personeel een grondige huiszoeking ter inbeslagneming in redelijkheid behoort te zijn voltooid binnen zes uren en de situatie ter plaatse gedurende bijv. twaalf uren zou worden "bevroren", met alle stagnatieschade voor het bedrijf van dien, de burgerlijke rechter de laatste zes uren als "nodeloos" toegebrachte schade aanmerkt. Klaarblijkelijk heeft het hof wel naar dit aspect gekeken (vandaar de vermelding in rov. 12 van de duur van de huiszoeking), maar uit de stellingen van eiseressen niet opgemaakt dat de huiszoeking nodeloos lang heeft geduurd of nodeloos uitgebreid is geweest.

2.13. Onderdeel 4 richt zich tegen de vaststelling in rov. 12 dat de huiszoeking zich heeft beperkt tot de kamers van de directeuren [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Het onderdeel noemt deze vaststelling onbegrijpelijk omdat uit het proces-verbaal van de huiszoeking blijkt dat ook elders in het kantoor documenten in beslag zijn genomen. Dit laatste is feitelijk juist, maar het argument is niet doeltreffend. Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg, blz. 3, heeft de Staat gesteld dat de huiszoeking zich beperkte tot de kamers van de directeuren [betrokkene 2] en [betrokkene 3]; ten aanzien van de andere ruimten in het kantoor was sprake van vrijwillige afgifte van de gezochte documenten, die vervolgens in beslag zijn genomen. Deze stelling is door eiseressen niet tegengesproken. Voor zover eiseressen bedoelen dat de huiszoeking in de kamers van de twee directeuren heeft geleid tot stagnatieschade welke ook daarbuiten gevolgen had (telefoon- en computerblokkade), geldt dat het hof dit gevolg van de huiszoeking wel heeft onderkend maar heeft beschouwd als een daaraan inherente en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komende schade. Onderdeel 4 leidt niet tot cassatie.

2.14. Onderdeel 5 richt zich tegen het oordeel in rov. 12 dat een minder verstrekkend middel dan huiszoeking niet goed denkbaar was, nu het er bij de huiszoeking (onder meer) om ging de door [betrokkene 2] desgevraagd aan de fiscus verstrekte gegevens te verifiëren aan de hand van haar eigen boekhouding. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat een huiszoeking in het kader van het vooronderzoek tegen [betrokkene 1] niet kan en mag dienen ter verificatie van mededelingen van [betrokkene 2] aan de fiscus.

2.15. De klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv omdat in het onderdeel niet wordt aangegeven met welke rechtsregel het bestreden oordeel in strijd zou zijn. Ook onderdeel 5 leidt daarom niet tot cassatie.

2.16. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Rov. 1 en 2, in verbinding met het rechtbankvonnis onder 1.1 en 1.2.

2 Te beginnen met HR 26 januari 1990, NJ 1990, 794 m.nt. CJHB; van de latere arresten noem ik slechts HR 12 juli 1998, NJ 1999, 99 m.nt. ARB en HR 21 april 2001, NJ 2001, 143, met verdere literatuur- en jurisprudentieverwijzingen in de daaraan voorafgaande conclusies.

3 Het arrest van 30 maart 2001 is besproken door P.C. Knijp in NbBW 2001 blz. 91 e.v.; B.P.M. van Ravels in AV&S 2001 blz. 156 e.v.; G.E. van Maanen in TVP 2001 blz. 38 e.v.; R.J.N. Schlössels in JB 2001, 107; Th. G. Drupsteen in AB 2001, 412; L.J.A. Damen in AA 2001, blz. 657 e.v.; C.H. Sieburgh in WPNR 6473. Zie ook: Nat. Ombudsman 6 april 2001, AB 2001, 179 m.nt. PJS. Kritisch over het arrest van 30 maart 2001 is H.Ph.J.A.M. Hennekens in zijn noot in Gst. 7143 en in: Overheidsaansprakelijkheid op de weegschaal, afscheidsrede 2001, blz. 51 e.v. Het zwaartepunt van zijn kritiek is, dat het evenredigheidsbeginsel thuis hoort in de afweging of het besluit van een bestuursorgaan, rekening houdend met de bij dat besluit betrokken belangen, in een redelijke verhouding staat tot het met dat besluit te bereiken doel. De civiele rechter zou z.i. hoogstens de beslissing van de rechtbank tot het verlenen van verlof voor de huiszoeking kunnen toetsen. Ik acht de onderhavige zaak niet geschikt om een nadere beslissing op dit punt uit te lokken; de stellingen van partijen zijn daarop niet toegesneden.

4 Pleitnota blz. 2 e.v. (" Ad A: Geen redelijk vermoeden van overtreding van een strafbaar feit").

5 Vaste rechtspraak; zie Snijders/Wendels, Civiel appel (1999) nr. 208; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nr. 28.

6 Zie art. 111 (oud) Sv. Bij wet van 27 mei 1999, Stb. 243, zijn deze artikelen vervallen. In het huidige art. 110 Sv wordt voor een huiszoeking door de R-C geen verlof van de rechtbank meer vereist.

7 Dat zou kunnen zijn het nodeloos toebrengen van schade (dat is de subsidiaire grondslag van de vordering, waarover nader in alinea 2.7 e.v.), een beroep op misbruik van bevoegdheid of de stelling dat de onrechtmatigheid gelegen is in het toebrengen van onevenredige schade (HR 30 april 2001, RvdW 2001, 71, rov. 3.8).

8 HR 23 december 1994, NJ 1995, 512 m.nt. C (rov. 4.3); HR 12 juni 1998, NJ 1999, 99 (rov. 3.9).

9 Zie de toelichting van eiseressen op grief I.

10 Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris (prod. bij CvE) blijkt dat de R-C van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. In de strafrechtspraktijk spreekt men van het "bevriezen" van de situatie ter plaatse.

11 In de praktijk wordt in grote onderzoeken dikwijls op meerdere plaatsen gelijktijdig huiszoeking gehouden; de timing van de huiszoekingen wordt daarop afgestemd.