Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1536

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
C00/284HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 341
NJ 2002, 481
JWB 2002/220

Conclusie

C00/284

Mr. Keus

Zitting 22 maart 2002

Conclusie inzake:

Royal Nederland Schadeverzekering N.V.

tegen

[Verweerster]

1. Feiten en procesverloop

1.1 In deze zaak heeft een aannemersbedrijf (verweerster in cassatie, hierna: [verweerster]) haar aansprakelijkheidsverzekeraar (eiseres tot cassatie, hierna: Royal Nederland) in vrijwaring opgeroepen. [Verweerster] was aansprakelijk gesteld voor de schadelijke gevolgen van een brand in een appartement aan het [adres] te [plaats]. In het voormalige pakhuis aan het [adres] had [verweerster] vier appartementen gerealiseerd. In het appartement waarin de brand is uitgebroken, had [verweerster], naar achteraf bleek op ondeugdelijke wijze, een open haard ingebouwd. Na het stoken van deze open haard is in de nacht van 16 op 17 april 1994 brand uitgebroken, waardoor schade aan opstal en inboedel is ontstaan. De brandverzekeraar van de eigenaar van het appartement en van de Vereniging van Eigenaren heeft de schade vergoed en regres genomen op [verweerster]. Royal Nederland heeft dekking onder haar AVB-polis geweigerd, waarop zij door [verweerster] in vrijwaring is opgeroepen. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 juni 1997 is [verweerster] veroordeeld om aan [betrokkene](1) te betalen een bedrag van f 271.435,13 met wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994 tot aan de dag der voldoening en met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.(2)

1.2 Tussen partijen is in geschil of en in hoeverre de onderhavige schade valt onder de "vervangingskostenclausule" uit de polisvoorwaarden en of zij valt onder het verhoogde eigen risico, kenbaar uit het polisblad. De relevante bepalingen luiden als volgt:

Polisblad:

"Verzekerd bedrag per gebeurtenis f. 5.000.000,--

Eigen risico per gebeurtenis f. 20.000,--

(...)

Verzekeraars vergoeden per verzekeringsjaar wegens schade in dat jaar ontstaan tengevolge van zaken die door

of onder verantwoordelijkheid van verzekerden zijn geleverd - met inachtneming van het hierbovengenoemd verzekerd bedrag per gebeurtenis - ten hoogste f. 10.000.000,-- Voor deze schaden geldt een eigen risico per gebeurtenis

van f. 250.000,--"

Polisvoorwaarden:

"10. Vervanging van een ondeugdelijke prestatie

10.1 Niet gedekt zijn aanspraken strekkende tot:

- verbetering, herstelling of vervanging van zaken die door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde zijn geleverd;

- het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van door of onder verantwoordelijkheid van de verzekerde niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden,dan wel tot enige andere prestatie die hiervoor in de plaats treedt.

10.2 Voorts zijn uitgesloten aanspraken strekkende tot vergoeding van de schade wegens het niet of niet naar behoren gebruik kunnen maken van de desbetreffende zaken en/of werkzaamheden, ongeacht door wie de kosten zijn gemaakt of de schade is geleden.

10.3 Wordt door zaken, die door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde zijn geleverd, schade toegebracht aan andere, eveneens door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde geleverde zaken, dan worden door de in art. 10.1 en 10.2 genoemde uitsluitingen slechts die zaken getroffen, waarin de oorzaak van de schade is gelegen. De uitsluitingen worden echter onverkort toegepast, indien beide categorieën zaken tot één en dezelfde transactie behoren.

10.4 De regels volgens art. 10.3 vinden gelijke toepassing bij schadetoebrenging door werkzaamheden, die door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde zijn uitgevoerd."

1.3 [Verweerster] heeft jegens Royal Nederland voor de rechtbank Den Haag, na wijziging van eis, een verklaring voor recht gevorderd dat voor de schade niet een eigen risico geldt van f 250.000,-- maar van f 20.000,-- . Voorts heeft [verweerster] betaling van 35%(3) van het door haar te betalen totaalbedrag (waarop het eigen risico in aftrek komt) gevorderd, met de gebruikelijke nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vordering bij vonnis van 3 juni 1998 grotendeels toegewezen, zij het dat de rechtbank het door Royal Nederland aan [verweerster] te vergoeden rentebestanddeel van het door [verweerster] aan [betrokkene] verschuldigde totaalbedrag op een andere dan de door [verweerster] aan haar vordering ten grondslag gelegde wijze heeft vastgesteld.(4)

1.4 Royal Nederland heeft van het vonnis van de rechtbank geappelleerd. Bij arrest van 27 juni 2000 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. Ook het hof, opnieuw rechtdoende in hoger beroep, heeft de vordering vervolgens echter grotendeels toegewezen. Het hof oordeelde dat slechts de kosten van het vernieuwen van de open haard en het schoorsteenkanaal van dekking zijn uitgesloten (rov. 24). Voorts oordeelde ook het hof een eigen risico van f 20.000,- (en niet van f 250.000,-) van toepassing (rov. 30).

1.5 Royal Nederland heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Haar cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. [Verweerster] heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten. [Verweerster] heeft nog gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

2.1 In deze zaak gaat het om de uitleg van de bovengeciteerde "vervangingskostenclausule" (art. 10 van de polisvoorwaarden V912), die bepaalde aanspraken van dekking onder de polis uitsluit, en om de vraag of het verhoogde eigen risico (zie het polisblad) al dan niet van toepassing is. In eerste aanleg hebben partijen vooral over de toepasselijkheid van het verhoogde eigen risico gedebatteerd; in appel voegde Royal Nederland aan haar verweer een beroep op art. 10 van de polisvoorwaarden toe. In cassatie ligt het zwaartepunt op klachten tegen de uitleg die het hof aan de "vervangingskostenclausule" heeft gegeven.

2.2 Ik vat de door het hof gegeven uitleg van de "vervangingskostenclausule" als volgt samen. De basis van de clausule is art. 10.1, dat ertoe strekt van dekking uit te sluiten kosten tot vervanging van een ondeugdelijke prestatie, dat wil zeggen, "verbetering, herstelling of vervanging van zaken, die door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde zijn geleverd" of "het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van door of onder verantwoordelijkheid van de verzekerde niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden". Art. 10.3 en 10.4 zien vervolgens op de situatie dat door dergelijke zaken of werkzaamheden schade aan andere door verzekerde geleverde zaken of uitgevoerde werkzaamheden ontstaat. In een dergelijke situatie worden, in beginsel, slechts die zaken of werkzaamheden waarin de oorzaak van de schade is gelegen, van dekking uitgesloten. De schade aan de overige getroffen zaken of werkzaamheden is in beginsel wèl gedekt. Tenzij, zo bepaalt art. 10.3, beide categorieën (d.w.z. de zaken of werkzaamheden waarin de oorzaak van de schade ligt en de overige door de verzekerde geleverde zaken of uitgevoerde werkzaamheden), tot één en dezelfde transactie behoren.

2.3 Bij de uitleg van de tweede volzin van art. 10.3: "De uitsluitingen worden echter onverkort toegepast, indien beide categorieën zaken tot één en dezelfde transactie behoren", is het hof met een vondst gekomen. Royal Nederland had betoogd dat deze volzin betekent dat als door de ondeugdelijkheid van bepaalde uitgevoerde werkzaamheden schade ontstaat, waardoor ook andere - door verzekerde bij dezelfde transactie verrichte - werkzaamheden opnieuw moeten worden uitgevoerd, de kosten van het opnieuw uitvoeren van die andere werkzaamheden niet zijn gedekt, ongeacht of die andere werkzaamheden oorspronkelijk wel of niet naar behoren waren uitgevoerd. (5) [verweerster] heeft zich tegen dat betoog wel verzet, maar niet heel duidelijk met het argument dat de krachtens art. 10.3 toepasselijke uitsluiting van art. 10.1 zich tot niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden beperkt.(6) Het hof heeft echter beslist dat in een dergelijk geval van dekking slechts zijn uitgesloten de kosten van het opnieuw uitvoeren van andere, niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden, ook al lag daarin niet de oorzaak van de schade. Daarmee sluit het hof vrij letterlijk aan bij de tekst van art. 10.1, voorzover deze op werkzaamheden ziet. De kosten van het opnieuw uitvoeren van wel naar behoren verrichte werkzaamheden, vallen naar het oordeel van het hof dus hoe dan ook onder de dekking van de polis.(7) Daarnaast heeft het hof (in de rov. 21-24) geoordeeld dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan een verdergaand beroep van Royal Nederland op art. 10.3 (tweede volzin) (de één-transactie-bepaling) in de weg staan.

2.4 Onderdeel 1 voert tegen 's hofs uitleg van art. 10 een tweetal motiveringsklachten aan, waarop ook in onderdeel 2 wordt voortgebouwd. Onderdeel 2 voert voorts klachten aan tegen het oordeel dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan een verdergaand beroep op art. 10.3 (tweede volzin) in de weg staan.

2.5 Alvorens de klachten te bespreken, merk ik op dat de aangevochten uitspraak naar mijn mening op twee zelfstandig dragende gronden is gebaseerd. De eerste grond is dat de in dit geval onverkort geldende uitsluiting van artikel 10.1 (slechts) ziet op niet naar behoren door of onder verantwoordelijkheid van de verzekerde uitgevoerde werkzaamheden en dat daarom alleen de kosten van herstel van de open haard en het schoorsteenkanaal van dekking zijn uitgesloten. De tweede grond is het oordeel dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan een verdergaand beroep van Royal Nederland op art. 10.3 (tweede volzin) in de weg staan. Dat leidt ertoe dat het arrest slechts zal kunnen worden vernietigd, indien de klachten tegen beide gronden slagen. Indien immers slechts de klachten tegen één van die gronden slagen, moet de uitspraak op de andere grond in stand blijven. Royal Nederland heeft dan ook slechts belang bij de klachten tegen het oordeel over wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, indien haar klachten over de uitleg van art. 10.1 slagen, en andersom.

2.6 Voorts merk ik, meer in het algemeen, nog op, dat de uitleg van verzekeringsovereenkomsten, evenals de uitleg van andere overeenkomsten, volgens vaste rechtspraak van feitelijke aard is. Rechterlijke oordelen daarover kunnen daarom in cassatie in beginsel slechts op begrijpelijkheid en motivering worden getoetst.(8) Dat neemt niet weg dat de Hoge Raad zich wel degelijk zelf over de strekking van bepaalde veel voorkomende polisclausules heeft uitgelaten. Zie bijvoorbeeld HR 6 november 1998, NJ 1999, 220 m.nt. MMM, rov. 3.4, over de opzetclausule, waarin de Hoge Raad zelfs met zoveel woorden overweegt dat 's hofs op uitleg van de opzetclausule berustende oordelen omtrent de reikwijdte van die clausule geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.(9)

Anders dan over de "opzetclausule" is over de "vervangingskostenclausule" weinig rechtspraak en literatuur voorhanden. In de jurisprudentie is de "vervangingskostenclausule" aan de orde geweest in de zaak die heeft geleid tot HR 19 januari 1996, NJ 1996, 709 m.nt. HJS, overigens zonder dat de uitleg van de clausule in cassatie onderwerp van geschil vormde. In de literatuur is de belangrijkste bron J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, 1994.(10) Uit dit werk blijkt dat de clausule waarom het in deze zaak gaat, is ontleend aan een zgn. "makelaarspolis".(11) "Makelaarspolissen" zijn door de makelaars opgestelde formulieren waarover met assuradeuren overleg heeft plaatsgevonden en die in het beursbedrijf worden gehanteerd.(12) Wansink ziet de ratio van de "vervangingskostenclausule" in het zogenaamde "ondernemersrisico". De ondernemer dient zelf in te staan voor de deugdelijkheid van zijn producten en diensten. Voldoen die niet, dan dienen de kosten van vervanging, verbetering of herstel door hem zelf te worden gedragen. Zou dit anders zijn en zouden de bedoelde kosten via polisdekking op het collectief van verzekerden kunnen worden afgewenteld, dan zouden de "goede" ondernemers met de door hen betaalde premies de "slechte" ondernemers sponsoren.(13) Ook het hof heeft geoordeeld dat dit de ratio van de "vervangingskostenclausule" is (rov. 6).

Onderdeel 1

2.7 Onderdeel 1 is gericht tegen de beslissingen, vervat in rov. 10, laatste volzin, rov. 21, tweede volzin en rov. 24, eerste volzin, aanhef.

2.8 Subonderdeel 1.1 klaagt dat de in die overwegingen vervatte weergave en toepassing van art. 10.1 in het licht van de weergave daarvan in rov. 7, 8 en 10 (eerste volzin) en de tekst van die bepaling, onbegrijpelijk is. Art. 10.1 spreekt immers niet alleen van "niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden", doch ook van aanspraken tot "verbetering, herstelling en vervanging van zaken die door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde zijn geleverd", zodat onbegrijpelijk is waarom het hof bij de bestreden beslissingen over de werking en toepassing van art. 10.1 slechts één van beide genoemde uitsluitingen op het oog heeft gehad.

In rov. 14 en 15 heeft het hof, mede naar aanleiding van vaststellingen van de rechtbank die in hoger beroep niet waren bestreden, geoordeeld dat de gebrekkige prestatie van [verweerster] was gelegen in het niet naar behoren inbouwen van de open haard, en dat de karakteristieke prestatie bestond uit het verrichten van werkzaamheden en niet uit het leveren van zaken. De oorzaak van de schade lag in de gedachtegang van het hof dus in niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden. Voorts heeft het hof in rov. 16 geoordeeld dat de schadelijke gevolgen van de brand, voor zover het herstel- of vervangingskosten betreft, alle zien op door of onder verantwoordelijkheid van [verweerster] uitgevoerde werkzaamheden. In de - in zoverre cassatie niet bestreden - gedachtegang van het hof waren, zowel wat betreft de oorzaak, als wat betreft de schadelijke gevolgen van de brand, slechts "werkzaamheden" in de zin van de "vervangingskostenclausule" aan de orde. Tegen deze achtergrond is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof zich heeft beperkt tot een uitleg van de "vervangingskostenclausule", voor zover deze op "niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden" betrekking heeft.

2.9 Subonderdeel 1.2 klaagt dat zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet duidelijk is waarom (in het geval van art. 10.3 van de polisvoorwaarden) niet ook voor zaken een tot ondeugdelijke zaken beperkte uitsluiting zou gelden en hoe het hof zich de werking van art. 10.4 van de polisvoorwaarden bij zijn uitleg van art. 10.1 in samenhang met art. 10.3 (tweede volzin) heeft voorgesteld.

In het bestreden arrest heeft het hof zich niet uitgelaten over de reikwijdte van de voor zaken geldende uitsluiting in het geval van art. 10.3 van de polisvoorwaarden. Dat de uitsluiting van dekking in dat geval niet tot ondeugdelijke zaken zou zijn beperkt, is door het hof - anders dan het subonderdeel kennelijk vooronderstelt - niet beslist. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Overigens was er voor het hof ook geen aanleiding om over de reikwijdte van de uitsluiting ten aanzien van geleverde zaken te beslissen. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, hingen volgens de vaststellingen van het hof zowel de oorzaak als de schadelijke gevolgen van de brand slechts met uitgevoerde werkzaamheden samen.

Het subonderdeel mist evenzeer feitelijke grondslag, voor zover daaraan ten grondslag zou liggen dat het hof niet over de betekenis van art. 10.4 van de polisvoorwaarden ten aanzien van uitgevoerde werkzaamheden heeft beslist. Hoe het hof zich de toepassing van die bepaling ten aanzien van uitgevoerde werkzaamheden voorstelt, blijkt uit de rov. 9 en 10.

2.10 Men kan in het subonderdeel ook de klacht lezen dat het hof niet voor een bepaalde uitleg van art. 10.1 van de polisvoorwaarden kon kiezen, dan na zich ten volle rekenschap te hebben gegeven, zowel van eventuele, uit die uitleg voortvloeiende verschillen tussen het voor uitgevoerde werkzaamheden en voor geleverde zaken geldende regime, als van de bij die uitleg nog resterende functie van art. 10.4 van de polisvoorwaarden. De uitleg die het hof aan art. 10 heeft gegeven zonder zich van een en ander rekenschap te hebben gegeven, is volgens het subonderdeel, indien dit wordt opgevat zoals hiervoor bedoeld, onbegrijpelijk.

Daargelaten dat men aan de uitleg van contractuele bepalingen in het algemeen niet de eis mag stellen, dat daarbij alle consequenties van de in aanmerking komende interpretaties worden betrokken, meen ik dat eventuele verschillen tussen het voor uitgevoerde werkzaamheden en geleverde zaken geldende regime veeleer in de polisvoorwaarden zelf dan in de aangevochten uitleg besloten liggen. Art. 10.1 van de polisvoorwaarden bepaalt immers niet (althans niet met zoveel woorden) dat slechts verbetering, herstelling of vervanging van ondeugdelijke zaken is uitgesloten, maar bepaalt wèl uitdrukkelijk dat slechts het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden is uitgesloten. Het hof mocht dit verschil in redactie in de polisvoorwaarden in het voordeel van de verzekerde keren, door te kiezen voor een uitleg die bij de tekst van de clausule aansluit en overigens ook strookt met de door het hof vastgestelde - en in cassatie onbestreden - strekking van de betrokken clausule (rov. 6 en 22).(14) Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

Ik acht het aangevochten oordeel evenmin onbegrijpelijk in het licht van de consequenties daarvan voor de betekenis van art. 10.4 van de polisvoorwaarden. In het subonderdeel ligt het standpunt besloten (en in de schriftelijke toelichting op onderdeel 1 en de subonderdelen 2.3.1. en 2.3.2. is nader beargumenteerd) dat, "wil art. 10.3 (eerste en tweede volzin) in samenhang met art. 10.4 enige redelijke zin hebben, dan moet men art. 10.1 voor wat betreft werkzaamheden, zo lezen, dat de woorden "niet naar behoren" niet zijn geschreven en dat daar dus dezelfde tekst staat als die van art. 10.4".(15) Dat de door het hof gekozen uitleg iedere redelijke zin aan de art. 10.3 en 10.4 van de polisvoorwaarden zou ontnemen, kan ik niet onderschrijven. Ook wanneer men - zoals het hof - bij de uitleg van art. 10.3 en 10.4 in verband met uitgevoerde werkzaamheden van de bijstelling "niet naar behoren" uitgaat, behouden deze bepalingen reële betekenis. Naast het geval dat niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden schade toebrengen aan andere bij dezelfde transactie uitgevoerde werkzaamheden die evenmin naar behoren waren uitgevoerd (maar waarin de oorzaak van de schade niet lag), denke men aan het geval dat in verband met door uitgevoerde werkzaamheden toegebrachte schade verbetering, herstel of vervanging van bij dezelfde transactie behorende zaken geboden is. In de door het hof gekozen uitleg leiden de art. 10.3 en 10.4 ertoe, dat niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden niet steeds van dekking zijn uitgesloten, maar van de krachtens art. 10.1 geldende uitsluiting zijn uitgezonderd, voor zover daarin niet de schadeoorzaak is gelegen en zij niet tot dezelfde transactie als de schadetoebrengende werkzaamheden behoren. Voorts zou aan art. 10.4 van de polisvoorwaarden ook betekenis kunnen toekomen in het geval dat de door werkzaamheden toegebrachte schade (mede) in geleverde zaken tot uitdrukking komt.

Men kan zich nog afvragen of de hiervoor bedoelde betekenis van de art. 10.3 en 10.4 van de polisvoorwaarden ook de "redelijke zin" is die verzekeraars en makelaars aan de "vervangingskostenclausule" wilden toekennen. Welke zin in de branche (makelaars, verzekeraars) aan de "vervangingskostenclausule" wordt toegekend, is bij de uitleg daarvan immers niet zonder betekenis.(16) In het cassatiemiddel zelf wordt echter niet geklaagd dat het hof bij de uitleg van art. 10 is voorbij gegaan aan (stellingen over) de in de branche gebruikelijke uitleg en dat het bestreden oordeel dáárom onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Voor zover een klacht van die strekking al in de schriftelijke toelichting zou zijn te lezen, is zij dat in het cassatiemiddel in elk geval niet.

Onderdeel 2

2.11 Onderdeel 2 valt eveneens in verschillende subonderdelen uiteen. Het onderdeel richt zich met name tegen rov. 24 en 25, waarin het hof, kort gezegd, heeft geoordeeld dat maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat alleen de kosten van het vernieuwen van de open haard en het schoorsteenkanaal van dekking worden uitgesloten (rov. 24) en dat van een verhoogd eigen risico ten bedrage van ƒ 250.000,-- geen sprake kan zijn, nu de schade geen gevolg is van geleverde zaken (rov. 25).

2.12 Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel alleen dan niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat tot die omstandigheden niet (uitsluitend) een àndere tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel kan worden gerekend, zonder dat is vastgesteld op grond van welke omstandigheden deze andere regel het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt dat aan de eerdere regel gelding toekomt. Subonderdeel 2.2 klaagt vervolgens - kennelijk subsidiair - dat het hof ten onrechte niet heeft aangegeven welke omstandigheden meebrengen dat het beroep van Royal Nederland op de clausule van art. 10.3 (tweede volzin) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.13 Ik merk nogmaals (zie hiervoor nr. 2.5) op dat Royal Nederland bij deze klachten alleen belang heeft indien de motiveringsklachten van onderdeel 1 slagen.

2.14 De subonderdelen 2.1 en 2.2 gaan ervan uit dat het hof zijn oordeel over wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze met zich brengen, uitsluitend heeft gebaseerd op art. 10.1 enerzijds en de oorzaak van de schade anderzijds. In zoverre missen beide subonderdelen feitelijke grondslag. De overweging van het hof in rov. 24 moet immers worden gelezen tegen de achtergrond van rov. 22 en 23. Daarin heeft het hof geoordeeld dat de ratio van de "één-transactie-bepaling" ligt in het feit dat het vaak moeilijk is te bepalen wat als de oorzaak van de schade moet worden aangemerkt, wanneer de in het kader van de transactie (wèl of niet naar behoren) uitgevoerde werkzaamheden zich niet goed van elkaar laten onderscheiden. In het gegeven geval doet dit probleem, dat de ratio van de "één-transactie-bepaling" vormt, zich volgens het hof echter niet voor. Naarmate de schadetoebrengende werkzaamheden zich nauwkeuriger laten bepalen, is er (in de kennelijke gedachtegang van het hof), minder aanleiding andere dan de schadetoebrengende werkzaamheden onder de uitsluiting te brengen. Aldus heeft het hof zijn oordeel niet (uitsluitend) op de bepaling van art. 10.1 van de polisvoorwaarden en de schadeoorzaak gebaseerd. Het hof heeft aan zijn oordeel (mede) ten grondslag gelegd dat de schadetoebrengende werkzaamheden zich in het gegeven geval zeer wel van de andere tot de betrokken transactie behorende werkzaamheden laten onderscheiden.(17) Ook daarom kunnen beide subonderdelen naar mijn mening niet tot cassatie leiden.

2.15 Subonderdeel 2.3.1 kan niet tot cassatie leiden, omdat het is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof zou hebben geoordeeld dat de algemene clausule van art. 10.1 alleen de door het hof bedoelde werkzaamheden van dekking uitsluit en niet ook aanspraken strekkende tot verbetering, herstelling of vervanging van zaken die door of onder verantwoordelijkheid van verzekerde zijn geleverd. Deze veronderstelling is echter onjuist. Het hof heeft niet geoordeeld over de reikwijdte van art. 10.1 in verband met geleverde zaken. Dat hoefde het hof ook niet, aangezien het in rov. 16 - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld dat de tot de opstalschade behorende herstel- en vervangingskosten alle door of onder verantwoordelijkheid van [verweerster] uitgevoerde werkzaamheden betreffen.

2.16 Subonderdeel 2.3.2 klaagt - althans zo begrijp ik dit subonderdeel - dat als het hof mocht hebben geoordeeld dat de door [verweerster] te leveren prestatie bestond uit het verrichten van werkzaamheden en niet uit het leveren van zaken en dat om die reden alleen de in art. 10.1 genoemde uitsluiting met betrekking tot "niet naar behoren verrichte werkzaamheden" van belang is, die gedachtegang zonder nadere redengeving, die evenwel ontbreekt, niet begrijpelijk is. Het subonderdeel voert aan, dat ingevolge art. 10.4 voor de toepassing van art. 10.3 (eerste en tweede volzin) geleverde zaken met uitgevoerde werkzaamheden worden gelijkgesteld, dat art. 10.3 (tweede volzin) aan "beide categorieën" bedoeld in de eerste volzin refereert en dat de eerste volzin mede betrekking heeft op werkzaamheden die door de in art. 10.1 en 10.2 genoemde uitsluitingen worden getroffen, zodat niet duidelijk is waarom de algemene "vervangingskostenclausule" van art. 10.1 niet mede op de andere, in de rov. 17-19 bedoelde werkzaamheden betrekking heeft.

Zoals hiervoor al bij de behandeling van onderdeel 1 is besproken, komt het oordeel van het hof erop neer dat bij de verbouwing van het appartement sprake was van één transactie, dat derhalve krachtens art. 10.3 (tweede volzin) jo 10.4 de uitsluitingen van art. 10.1 en 10.2 onverkort dienen te worden toegepast en dat in casu de uitsluiting van "het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van door of onder verantwoordelijkheid van de verzekerde niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden" (art. 10.1, tweede gedachtestreepje) relevant is.

De voor Royal Nederland problematische beperking van de uitsluiting tot het geheel of gedeeltelijk opnieuw uitvoeren van niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden, vindt haar grond in de bewoordingen van art. 10.1, tweede gedachtestreepje, en in de strekking van de "vervangingskostenclausule". Aan de bewoordingen van deze uitsluiting doet niet af dat art. 10.4 bepaalt dat de regels volgens art. 10.3 gelijke toepassing vinden bij schadetoebrenging door werkzaamheden. Art. 10.3 verwijst immers weer "kaal" naar de in art. 10.1 en 10.2 genoemde uitsluitingen, zonder aan die uitsluitingen nader inhoud te geven. Ook aan de verwijzing naar "beide categorieën" in de tweede volzin van art. 10.3 komt in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe. Met de woorden "beide categorieën" wordt klaarblijkelijk gerefereerd aan het in de eerste volzin vervatte onderscheid tussen zaken (en, ingevolge de bepaling van art. 10.4, ook werkzaamheden) die wèl respectievelijk géén schade toebrengen. Zodanig onderscheid laat zich voor werkzaamheden ook dan maken, indien men aanneemt dat de betekenis van art. 10.3 (door het in art. 10.1 gekozen uitgangspunt) ab initio tot niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden is beperkt.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag, voor zover het is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof art. 10.1 van de polisvoorwaarden van toepassing heeft geacht, omdat de door [verweerster] met betrekking tot de open haard te leveren - karakteristieke - prestatie bestond uit het verrichten van werkzaamheden en niet uit het leveren van zaken. Het hof heeft niet geoordeeld dat de in art. 10.1 genoemde uitsluiting met betrekking tot werkzaamheden alleen van belang is, omdat de oorzaak van de schade in (niet naar behoren uitgevoerde) werkzaamheden (het inbouwen van de open haard) is gelegen. Het hof heeft art. 10.1 mijns inziens van toepassing geacht, omdat de schadelijke gevolgen van de brand slechts door of onder verantwoordelijkheid van [verweerster] uitgevoerde werkzaamheden betreffen (zie rov. 16 en rov. 17, waarin het hof spreekt van "werkzaamheden, waaraan schade is toegebracht").

Het subonderdeel mist voorts feitelijke grondslag, voor zover het is gebaseerd op de veronderstelling dat het hof art. 10.1 in het geheel niet van toepassing zou hebben geacht op andere dan de met betrekking tot de open haard verrichte werkzaamheden. Volgens het hof is de algemene clausule van art. 10.1 (ingevolge de één-transactie-bepaling) op andere (tot dezelfde transactie behorende) werkzaamheden in beginsel wel van toepassing, maar houdt zij in dat alleen die andere werkzaamheden van dekking zijn uitgesloten die oorspronkelijk (voor de brand) al niet naar behoren waren verricht.

Het aangevochten oordeel van het hof is overigens duidelijk, begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het subonderdeel kan ook daarom niet tot cassatie leiden.

2.17 Volgens subonderdeel 2.3.3. brengt gegrondheid van één of meer van de voorafgaande subonderdelen van de onderdelen 1 en 2 mee, dat de beslissing van rov. 25 dat van een verhoogd eigen risico van ƒ 250.000,-- geen sprake kan zijn, evenmin in stand kan blijven. Ik ben het daar niet mee eens. De voorafgaande klachten uit de onderdelen 1 en 2 zien alle op de uitleg van art. 10 van de polisvoorwaarden. Naar het hof in rov. 25-28 heeft overwogen, kan onderscheid worden gemaakt tussen de uitleg van (art. 10 van) de polisvoorwaarden en de uitleg van de betreffende polisbladclausule. Het hof geeft in de genoemde rechtsoverwegingen een op zichzelf staande uitleg van de polisbladclausule. Dat betekent dat gegrondheid van de klachten over de uitleg van art. 10 van de polisvoorwaarden niet zonder meer ertoe leidt dat ook de beslissing over de uitleg van de polisbladclausule niet in stand kan blijven. Daarvoor zijn afzonderlijke, op de uitleg van de polisbladclausule gerichte klachten vereist. Een dergelijke klacht ligt in onderdeel 2.3.3. echter niet besloten.

Bovendien is in cassatie het oordeel van het hof dat de schade betrekking heeft op werkzaamheden en niet op zaken, niet bestreden, zodat dat oordeel ook in rov. 25 in stand blijft.

2.18 Volgens subonderdeel 2.3.4. brengt gegrondheid van één of meer van de voorafgaande subonderdelen mee dat de beslissing van rov. 27 en de daarop voortbouwende beslissingen van de rov. 28-30 niet in stand kunnen blijven. Indien (i) de uitleg en toepassing door het hof van art. 10.1 jo 10.3 onbegrijpelijk is en (ii) die onbegrijpelijkheid (mede) samenhangt met de uitleg die het hof in rov. 9 aan art. 10.4 heeft gegeven, is volgens het subonderdeel zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom het hof in rov. 27 heeft aangenomen dat de regel van art. 10.4 specifiek ziet op de situatie van art. 10.3.

Deze klacht faalt reeds hierom, omdat het oordeel van het hof dat art. 10.4 uitsluitend ziet op de situatie van art. 10.3, naar mijn mening niet door de eerder aangevoerde klachten over de uitleg van art. 10.1 jo art. 10.3 en 10.4, wordt getroffen.

Bovendien ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld dat de polisbladclausule - anders dan art. 10 van de polisvoorwaarden V912 - uitsluitend ziet op het aansprakelijkheidsrisico voor geleverde zaken, het zgn. "producten-aansprakelijkheidsrisico", en niet op aansprakelijkheid voor uitgevoerde werkzaamheden (het "diensten-aansprakelijkheidsrisico") (rov. 28). Ook dit oordeel, dat de bestreden beslissing zelfstandig draagt en dat niet voortbouwt op de uitleg van art. 10, wordt door de eerder aangevoerde klachten over de uitleg van art. 10 niet getroffen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Gevolmachtigd agent van de brandverzekeraar.

2 Zie voor de feiten het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juni 1998, rov. 1. Het hof is blijkens rov. 2 van het bestreden arrest van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgegaan.

3 Royal Nederland is slechts voor 35% op de polis betrokken. De overige betrokken verzekeraars zullen zich aan de uitspraak in deze procedure conformeren. Zie conclusie van antwoord onder 8 en conclusie van repliek onder 4.

4 In de berekeningswijze, zoals door [verweerster] in haar vordering gevolgd, zou óók het onder het eigen risico vallende deel van de door [verweerster] aan [betrokkene] verschuldigde hoofdsom hebben bijgedragen aan de door [verweerster] aan [betrokkene] verschuldigde en door Royal Nederland (zij het slechts voor 35%) te vergoeden wettelijke rente. De rechtbank heeft het te vergoeden rentebestanddeel berekend, na het eigen risico op de verschuldigde hoofdsom in mindering te hebben gebracht en na in verband met het percentage waarvoor Royal Nederland op de polis is betrokken, een factor van 0,35 te hebben toegepast.

5 Memorie van grieven, grief I, in het bijzonder nrs. 2.12 t/m 2.16; pleitnota in appel nrs. 2.12, 2.13 en 2.17 e.v..

6 [Verweerster] heeft aangevoerd dat niet sprake is van één transactie, dat de brand en niet de ondeugdelijk ingebouwde open haard oorzaak is van de schade en voorts dat een beroep van Royal Nederland op art. 10.3 jo 10.4 van de polisvoorwaarden, zoals zij die uitlegt, met de redelijkheid en billijkheid in strijd is. Zie memorie van antwoord, nrs. 5 t/m 13, en de pleitnota in appel.

7 Het hof heeft aldus een eigen uitleg aan de "vervangingskostenclausule" gegeven, die niet door één van de partijen is verdedigd. Overigens wordt - terecht - niet geklaagd dat het hof met deze eigen interpretatie van de polis buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden. Het stond het hof vrij de tussen partijen geldende overeenkomst zelfstandig uit te leggen, nu partijen over de uitleg van deze overeenkomst van mening verschilden. Zie Asser-Hartkamp 4-II, 2001, nr. 288 met verdere vindplaatsen.

8 Zie bijv. HR 31 maart 2000, NJ 2000, 357, rov. 3.3; A-G Strikwerda, nr. 14, voor HR 6 november 1998, NJ 1999, 220 m.nt. MMM; HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 98, rov. 3.8; HR 24 september 1993, NJ 1993, 760, rov. 3.4; HR 11 november 1988, NJ 1990, 440; Asser-Clausing-Wansink (1998), nrs. 179-187.

9 Zie ook HR 18 oktober 1996, NJ 1997, 326 m.nt. MMM over die zelfde opzetclausule. Zie verder bijv. HR 28 november 1997, NJ 1999, 170.

10 J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, 1994, nrs. 3.5.1-3.5.4. Zie voorts J.H. Wansink, Het ondernemersrisico en de grenzen van verzekerbaarheid in de algemene aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven, in: Jaardossier Onderneming & Verzekering, 1992, p. 92-101 en R.C. Insinger, De produktenaansprakelijkheidsverzekering, in: Het Verzekerings-Archief 1980, p. 157-177.

11 J.H. Wansink, o.c., nr. 3.5.1, voorbeeld 4.

12 Zie Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 186.

13 J.H. Wansink, o.c., nrs. 3.1 en 3.5.2.

14 Men zou hier nog kunnen denken aan een toepassing van het zogenaamde 'contra-proferentem'-beginsel, zij het dat dit beginsel niet met zoveel woorden is genoemd en van een zuivere toepassing daarvan ook geen sprake zou zijn. De litigieuze voorwaarden zijn immers van de makelaar van verzekerde en niet van de betrokken verzekeraars afkomstig. Ook wordt het beginsel in het bijzonder van toepassing geacht in verband met overeenkomsten met consumenten. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Vast staat immers dat [verweerster] is meeverzekerd op de polis van haar moedervennootschap Koninklijke Volker Stevin N.V.. Zie over het contra-proferentem-beginsel Asser-Hartkamp 4-II, 2001, 287 met daar genoemde literatuur; Asser-Clausing-Wansink, 1998, nrs. 182, 183 en met name 184. In Asser-Clausing-Wansink, nr. 184, wordt het standpunt ingenomen dat toepassing van de contra-proferentem-regel in veel gevallen ook gerechtvaardigd kan zijn ten gunste van een professionele verzekerde.

15 Schriftelijke toelichting mr. Sillevis Smitt, p. 12, laatste alinea.

16 Zie bijv. HR 11 november 1988, NJ 1989, 362 m.nt. MMM en Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 181.

17 Dit oordeel strookt met de opvatting van J.H. Wansink, o.c., p. 174 en 175.