Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1530

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
21-06-2002
Zaaknummer
C00/241HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1530
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 351
JWB 2002/235

Conclusie

Nr. C00/241HR

Mr Huydecoper

Zitting van 29 maart 2002

Conclusie inzake

Daewoo Motor Benelux B.V.

Eiseres tot cassatie

tegen

Aqua-Bass B.V.

Verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Deze zaak betreft een tussen de eiseres tot cassatie (Daewoo) en de verweerster in cassatie (Aqua-Bass) gesloten huurovereenkomst, waarin als ontbindende voorwaarde was opgenomen dat binnen drie maanden na een nader omschreven datum, een bouwvergunning voor de door partijen terzake van het gehuurde beoogde verbouwing zou worden geweigerd.

Daewoo heeft zich erop beroepen dat deze ontbindende voorwaarde was vervuld. Aqua-Bass, uitgaande van het tegendeel, heeft nakoming van de huurovereenkomst verlangd. Ik teken daarbij aan dat vaststaat, dat niet werkelijk binnen de termijn van drie maanden (en ook niet daarna) een bouwvergunning is geweigerd. De vraag was dus, of de betreffende voorwaarde ook kon worden ingeroepen in gevallen waarin weliswaar geen vergunning was geweigerd, maar wel op andere, daarmee meer of minder vergelijkbare omstandigheden een beroep kon worden gedaan.

2) Zowel de kantonrechter in eerste aanleg als de rechtbank hebben het standpunt van Aqua-Bass onderschreven. In cassatie bestrijdt Daewoo de beslissing van de rechtbank. De klacht in cassatie komt er inhoudelijk op neer dat de rechtbank niet had mogen voorbijgaan aan Daewoo's bewijsaanbod met betrekking tot de (niet-) verlening van de bouwvergunning.

Bespreking van het middel

3) Beslissend voor het lot van het middel is volgens mij de uitleg die de rechtbank aan de in de huurovereenkomst opgenomen onbindende voorwaarde heeft gegeven. Over die uitleg hadden de partijen getwist. Daewoo verdedigde dat, kort gezegd, de ontbindende voorwaarde met het oog op de belangen van beide partijen de ruimte bood om van de verplichtingen uit de overeenkomst ontslagen te worden, als binnen de gestelde termijn van drie maanden (voldoende) duidelijk zou worden dat geen bouwvergunning zou worden verleend (zie de samenvatting van Daewoo's standpunt in rov. 3.3 van het bestreden vonnis - uit rov. 3.5 blijkt overigens dat de rechtbank het standpunt van Daewoo wat ruimer heeft uitgelegd dan letterlijke lezing van rov. 3.3 zou doen vermoeden). Aqua-Bass nam het standpunt in dat de termijn van drie maanden was opgenomen met het oog op haar, Aqua-Bass', belang bij duidelijkheid op afzienbare termijn; zodat (alleen) bij een afwijzende beschikking binnen drie maanden, de ontbindende voorwaarde vervuld zou zijn (mijn parafrase van rov. 3.4 van het bestreden vonnis).

4) De rechtbank koos voor een uitleg die het midden houdt tussen de door partijen verdedigde standpunten. Die wordt in zijn essentie weergegeven in rov. 3.6: de ontbindende voorwaarde treedt in als binnen de termijn van drie maanden (aantoonbaar) duidelijk wordt dat verkrijging van een bouwvergunning hoe dan ook niet mogelijk is. Het ligt daarbij in de rede - zo voeg ik toe - dat de partij die een beroep op de ontbindende voorwaarde doet, in voorkomend geval moet aantonen dat die voorwaarde vervuld was. In dit geval was het dus aan Daewoo om dat aan te tonen, en dus om feiten die dat aantonen te stellen en bij tegenspraak te bewijzen.

Mij lijkt dat een alleszins plausibele uitleg. In cassatie wordt die uitleg ook niet bestreden.

5) In de rovv. 3.7 en 3.8 heeft de rechtbank vervolgens vaststellingen gedaan die erin uitmonden, dat onvoldoende duidelijk is geworden dat een aanvraag van een bouwvergunning zinloos was (waarmee de rechtbank kennelijk tevens aanneemt dat niet (aantoonbaar) duidelijk was geworden dat verkrijging van de bouwvergunning hoe dan ook niet mogelijk was).

De rechtbank wijst er in dit verband op dat Daewoo niet heeft gesteld dat zij zich tijdig met Aqua-Bass in verbinding heeft gesteld of in overleg is getreden met de gemeente, om te bezien of zij op alternatieve wijze kon voldoen aan de voorwaarde (daarmee wordt bedoeld een volgens Daewoo door de gemeente gestelde voorwaarde dat het gehuurde pand 19 extra parkeerplaatsen boven de reeds beschikbare parkeerruimte moest hebben).

6) De rechtbank heeft, zoals hieruit blijkt, als beslissend aangemerkt dat er tijdig - waarmee bedoeld zal zijn: binnen de voor de ontbindende voorwaarde geldende termijn van drie maanden - door Daewoo geen stappen zijn genomen waardoor met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of een bouwvergunning zou worden verkregen (of juist niet kon worden verkregen); en dat het daarom aan Daewoo niet toekomt, zich op de ontbindende voorwaarde te beroepen.

7) Daarmee heeft de rechtbank een zinnige toepassing gegeven aan de ontbindende voorwaarde zoals zij die had uitgelegd: Daewoo kon zich op de voorwaarde beroepen als zij binnen drie maanden "aantoonbaar" kon laten blijken dat geen bouwvergunning zou worden verleend. Daewoo kan zich dus niet op de voorwaarde beroepen, omdat wat zij gesteld heeft niet kan opleveren dat binnen de relevante termijn van drie maanden "aantoonbaar" zou zijn geworden dat de vergunning niet zou worden verleend (en, integendeel, wat Daewoo gesteld heeft volgens de rechtbank erop neerkomt dat zij, Daewoo, de zaak op zijn beloop heeft gelaten zonder nader te onderzoeken onder welke voorwaarden (mogelijk) een vergunning kon worden verkregen).

8) Bij die wijze van benadering is Daewoo's bewijsaanbod niet terzake dienend. Dat bewijsaanbod kwam er immers op neer dat (alsnog) zou worden aangetoond dat de gemeente de beoogde vergunning werkelijk niet op acceptabele voorwaarden zou willen verlenen(1). Dat was echter niet beslissend. In de door de rechtbank aan de huurovereenkomst gegeven uitleg was doorslaggevend of binnen de termijn van drie maanden aantoonbaar duidelijk was geworden of een vergunning zou worden geweigerd, en was het voor risico van de partij die de ontbindende voorwaarde wilde inroepen, dat dat niet aantoonbaar duidelijk zou worden(2).

9) Daewoo's bewijsaanbod is door de rechtbank kennelijk - en begrijpelijkerwijs - niet zo begrepen, dat het ertoe strekte om te bewijzen dat het al gedurende de termijn van de ontbindende voorwaarde aantoonbaar duidelijk was dat de vergunning niet kon worden verleend; en ook niet, dat Daewoo wèl (tijdig) had laten nagaan of zij, zoals het aan het slot van rov. 3.5 wordt uitgedrukt, "destijds niet tot een oplossing had kunnen komen" (en daarbij tot een negatieve uitkomst was gekomen). Daarmee was het bewijsaanbod in de door de rechtbank aan de ontbindende voorwaarde gegeven uitleg inderdaad niet terzake doend, en kon - en moest - de rechtbank daaraan voorbij gaan(3),(4).

10) Ik merk nog op dat de beslissing van de rechtbank ook steunt op de vaststelling - aan het slot van rov. 3.8 - dat Daewoo geen feiten heeft gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat zij (Daewoo) destijds niet tot een oplossing had kunnen komen. Die grond zou de gegeven beslissing zelfstandig kunnen dragen. Hij komt erop neer dat onvoldoende gesteld is om, ook naar de huidige stand van zaken, tot de gevolgtrekking te kunnen leiden dat de vergunning niet (op acceptabele voorwaarden) verkregen kon worden. Ook in die benadering is het bewijsaanbod irrelevant. Bewijslevering kan pas aan de orde komen wanneer er feiten gesteld zijn die, indien bewezen, tot de daarmee verdedigde uitkomst kunnen leiden(5).

11) Deze overweging van de rechtbank wordt door het middel niet expliciet bestreden, al wordt in onderdeel c. wel naar rov. 3.8, tweede alinea verwezen. In dit onderdeel wordt echter niet gesteld dat (juist) de hier bedoelde overweging uit dit gedeelte van het vonnis ondeugdelijk zou zijn, en wordt (dus) ook niet aangegeven waarom dat het geval zou zijn. Er wordt, inzonderheid, niet aangegeven wat Daewoo zoal gesteld zou hebben om de rijkelijk abstracte bewering die in middelonderdeel c. wordt aangehaald, nader te concretiseren of te onderbouwen.

12) Ik wil intussen niet onvermeld laten dat de processtukken wel stellingen van Daewoo inhouden die ertoe strekken dat "zij destijds niet tot een oplossing had kunnen komen". Ik vind die bijvoorbeeld in alinea 7 van de conclusie van dupliek in reconventie van de eerste aanleg. In de Memorie van Grieven wordt in de toelichting op Grief II, vlak na de passage die in het middelonderdeel sub c. wordt geciteerd, naar deze plaats uit de conclusie van dupliek in reconventie verwezen.

13) Men kan erover twijfelen, waarom de rechtbank aan dit betoog van Daewoo voorbij is gegaan (door te oordelen dat Daewoo geen feiten had aangevoerd waaruit geconcludeerd kon worden dat zij destijds niet tot een oplossing had kunnen komen). Er zijn daarvoor een aantal redenen, waaronder steekhoudende redenen, denkbaar. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de rechtbank de hier bedoelde stellingen van Daewoo, al zijn die dan minder abstract dan de in middelonderdeel c. aangehaalde passage, toch als te weinig concreet heeft beoordeeld, gegeven dat het (in de door de rechtbank aan de ontbindende voorwaarde gegeven uitleg) aan Daewoo was om voorshands overtuigende redenen aan te geven waarom de vergunning inderdaad (hoe dan ook) niet verleend kon worden. Ik zal daarover echter niet verder uitweiden. Gegeven het feit dat de beslissing van de rechtbank om de in alinea's 3 t/m 9 hiervóór besproken redenen tegen de klachten van het middel bestand is, en ik bovendien meen dat het middel geen specifieke op het onderhavige oordeel van de rechtbank toegesneden klacht inhoudt, zou dat te ver voeren.

14) In deze zaak zijn geen vragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoord zouden moeten worden.

Conclusie

Ik meen dat het cassatieberoep verworpen zou moeten worden.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zou Daewoo daartoe de ruimte zijn gelaten, dan zou alsnog een toepassing aan de ontbindende voorwaarde zijn gegeven die er effectief op neerkwam dat elk (niet voor herstel vatbaar) uitblijven van de vereiste vergunning, of die nu binnen de termijn van drie maanden kwam vast te staan of (lang) daarna, voor risico werd gebracht van de partij die geen ontbinding wenste. Uit rov. 3.5 blijkt dat de rechtbank onder ogen heeft gezien, dat dàt nu juist niet de strekking van de ontbindende voorwaarde was.

2 Waarbij de rechtbank ook heeft laten meewegen, dat het niet-aantoonbaar zijn te wijten was aan het feit dat Daewoo initiatieven die redelijkerwijs van haar verwacht hadden mogen worden, achterwege heeft gelaten. Wanneer er vertraging zou zijn opgetreden die, bijvoorbeeld, volledig moest worden toegeschreven aan gebrek aan medewerking van de gemeente, ligt in wat in de tweede alinea van rov. 3.5 wordt overwogen besloten, dat rechtbank de zaak dan misschien anders zou hebben beoordeeld.

3 Van de talrijke recente beslissingen over het voorbijgaan aan een bewijsaanbod omdat dat niet terzake dienend is, noem ik HR 7 september 2001, NJ 2001, 616, rov. 3.6; HR 13 juli 2001, NJ 2001, 497, rov. 3.6.1 - 3.6.2; HR 12 januari 2001, NJ 2001, 453, rov. 3.6; HR 12 januari 2001, NJ 2001, 158, rov. 3.5; HR 5 maart 1999, NJ 2000, 306, m.nt. DWFV, rov. 3.7; waaraan nog even veel alleen uit JOL kenbare beslissingen zouden kunnen worden toegevoegd.

4 Daarbij zie ik er niet aan voorbij dat de rechtbank heeft overwogen dat Daewoo's bewijsaanbod onvoldoende geconcretiseerd was, en niet (expliciet), dat het niet terzake dienend was. Zoals ik het vonnis begrijp, is daarmee niet iets wezenlijk anders bedoeld. Daewoo had geen concrete feiten gesteld waaruit zou kunnen volgen dat het al binnen de termijn van de ontbindende voorwaarde duidelijk was geworden dat de vergunning niet kon worden verkregen. In dat opzicht - en daar ging het in de door de rechtbank gevonden uitleg om - was het bewijsaanbod niet geconcretiseerd (en wat het bewijsaanbod wèl inhield, was niet terzake dienend).

5 Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 9 november 2001, JOL 2001, 655, al. 2 en 3 en de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 9 november 2001, JOL 2001, 657, al. 2.11; zie overigens ook de conclusie van A-G Bakels voor het (in de stukken herhaaldelijk geciteerde) arrest HR 21 mei 1999, NJ 2000, 13 (m.nt. HJS onder nr. 14), al. 3.18.