Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1511

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2002
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
01569/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1511
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01569/01

Mr Fokkens

Zitting: 2 april 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is met een groot aantal anderen door de Arrondissementsrechtbank te Breda wegens overtreding van het samenscholingsverbod tijdens ongeregeldheden rond de op 20 februari 2000 gespeelde voetbalwedstrijd tussen Willem II en Feijenoord veroordeeld tot een geldboete van f 500,-- subsidiair tien dagen hechtenis. Samenscholing is verboden in artikel 8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg 1997 (APV Tilburg 1997). Een aantal verdachten heeft beroep in cassatie ingesteld. Middelen van cassatie zijn ingediend in de zaken met de nummers 01549/01 tot en met 01554/01, 01556/01, 01560/01, 01563/01, 01564/01, 01568/01 en 01569/01, in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2. Namens verdachte heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. De eerste twee middelen klagen over de (motivering) van de bewezenverklaring, die inderdaad nogal wat gebreken vertoont.

4. De Rechtbank heeft bewezen verklaard - waarbij ik kennelijke verschrijvingen, die al dan niet uit de tenlastelegging zijn overgenomen, tussen haakjes heb gecorrigeerd of toegevoegd - dat:

"hij op 20 februari 2000 in de gemeente Tilburg, tijdens de voetbalwedstrijd Willem II - Feijenoord, op een aantal, binnen die gemeente gelegen, wegen, heeft deelgenomen aan een samenscholing aldaar alstoen deel uitmakend van honderdveertig, althans van een aanzienlijk aantal, groepsgewijs bij elkaar gekomen voetbalsupporters (die) - op die wegen - een dreigende houding hadden aangenomen en kwade bedoelingen hadden en zich tezamen en in vereniging met (een) anderen, onnodig heeft opgedrongen en tezamen en in vereniging met anderen, door uitdagend gedrag aanleiding heeft gegeven tot wanordelijkheden, waarbij die samenscholing dat opdringen en uitdagend gedrag aanleiding geven tot wanordelijkheden zich geopenbaard hebben in en zich gekenmerkt hebben door:

- het op de weg, de Korvelseweg te Tilburg, als voetganger blokkeren van de gehele rijbaan van die Korvelseweg en het naast die rijbaan gelegen trottoir (mede waardoor het zich op die rijbaan) bevindende verkeer werd gedwongen tot stilstand te komen en vervolgens

- het op de weg, die Korvelseweg, omvergooien en omverwerpen van en duwen en schoppen tegen een aantal op dat trottoir geplaatste fietsen en vervolgens

- het op de weg, die Korvelseweg, uitjouwen en aanroepen en toeschreeuwen van een aantal (zich) op die Korvelseweg bevindende, niet tot vorenomschreven groep voetbalsupporters behorende, publiek/personen met de woorden "boeren, boeren" en vervolgens

- het op de weg, die Korvelseweg, slaan en trappen en schoppen tegen een aantal deuren en ramen behorende tot de aan die Korvelseweg gelegen woningen en winkels en vervolgens

- het, op de weg, de Oude Dijk te Tilburg, telkens gooien en werpen van een aantal straatklinkers, in de richting van een zich, aan die Oude Dijk, bevindend - alstoen van een sectie "Mobiele Eenheid" (roepnummer "Bravo 2.02") deeluitmakend - een aantal personen en vervolgens

- het, op de weg, die Oude Dijk, telkens gooien en werpen van een aantal glazen bierflessen, in de richting van een zich aan die Oude Dijk, bevindend - alstoen van een sectie "Mobiele Eenheid" (roepnummer "Bravo 2.02") deeluitmakend - aantal personen, welke bierflessen uiteindelijk zijn terechtgekomen op een aan die Oude Dijk geparkeerd/stilstaand voertuig en

- het, op de weg, het Louis Bouwmeesterplein te Tilburg, oprapen/optillen van een aantal trottoirtegels en vervolgens het kapotgooien/stukgooien van een aantal van die trottoirtegels en vervolgens het oprapen/optillen en vervolgens meevoeren/-dragen van die kapotgegooide/stukgegooide trottoirtegels en vervolgens

- het, op de wegen, de Kloosterstraat, Nazarethstraat, Ruijterstraat, Oerlesestraat, Paul Krugerstraat, Generaal de Wetstraat en Transvaalstraat, vernielen althans beschadigen (van) een aantal buitenspiegels van een aantal (zich) op die weg bevindende personenauto's en het slaan en schoppen en trappen tegen een aantal deuren/portieren en ramen van een aantal (zich) op die wegen bevindende personenauto's en vervolgens

- het, op de wegen, de Kloosterstraat, Nazarethstraat, Ruijterstraat, Oerlesestraat, Paul Krugerstraat, Generaal de Wetstraat en Transvaalstraat, wegduwen/opzijduwen van een aantal (zich) op die Kloosterstraat, Nazarethstraat, Ruijterstraat, Oerlesestraat, Paul Krugerstraat, Generaal de Wetstraat en Transvaalstraat bevindende, niet tot vorenomschreven groep voetbalsupporters behorende publiek/personen en vervolgens

- het, op de wegen, de Kloosterstraat, Nazarethstraat, Ruijterstraat, Oerlesestraat, Paul Krugerstraat, de Generaal de Wetstraat en Transvaalstraat, uitjouwen, aanroepen en toeschreeuwen van een aantal (zich) op die Kloosterstraat, Nazarethstraat, Ruijterstraat, Oerlesestraat, Paul Krugerstraat, Generaal de Wetstraat en Transvaalstraat bevindende, niet tot vorenomschreven groep voetbalsupporters behorende publiek/personen."

5. Het eerste middel behelst de klacht dat de Rechtbank in haar uitspraak ten onrechte niet, althans onvoldoende, de inhoud van de bewijsmiddelen heeft opgenomen.

6. De Rechtbank heeft de gebezigde bewijsmiddelen als volgt aangeduid: "De inhoud van de processen-verbaal, voor zover hierboven onder 3. t/m 11 gerelateerd." Zoals ik recent in mijn conclusie voor HR 19 juni 2001, NJ 2001, 482 heb uiteengezet, is een integrale verwijzing naar bepaalde processen-verbaal bij de vermelding van de inhoud van de bewijsmiddelen aanvaardbaar voor zover daardoor geen twijfel kan ontstaan over de vraag wat de rechter als redengevende feiten en omstandigheden heeft beschouwd. De algemene verwijzing naar de processen-verbaal in deze zaak voldoet daar niet aan: afgezien van de vraag hoe het onder 3 vermelde bewijsmiddel redengevend zou kunnen zijn voor het volgens de bewezenverklaring door verdachte gepleegde feit, is het onduidelijk in hoeverre de Rechtbank aan de onder 6 en 7 genoemde processen-verbaal, die betrekking hebben op respectievelijk de gang van zaken na de aanhouding (het onder 6 genoemde proces-verbaal) en het verloop van de gebeurtenissen voorafgaand in de bewezenverklaring bedoelde ordeverstoringen (een deel van het onder 7 genoemde proces-verbaal) en dus niet, respectievelijk slechts ten dele, relevant zijn voor de bewezenverklaring, redengevende betekenis heeft toegekend. Het middel is gegrond.

7. Het tweede middel bevat de volgende klachten:

a) ten onrechte is het op 20 februari 2000 door verbalisant F.O.P. Verhoeven opgemaakte proces-verbaal redengevend geacht voor de bewezenverklaring;

b) uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte op 20 februari 2000 in Tilburg is geweest;

c) uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte zelf de delictsinhoud heeft vervuld en evenmin dat hij bewust met anderen heeft samengewerkt.

8. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank op 26 maart 2001 waarin onder andere is vermeld:

"De rechter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

(...)

3. het proces-verbaal mutatienr. PL2067/00-030003 van de politie regio Midden en West Brabant, d.d. 20 februari 2000, opgemaakt door de verbalisant F.O.P. Verhoeven;

(... )"

Bedoeld proces-verbaal bevindt zich bij de stukken en houdt als tegenover verbalisant afgelegde verklaring van verdachte [medeverdachte 1] het volgende in:

"Ik ben met eigen vervoer naar Tilburg gekomen. Ik was in het bezit van een combikaart voor de voetbalwedstrijd Willem II - Feyenoord. Ik heb ook een zogenaamde "Goldcard". Ik ben naar Tilburg gegaan voor het voetballen en voor de combiregeling. Ik dacht dat het anders geregeld was. Ik ben niet naar Tilburg gekomen om strafbare feiten te plegen. Ik ben mij niet bewust van een strafbaar feit. Ik kon namelijk geen andere kant op."

9. In dit bewijsmiddel valt niets redengevends te ontdekken voor het ten laste van verdachte bewezenverklaarde feit. De eerste klacht is dus gegrond.

10. Hetzelfde geldt voor de tweede en derde klacht: uit geen van de tot de bewezenverklaring gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat verdachte op de in de bewezenverklaring genoemde datum in Tilburg was, laat staan dat hij aanwezig is geweest bij en heeft deelgenomen aan de bewezenverklaarde samenscholing aldaar. Verdachte komt in de gehele bewijsvoering

niet voor.

11. Het derde middel en vierde middel klagen over de verwerping van het verweer dat art. 8, eerste lid, APV Tilburg 1997 onverbindend verklaard dient te worden.

12. Uit de aan het proces-verbaal gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota van verdachtes raadsman blijkt dat bedoeld verweer was gefundeerd op twee pijlers: enerzijds strijd met art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM en artikel 12 van het IVBPR en anderzijds strijd met het legaliteitsbeginsel van art. 1, eerste lid, Sr:

"Zoals dit artikel thans in de APV staat is dit veel te ruim geformuleerd, waardoor inbreuk gemaakt wordt op de (individuele) grondrechten van het individu. Met name schending van artikel 2 van het Vierde Protocol (vp) bij het EVRM en artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Bovendien is er strijd met art. 1, lid 1 Sr (legaliteitsbeginsel): de (lagere) wetgever dient in het formuleren van delictsomschrijvingen zo bepaald mogelijk te zijn. Geen vage of onduidelijke bepalingen!"

13. De Rechtbank heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"10. De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft betoogd dat artikel 8 lid 1 APV onverbindend is en dat mitsdien de verdachte behoort te worden ontslagen van rechtsvervolging. Hij grondt dat betoog op de stellingname dat gemelde bepaling te ruim en te vaag is geformuleerd omdat een afbakening voor de burger tussen hetgeen in zijn gedrag nog toelaatbaar en niet meer toelaatbaar is in concreto niet is te maken en een afweging van die burger ook niet kan worden gevergd. Naar het inzicht van de rechter is gemelde bepaling echter voldoende helder en duidelijk, zodat dit verweer moet worden verworpen."

14. Het derde middel klaagt dat de Rechtbank aldus niet heeft gerespondeerd op het eerste deel van het verweer dat art. 8, eerste lid, APV een ongeoorloofde inbreuk maakt op het door art. 12 IVBPR en art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op bewegingsvrijheid.

15. De klacht dat de Rechtbank niet op het eerste deel van het verweer heeft beslist, is gegrond.Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden, nu de Hoge Raad zelf uiteen kan zetten dat en waarom de Rechtbank dit verweer slechts had kunnen verwerpen.

16. Art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen (...)

3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

en art. 12 IVBPR:

"1. Everyone lawfully within the territory of a State shall, within that territory, have the right to liberty of movement and freedom to choose his residence.

3. The above-mentioned rights shall not be subject to any restrictions except those which are provided by law, are necessary to protect national security, public order (ordre public), public health or morals or the rights and freedoms of others, and are consistent with the other rights recognized in the present Covenant."

17. De vraag die beantwoord dient te worden is of art. 8, eerste lid, APV Tilburg, dat een beperking meebrengt van het in bovenaangehaalde bepaling neergelegde recht van vrijheid van beweging, blijft binnen de grenzen van hetgeen in het belang van een van de genoemde gronden voor beperking van dat recht nodig kan zijn (vgl. hetgeen mijn voormalig ambtgenoot Meijers hierover opmerkt in zijn conclusie bij HR NJ 1986, 41).

18. Over bepalingen als de onderhavige bestaat weinig rechtspraak. In HR NJ 1967, 272 en 273, m.nt. v. Eck, heeft de Hoge Raad het verbod tot "samenscholing" of "volksoploop" in art. 4 van de APV Rotterdam, luidende:

"Het is verboden op de weg:

b. deel te nemen aan een samenscholing of volksoploop of onnodig op te dringen"

niet in strijd met de artikelen 9 en 10 van het EVRM geoordeeld. Het middel in die zaak betrof overigens niet de vraag of art. 4 APV een te ver gaande beperking van het recht op vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting inhield, maar de vraag of een beperking van deze rechten uitsluitend door de formele wet of ook door andere wettelijke regelingen, zoals een APV, kon worden aangebracht. Dat neemt niet weg dat de verwerping van het cassatieberoep impliceert dat volgens de Hoge Raad een bepaling als het toenmalige art. 4 APV Rotterdam (en dus ook 8, lid 1 APV Tilburg) geen ongeoorloofde beperking van het recht op vrijheid van demonstratie oplevert.

19. HR DD 89.269 betrof de toelaatbaarheid van art. 17 van de APV Delft:

"Hij die zich op of aan de weg bevindt in een toeloop van publiek, waardoor of waarin de veiligheid van persoon of van goed wordt of dreigt te worden aangetast, ernstige hinder wordt veroorzaakt, of strafbare feiten worden of dreigen te worden gepleegd, is verplicht op een daartoe strekkend individueel of algemeen bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in een bepaalde richting te verwijderen."

20. De Hoge Raad oordeelde dat art. 2, derde lid, Vierde Protocol bij het EVRM en art 12, derde lid, IVBPR op de "liberty of movement" beperkingen toestaan welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de rechten van anderen en dat in die bepalingen de beperking van het recht op bewegingsvrijheid, die het betreffende artikel van de APV meebrengt, voor hen die zich op of aan de weg in een toeloop van publiek bevinden waardoor of waarin de in dat artikel aangegeven verstoringen van de openbare orde dreigen of zich voordoen, haar rechtvaardiging vinden.

21. Dit oordeel kan onverkort worden toegepast op de in deze zaak aan de orde zijnde APV-bepaling. De Rechtbank had het verweer derhalve slechts kunnen verwerpen zodat het derde middel vergeefs is voorgesteld.

22. Het vierde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verweer, dat art. 8 APV Tilburg 1997 wegens strijd met het legaliteitsbeginsel onverbindend dient te worden verklaard, heeft verworpen. De in art. 8 APV Tilburg omschreven gedraging zou te weinig geconcretiseerd zijn, waardoor verdachte niet kon weten welke gedragingen strafbaar waren, zodat hij zijn gedrag daar niet op kon afstemmen.

23. In HR NJ 2001, 14 heeft de Hoge Raad, in een zaak waarin een verweer vergelijkbaar met dat in de onderhavige zaak was gevoerd, het kader geschetst waarbinnen een dergelijk verweer beoordeeld dient te worden:

"3.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende voorschriften van belang:

"Art. 7, eerste lid eerste zin, EVRM bepaalt:

Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde.

Art. 1, eerste lid, Sr en art. 16 Grondwet bepalen gelijkluidend:

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling".

3.4. In deze voorschriften ligt onder meer het zogenaamde bepaaldheidsgebod besloten. Dit houdt in dat de burger moet kunnen weten ter zake van welke gedragingen hij kan worden gestraft. De rechtszekerheid eist dit. Van de wetgever mag worden verlangd dat hij met het oog daarop op een zo duidelijk mogelijke wijze delicten omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande in het bezigen van algemene termen, delicten omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van de delictsomschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, delictsomschrijvingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van de wetgeving schade lijdt".

24. In de rechtspraak zijn enkele voorbeelden te vinden die doen denken aan art. 8 APV. In HR NJ 1985, 796 was de vraag aan de orde of art. 4 par. 3, aanhef en onder d, Algemeen Reglement Vervoer, luidende: "het is verboden: d) op enig gedeelte van de stations of in de treinen te vechten, handtastelijkheden te plegen, vuurwerk af te steken, anderen uit te schelden of lastig te vallen dan wel zich op andere wijze onbehoorlijk te gedragen", niet in strijd was met art. 1 Sr en art. 7 EVRM. De Hoge Raad oordeelde dat van strijd met het bepaaldheidsgebod geen sprake was, nu de betreffende norm in zoverre geconcretiseerd is dat het gaat om gedrag op stations en in de treinen en het voorts een norm betreft die, in de bewoordingen van het EHRM in zijn arrest van 26 april 1979, NJ 1980, 146, is "inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague and whose interpretation and application are questions of practice."

25. Een vergelijkbare uitspraak is te vinden in HR 1 september 1998, NJ 1999, 61. In die zaak ging het over art. 54 APV Amsterdam, luidende: "Het is verboden zich zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze op te houden in een portaal, telefooncel, parkeergarage of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen en/of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor deze ruimten bestemd zijn". De Hoge Raad oordeelde de bepaling niet in strijd met het bepaaldheidsgebod, nu de norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om in het betreffende artikel uit de APV omschreven gedrag in - onder andere - een portaal.

26. Ook hier is mijns inziens van een ontoelaatbare onduidelijkheid van de norm geen sprake. Art. 8 APV Tilburg 1997 is opgenomen in Hoofdstuk 2 van de APV, Openbare orde. Afdeling 1 betreft Orde en veiligheid op de weg en paragraaf 1 van Afdeling 1, in welke paragraaf art. 8 is opgenomen, heeft als titel: Bestrijding van ongeregeldheden. Daaronder staat boven art. 8 Samenscholing en ongeregeldheden. Daarmee is de context van het verbod tot samenscholing gegeven. Het gaat om gedragingen die de orde op de weg verstoren tijdens ongeregeldheden. Daarbij geeft de Toelichting op artikel 8 een omschrijving van samenscholing die aansluit bij het gewone spraakgebruik: "Onder "samenscholing" is in dit verband te verstaan "het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen, die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben" (Van Dale)". Daarmee is samenscholing een concreter begrip dan de omschrijving van verboden gedragingen waarvan in de twee bovengenoemde arresten sprake was. Weliswaar had het verbod daar betrekking op een beperkter aantal plaatsen dan het samenscholingsverbod, maar daardoor wordt dit verbod niet zo onbepaald dat voor de burger niet meer duidelijk zou zijn van welk gedrag hij zich heeft te onthouden.

De vaagheid die de term "samenscholing" heeft, blijft dan ook binnen het in NJ 2001, 14 gegeven kader.

Lezing van de in deze zaak opgemaakte processen-verbaal leert overigens dat de bij de ongeregeldheden betrokken personen redelijkerwijs niet konden twijfelen aan het strafbare karakter van hun gedragingen.

27. Ook dit middel faalt.

28. Het vijfde middel behoeft geen bespreking nu de eerste twee middelen gegrond zijn en de bestreden uitspraak daardoor niet in stand kan blijven.

29. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat de zaak zal worden verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,