Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1335

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
03-12-2002
Zaaknummer
00948/01 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1335
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling instelling 12-mijlszone 169
Regeling instelling 12-mijlszone 169
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 673
NJ 2003, 607
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr.00948/01 E

Zitting 26 maart 2002

(bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft verzoeker bij arrest van 22 januari 2001 vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 07/060963-98 onder b tenlastegelegde, en veroordeeld wegens (parketnummer 07/06-963-98 onder a): - kort en anders gezegd - niet in het logboek vermelden van de (werkelijke) kapitein, en (parketnummer 07/060964-98): met een buitenlands vaartuig binnen de Nederlandse 12-mijls zone op andere vis dan kabeljauw en garnalen vissen, tot respectievelijk een geldboete van f 750,- en een geldboete van f 2.500,-. Daarnaast is de verbeurdverklaring van een bedrag van f 22.227,07 (zijnde de netto besomming) bevolen.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 07/060964-98 onder 2 en bevat de klacht dat het hof niet dan wel ongenoegzaam op een ter terechtzitting gevoerd Meer en Vaart-verweer heeft gerespondeerd.

4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat

"hij op 3 april 1998 op de Noordzee met het vissersvaartuig [001], welk vaartuig de vlag voerde van, dan wel geregistreerd was in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap dan Nederland, namelijk Duitsland, op de positie(s) 53.20.63 NB en 004.51.27 OL gelegen binnen de in artikel 1 van de Regeling instelling 12-mijlszone bedoelde zone, de visserij heeft uitgeoefend anders dan voortvloeiende uit artikel 6, tweede lid van de Verordening (EEG) nr. 3760/92)."

5. Artikel 3 van de Regeling instelling 12-mijlszone luidt als volgt:

"Het is verboden met een visservaartuig dat de vlag voert van, dan wel geregistreerd is in één der andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap dan Nederland de visserij uit te oefenen binnen de in artikel 1 bedoelde zone anders dan voortvloeiend uit artikel 6, tweede lid, van de in artikel 1 genoemde verordening."

6. De betreffende verordening is de Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB nr. L 389).

7. In het tweede lid van artikel 6 van de Verordening wordt verwezen naar Bijlage I bij de Verordening, waar, voor zover hier van belang en kort gezegd is bepaald dat door vissers uit andere Lid-Staten in de Nederlandse 12-mijlszone alleen op kabeljauw en garnalen mag worden gevist. Van belang is voorts dat het vissen op garnalen dient te gebeuren met netten met een maaswijdte van tenminste 20 mm.

8. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verzoeker betoogd dat met zijn schip werd gevist op garnalen.

9. Zijn raadsman heeft daar bij pleidooi aan toegevoegd:

"Binnen de 12-mijlszone is het voor Duitse vissers toegestaan om (onbeperkt) te vissen op kabeljauw en garnalen. Voor de garnalenvisserij is geen bepaald soort net aangewezen. Wel is bepaald dat de minimummaaswijdte 20 mm moet zijn. Geconstateerd is een maaswijdte van 80 mm. Cliënt stelt zich op het standpunt dat het hem vrij staat om met 80 mm netten op garnalen of kabeljauw te vissen. Terzake [van] deze soorten is een beperkte bijvangst, gereglementeerd per soort, toegestaan. Cliënt heeft derhalve niet strafbaar gehandeld c.q. de feiten kunnen niet worden bewezen en er dient vrijspraak te volgen."

10. De aanvulling op het verkorte arrest houdt met betrekking tot dit feit de volgende bewijsmiddelen in:

(1) de verklaring van verzoeker ter terechtzitting dat hij op 3 april 1998 met zijn vissersvaartuig binnen de 12-mijlszone van Nederland heeft gevist en dat in het logboek is aangegeven dat werd gevist op garnalen;

(2) het proces-verbaal bevattende het relaas van de verbalisanten die het vaartuig van verzoeker hebben be- en onderzocht. Dat relaas houdt onder meer in dat, toen zij zich aan boord van de [001] begaven, zij verzoeker zijn bemanning hoorden toeroepen dat zij alle vis, behalve de garnalen, van de zojuist binnengehaalde vangst weer overboord moesten zetten. Voorts bevat het relaas de waarneming van de verbalisanten dat zij zagen dat de [001] in het geheel niet was ingericht voor de garnalenvisserij. Zij zagen dat er geen kookpot en garnalenzeef aan boord waren. Voorts hebben de verbalisanten de maaswijdte gemeten van de door verzoeker gebruikte netten. Deze bedroeg respectievelijk 80,3 mm en 80,15 mm.

11. Naast deze bewijsmiddelen heeft het hof de volgende nadere bewijsoverweging gebezigd:

"Uit de bevindingen van de verbalisanten leidt het hof af dat verdachte toen en daar niet de visserij op garnalen heeft uitgeoefend, anders dan hij heeft betoogd.

Uit de verklaring van verdachte leidt het hof af dat hij toen en daar niet de visserij op kabeljauw heeft uitgeoefend."

12. Het eerste middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover het klaagt over het ontbreken van een uitdrukkelijke weerlegging van het gevoerde verweer.

13. Deze verwerping is naar mijn inzicht ook deugdelijk. De door de verbalisanten, die gelet op hun werkzaamheden geacht mogen worden terzake deskundig te zijn, gedane waarneming dat het vaartuig van verzoeker niet was ingericht voor de garnalenvisserij heeft het hof ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat verzoeker niet op garnalen aan het vissen was. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor, mede in aanmerking genomen dat het vissen op garnalen met een net met een maaswijdte van 80 mm mij bijzonder inefficiënt voorkomt. 's Hofs feitelijke oordeel kan in cassatie niet verder ter toetse komen.

14. Ik wil niet nalaten te vermelden dat een blik in het proces-verbaal van de AID mij leerde dat blijkens een uitdraai van de Coöp. Visafslag Den Helder/Texel u.a. de vangst van de [001] op de bewuste zeereis heeft bestaan uit: 810 kg tong, 328 kg schol, 83 kg kabeljauw, 4 kg tarbot, 17 kg griet, 5 kg wijting, 353 kg bijvis en 198 kg schar. Voor een visserman die zegt te hebben gevist op garnalen voorwaar een opmerkelijke vangst! Hoewel..., met netten met een maaswijdte van 80 mm ook weer niet.

15. Het eerste middel faalt dus in beide onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt over 's hofs verwerping van het verweer dat de Regeling Instelling 12-mijlszone onverbindend is, nu deze regeling naar nationaliteit discrimineert.

17. Het hof heeft met betrekking tot dit verweer in het verkorte arrest het volgende overwogen:

"Namens verdachte is ten aanzien van het onder parketnummer 07.0606964-98 als feit 2 telastegelegde aangevoerd dat de Regeling instelling 12-mijlszones vanwege haar veronderstelde discriminatoire werking onverbindend moet worden geacht. Het hof verwerpt dit verweer nu naar geldend recht de Europese wetgeving aan lidstaten de ruimte biedt nadere regelingen te treffen ter bescherming van de visstand."

18. Nu zowel het middel als de toelichting slechts de ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen stelling en onderbouwing herhalen dat, en op grond van welke internationale rechtsnormen, de Nederlandse regeling ontoelaatbaar discriminatoir zou zijn, en niet nader aangeven waarom 's hofs - in het middel tot juist bestempelde - oordeel niettemin van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, ben ik de mening toegedaan dat het middel (dat overigens de zesde en zevende overweging en het eerste lid van art. 6 van bovengenoemde Verordening miskent) niet kan gelden als een middel van cassatie (vgl. HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739 m.nt. JdH, en Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p. 82).

19. Het derde middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op het verweer met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 07/ 060963-98 onder a, dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

20. Dit feit betreft kort gezegd dat verzoeker het logboek onjuist heeft ingevuld doordat daarin als kapitein werd vermeld [betrokkene 1], terwijl verzoeker zélf kapitein van de [001] was.

21. Het middel stelt dat verzoeker ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep zich op het standpunt heeft gesteld dat hij het betreffende voorschrift onjuist had geïnterpreteerd en verontschuldigbaar in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij het logboek correct had ingevuld.

22. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan ik echter een dergelijk betoog niet ontwaren. Integendeel: verzoeker heeft verklaard dat hij de Duitse kapitein van boord heeft gezet, omdat deze vervelend was. (Ik hoop maar dat verzoeker die kapitein niet overboord heeft gezet.) Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

23. Ook het derde middel faalt dus en leent zich evenals het eerste middel voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden voor cassatie aangetroffen.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Nr.00948/01 E

Mr Jörg

Zitting 7 mei 2002

Aanvullende conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Bij conclusie van 9 april jongstleden heb ik als mijn oordeel uitgesproken dat het tweede middel niet kan gelden als een middel van cassatie.

2. Voor het geval Uw Raad hier anders over denkt, bespreekt ik thans dit middel.

3. Het middel klaagt over 's hofs verwerping van het verweer dat de Regeling instelling 12-mijlszone onverbindend is, nu deze regeling naar nationaliteit discrimineert.

4. Het hof heeft met betrekking tot dit verweer in het verkorte arrest het volgende overwogen:

"Namens verdachte is ten aanzien van het onder parketnummer 07.0606964-98 als feit 2 telastegelegde aangevoerd dat de Regeling instelling 12-mijlszone vanwege haar veronderstelde discriminatoire werking onverbindend moet worden geacht.

Het hof verwerpt dit verweer nu naar geldend recht de Europese wetgeving aan lidstaten de ruimte biedt nadere regelingen te treffen ter bescherming van de visstand."

5. Het middel moet naar mijn mening in verband met het volgende falen.

De overwegingen, behorende bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L389) houden onder meer in:

"Overwegende dat er bijzondere maatregelen worden vastgesteld voor de kustvisserij[,] dat daartoe, in afwijking van Verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (5)(1), de Lid-Staten gemachtigd dienen te worden om tot en met 31 december 2002 de huidige beperkingen te handhaven inzake de toegang tot de onder hun soevereiniteit of jurisdictie ressorterende wateren binnen hoogstens 12 zeemijl vanaf hun basislijnen, zoals deze van kracht waren op het tijdstip dat Verordening (EEG) nr. 170/83 is vastgesteld, en, in het geval van de Lid-Staten die na die datum tot de Gemeenschap zijn toegetreden, de basislijnen zoals deze golden op het tijdstip van hun toetreding."

6. In dat verband is van belang het eerste lid van artikel 6 van de Verordening, waarin is bepaald dat

"van 1 januari 1993 tot en met 31 december 2002 () de Lid-Staten de regelingen zoals omschreven in artikel 100 van de Toetredingsakte 1972 [mogen] handhaven en de in dat artikel vastgestelde grens van 6 zeemijl uitbreiden tot 12 zeemijl voor alle wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie."

7. De Regeling instelling 12-mijlszone is zo'n regeling, zodat het oordeel van het hof, dat de Lid-Staten bevoegd zijn een regeling als de onderhavige te treffen, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.

8. Het tweede middel faalt dus en leent zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In die Verordening is onder meer het streven gecodificeerd dat de schepen van de Lid-Staten onder gelijke voorwaarden de visgronden van alle Lid-Staten mogen bevissen.