Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1320

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2002
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
00641/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1320
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00641/01

Mr Machielse

Zitting 19 maart 2002

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 22 december 2000 voor misdrijven in de sfeer van de sociale zekerheid, voor belastingfraude en voor deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk.(1)

2. Mr A.O.C.A. van Schravendijk, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof voor het bewijs heeft gebruikt een verklaring van [medeverdachte] die een ongeoorloofde gissing of conclusie inhoudt. Het gaat om bewijsmiddel 13, waarin [medeverdachte] heeft verklaard:

[verdachte] (AM: verdachte) vond het verkrijgen van opdrachten belangrijker dan het vastleggen van gegevens in enigerlei vorm.

3.2. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard is vatbaar voor eigen waarneming. De getuige verklaarde in de bestreden passage dat hij heeft ervaren dat verdachte zich zo gedroeg dat daaruit bleek dat zij het verkrijgen van opdrachten belangrijker vond dan het vastleggen van gegevens.(2) Daarbij is van belang dat [medeverdachte] zoals blijkt uit de bewijsvoering, nauw met verdachte heeft samengewerkt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte art.140 Sr in plaats van art.140 (oud) Sr heeft aangehaald.

4.2. Het middel is terecht voorgesteld. Het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994. Bij Wet van 4 februari 1999 (Stb. 80) is art.140 Sr gewijzigd. Van toepassing is dus de oude versie. De Hoge Raad zal de aanhaling kunnen verbeteren.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op een gevoerd strafmaatverweer, dat een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel.

5.2. De door de steller van het middel aangehaalde woorden zijn terug te vinden in de pleitnota in hoger beroep op p.10, onder de rubriek "strafmaat". Ik kan in dit onderdeel van de pleitnota niet een strafmaatverweer ontdekken dat tot respons van de rechter noopt. Een nadere motivering is vereist "indien op indringende en stellige wijze op een strafverlagende factor wordt gewezen", aldus L.C.M. Meijers in De derde rechtsingang nader bekeken (Bronkhorstbundel), p. 218. Het in de pleitnota gestelde is niet onderbouwd of gestaafd.(3) De strafmotivering van het hof voldoet aan de daaraan op grond van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv te stellen eisen en de strafoplegging wekt, gelet op hetgeen is bewezenverklaard geen verbazing.

Het middel faalt.

6. Het eerste en derde middel falen en kunnen naar mijn mening op de voet van art.81 RO worden verworpen. Het tweede middel is gegrond en zal slechts tot verbetering van de aangehaalde wetsbepaling aanleiding behoeven te geven.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (nr. 00642/01) waarin ik heden eveneens concludeer.

2 DD 84.026; DD 85.104; DD 86.128; DD 86.155; HR NJ 2000,379 rov. 5.3.

3 Bijv. HR 20 januari 1998, NJB NJB 1998,33, p.412, rov. 8.3.; HR 23 november 1999, nr. 111.728.