Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE1287

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
02221/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE1287
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359a
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 02221/01

Zitting 26 maart 2002

Conclusie inzake:

[verzoekster = verdachte]

1. Verzoekster is bij arrest van 16 juli 2001 door het gerechtshof te 's-Gravenhage wegens medeplegen van moord en opzettelijke vrijheidsberoving veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf.

2. Namens verzoekster hebben mrs. J. Goudswaard en M.E. de Meijer, advocaten te 's-Gravenhage, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof niet heeft beslist op een verweer dat zich vormverzuimen als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv hebben voorgedaan.

4. Volgens het middel verplicht art. 359a Sv de rechter om op een dergelijk verweer uitdrukkelijk te beslissen en deze beslissing te motiveren. Ik neem aan dat de stellers van het middel het oog hebben op het bepaalde in art. 358, derde lid, j° 359, tweede lid, Sv.

5. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens verzoekster onder meer het volgende aangevoerd:

1. Op basis van hetgeen op 9 juni 1998 bekend was (althans op het moment dat de vordering gerechtelijk vooronderzoek werd gedaan), bestond onvoldoende verdenking om op basis daarvan een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen, waardoor de resultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs;

alsmede

2. verzoekster is, nadat zij als verdachte was bestempeld, in 1998 een drietal malen verhoord. De eerste en tweede maal als 'betrokkene', de derde keer als 'verdachte'. De verklaringen van wijs, c.q. daaraan moeten voor haar consequenties worden verbonden overeenkomstig artikel 359a Sv;

en

3. de beslissing van de officier van justitie om de dagboeken niet aan het dossier toe te voegen, is jegens verzoekster onrechtmatig en onzorgvuldig.

6. Het hof heeft in het bestreden arrest niet expliciet gereageerd op deze verweren. Diende het hof dat te doen?

7. Het eerste onder 6 genoemde verweer stelt twee rechtsvragen aan de orde. Ten eerste of aan de feitenrechter ter beoordeling is of een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was tegen een bepaalde persoon op het moment dat een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris werd ingesteld, waarin deze persoon als verdachte werd aangewezen. Ten tweede, of de feitenrechter op een verweer dat het gerechtelijk vooronderzoek ten onrechte op naam van de verdachte is ingesteld, moet responderen, indien hij geen resultaten daarvan voor het bewijs gebruikt. Onder resultaten begrijp ik de onmiddellijke resultaten in de vorm van verklaringen naar aanleiding van tijdens het gvo gehouden verhoren, weergaven van telefoongesprekken etc. , maar ook de middellijke resultaten, dwz het bewijsmateriaal dat is voortgevloeid uit die onmiddellijke resultaten, zij het met de beperking tot bewijsmateriaal dat de verdachte zelf verschaft heeft en voor zover de causaliteit tussen hetgeen in het gvo is geschied en het middellijk resultaat overwegend is.

8. Ik meen de eerste vraag te kunnen overslaan, aangezien het hof naar mijn mening geen responsieplicht had. Immers,

voor het bewijs is weliswaar een verklaring van verzoekster gebruikt, maar deze verklaring is afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, nadat aan verzoekster de cautie was gegeven, terwijl zij werd bijgestaan door haar raadsvrouw. Van een overwegende causaliteit tussen het mogelijk op onvoldoende verdenking tegen verzoekster ingestelde gvo, en de daarin verkregen resultaten tegen verzoekster enerzijds, en de inhoud van de voor het bewijs gebruikte verklaring van verzoekster anderzijds, is geen sprake (zie de conclusie, punt 6.3.2 en daar vermelde jurisprudentie, van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 23 januari 2001, NJ 2001, 327).

9. Het tweede verweer stelt dat verzoekster, terwijl zij materieel als verdachte werd beschouwd, formeel als betrokkene werd verhoord. Daarom zijn de verhoren jegens haar onrechtmatig.

10. Melai-Groenhuijsen geeft in de commentaar op art. 29 Sv (aant. 15) voorbeelden van gevallen waarin pas gaandeweg tegen een door de politie gehoorde persoon zoveel verdenking rijst dat deze op een later moment als verdachte wordt beschouwd en behandeld. In zulke gevallen staat het ontbreken van de cautie bij de eerdere verhoren niet in de weg aan het gebruik van de bij die verhoren verkregen verklaringen tot bewijs. Echter, wat hiervan zij: het hof heeft enkel de meergenoemde verklaring van verzoekster voor het bewijs gebruikt die zij, na de cautie gekregen te hebben, heeft afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, alwaar zij werd terzijde gestaan door haar raadsvrouw. Verzoekster heeft derhalve geen belang bij haar klacht omtrent de politieverhoren (cf. Spronken, T&C Sv, 4e, aant. 5e op art. 29). Responsieplichtig acht ik dit verweer evenmin.

11. De derde klacht houdt in dat een voor de verdediging relevant dagboek van het slachtoffer niet eigener beweging door het OM, maar op verzoek van de verdediging, en pas in een laat moment aan het dossier is toegevoegd, hetgeen een grove schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde zou inhouden.

12. Voor zover het gaat om stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs, moet worden aangenomen dat - behoudens de bevoegdheid van de verdediging om harerzijds stukken in het geding te brengen en het bepaalde in art. 414 Sv - de officier van justitie de stukken behelzende de resultaten van het opsporingsonderzoek aan het dossier toevoegt. Uit de pleitnota in hoger beroep blijkt dat het dagboek van het slachtoffer pas na een verzoek van de verdediging toegevoegd is aan de processtukken. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 juni 1999 heeft de officier van justitie het dagboek kort voor 14 juni 1999 toegevoegd aan het dossier. Op deze terechtzitting heeft de raadsvrouwe van verzoekster om aanhouding verzocht, onder andere om kennis te nemen van dit dagboek. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens tot 8 september 1999 geschorst.

13. Uit het voorgaande volgt dat de officier van justitie heeft voldaan aan het verzoek van de verdediging om het dagboek toe te voegen aan het dossier en dat de verdediging door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld kennis te nemen van de inhoud van het dagboek. De stelling dat, nu het openbaar ministerie het dagboek niet eigener beweging aan de processtukken heeft toegevoegd, dit als een grove schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde moet worden beschouwd, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden bestempeld (vgl. HR 9 oktober 1984, NJ 1985, 217). Dit zou slechts anders zijn indien door het verzuim van de officier van justitie tijdig stukken ter beschikking te stellen van de verdediging een in het verdere verloop van de procedure redelijkerwijze niet meer te herstellen inbreuk op de rechten van de verdediging zou zijn gemaakt. In feitelijke instanties is hieromtrent niets aangevoerd. Integendeel: de inhoud van het dagboek is prominent in de pleitnota in appèl aanwezig.

14. Het middel faalt in alle onderdelen.

15. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. Met name valt uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat ook verzoekster het slachtoffer met een koevoet op het hoofd heeft geslagen.

16. Aan verzoeker is als feit 1 tenlastegelegd dat:

"zij op of omstreeks 01 juni 1998 te Wassenaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal met een koevoet, althans een hard voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

17. Blijkens de bestreden uitspraak is als feit 1 bewezenverklaard dat

"zij op 01 juni 1998 te Wassenaar tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een koevoet op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

18. In het middel wordt gesteld dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoekster zelf met een koevoet op het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer] heeft geslagen.

19. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

Bewijsmiddel 1, de verklaring van verzoekster tijdens de terechtzitting in eerste aanleg:

"[medeverdachte] heeft [slachtoffer] een aantal malen met een voorwerp op zijn hoofd geslagen. Het zou best kunnen dat wij van tevoren afgesproken hadden dat [medeverdachte] iets mee zou nemen om [slachtoffer] daarmee te slaan. Ik heb de koevoet, waarmee [medeverdachte] [slachtoffer] heeft geslagen, ook in mijn handen gehad. Ik heb [slachtoffer] zien zitten op de bank. Ik ben de kamer ingelopen en heb gekeken. Hij zat/hing half en er kwam bloed uit zijn hoofd."

Bewijsmiddel 2, de verklaring van getuige [medeverdachte], ter terechtzitting in hoger beroep:

"[verdachte] vroeg nadat ik [slachtoffer] had geslagen en de moeder had overgenomen of ik de koevoet aan haar wou geven omdat ze zeker wou weten dat [slachtoffer] dood was."

Bewijsmiddel 3, een tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van getuige [medeverdachte]:

"Ik zag [slachtoffer] recht voor mij op de bank zitten. Ik gaf hem met een koevoet een klap recht op zijn hoofd. Ik heb hem nog een paar keer met kracht op diverse plaatsen op zijn hoofd geslagen met de koevoet. Ik zag dat door de klappen bloed uit zijn hoofd kwam. [verdachte] had bij binnenkomst, terwijl ik met [slachtoffer] bezig was, de moeder van [slachtoffer] vastgepakt en de woonkamer uitgebracht en nam deze mee naar de gang. Ik gaf de koevoet aan [verdachte] en ik nam de moeder van haar over. Ik zag dat [verdachte] de kamer inliep. Ik deed de WC-deur dicht en schoof de door mij meegenomen stoel voor de deur. Ook een door [verdachte] uit de woonkamer meegenomen stoel plaatsten wij voor de WC-deur. [verdachte] liep met de koevoet naar buiten."

20. Door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen staat vast de medepleger met een koevoet geslagen heeft op het hoofd van het slachtoffer. Verzoekster heeft in ieder geval de koevoet in handen gehad. Of zij daarmee ook geslagen heeft lijkt op het eerste gezicht niet vast te staan, maar bij nadere beschouwing wel. Immers, verklaarde de medepleger niet dat hij aan verzoekster de koevoet heeft gegeven omdat zij zeker wilde weten dat het slachtoffer dood was? Kennelijk heeft het hof zulk "zeker weten" opgevat als `het karwei afmaken'.

21. Het derde middel bevat de klacht dat het hof het beroep op psychische overmacht heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

22. Het hof heeft het beroep op psychische overmacht als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte primair bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, nu haar een beroep op psychische overmacht toekomt, doordat zij zodanig door het latere slachtoffer werd bedreigd, dat van haar redelijkerwijze geen weerstand kon worden gevergd.

Het hof verwerpt dit verweer. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zodanig door het slachtoffer dan wel anderen werd beïnvloed of bedreigd dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd dat zij zich zou onthouden van het plegen van zo ernstige feiten als moord en vrijheidsberoving."

23. In het middel wordt naar voren gebracht dat het hof geen inzicht gegeven heeft in de vraag of verzoekster, gezien haar psychische toestand vóór en tijdens het begaan van het feit, in de bewuste nacht heeft gehandeld onder invloed van zodanige drang, dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.

24. Psychische overmacht zal bestaan wanneer het delict als het ware onontkoombaar is gelet op de situatie en de persoonlijkheid van de verdachte en wanneer van de verdachte niet verwacht kan worden dat hij zich op een andere wijze zou weten te redden (NLR, Wetboek van Sr, aant. 6 bij art. 40). De rechter zal bij een beroep op psychische overmacht na moeten gaan of de gestelde feiten aannemelijk zijn, en vervolgens of er sprake is van een op grond van die feiten aannemelijke druk waardoor de wilsvrijheid van de verdachte zodanig aangetast dat van de verdachte niet gevergd kan worden weerstand te bieden tegen deze druk.

25. De overweging van het hof moet aldus worden verstaan dat het hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht - zij het in minder gelukkige bewoordingen, die evenwel aansluiting zochten bij de woordkeus van het gedane beroep op psychische overmacht - dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Met andere woorden: het hof heeft hiermee willen zeggen dat door het niet aannemelijk worden van de invloed van het slachtoffer of anderen op verzoekster geen ruimte meer bestaat voor de vraag of verzoekster in redelijkheid geen weerstand kon bieden aan die gestelde, van buiten komende, psychische druk.

26. Het middel faalt.

27. In het vierde middel wordt erover geklaagd dat de strafmotivering onbegrijpelijk is.

28. Het hof heeft bij de bepaling van de strafmaat onder meer het volgende in aanmerking genomen:

"De verdachte heeft zich mede schuldig gemaakt aan een gruwelijke moord op een kennis van haar, waarbij het slachtoffer geen enkele kans is geboden om te ontkomen. Hoewel de verdachte bij herhaling heeft aangevoerd dat zij zich ernstig bedreigd voelde door het slachtoffer, is geen enkele feitelijkheid zijdens het slachtoffer aannemelijk geworden die aan deze gevoelens van de verdachte enige steun kan bieden. Van de verdachte is het initiatief tot het feit uitgegaan en het valt haar zwaar aan te rekenen dat zij een ander zodanig heeft weten te beïnvloeden dat deze zich ertoe heeft geleend een belangrijke rol bij de uitvoering van het feit te spelen."

29. In het middel wordt gesteld dat het hof de bevindingen van de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum in het kader van de straftoemeting onverkort heeft overgenomen. In dat licht is - aldus het middel - onbegrijpelijk dat het hof de constatering van het rapport van het Pieter Baan Centrum ten aanzien van het bedreigende effect dat het contact met het slachtoffer op verzoekster naast zich neerlegt.

30. Het hof heeft in de strafmotivering verwezen naar het rapport van het Pieter Baan Centrum, waar dit onderzoeksinstituut van oordeel was dat verzoekster ten tijde van het plegen der bewezenverklaarde feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard op grond van - kort gezegd - een samenloop van waanstoornis en psychotische decompensatie. Het hof heeft evenwel in het bestreden arrest nergens overwogen het rapport van het Pieter Baan Centrum onverkort werd te nemen, hetgeen ook wel begrijpelijk is gezien in ieder geval het speculatieve karakter van de in de toelichting geciteerde zinsnede: "Het lijkt reëel te veronderstellen dat etc." In zoverre mist het middel derhalve feitelijke grondslag. Bovendien miskent het middel dat de feitenrechter vrij is in de selectie en de waardering van de factoren die voor de strafoplegging van belang worden geacht (zie HR 26 juni 1984, NJ 1985, 138).

31. De middelen falen. De middelen 3 en 4 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG