Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE0658

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
C00/295HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE0658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/166
JOL 2002, 343
JAR 2002, 166
JWB 2002/230

Conclusie

Zaaknummer C00/295HR

Mr Huydecoper

Zitting van 22 maart 2002

Conclusie inzake

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Deze zaak betreft een loonvordering van werknemer [verweerder] (verweerder in cassatie) jegens zijn voormalige werkgeefster [eiseres], thans eiseres tot cassatie. [Verweerder] is in de periode van 1 oktober 1993 tot 1 april 1994 als internationaal chauffeur in dienst geweest van [eiseres]. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen - in de destijds geldende versie, uiteraard - van toepassing. Het per periode van vier weken in totaal aan [verweerder] te betalen loon is nooit becijferd en in loonstroken neergelegd. [Verweerder] heeft een tweetal per bank en verder contant aan hem in Nederland gedane betalingen ontvangen, welke (deels) als voorschotten op het alsnog vast te stellen loon golden. Door [eiseres] zijn gedurende het dienstverband nimmer uren- of rittenstaten opgemaakt. In de periode van 1 april 1987 tot 10 maart 1992 is [verweerder] als chauffeur in dienst geweest van [B] B.V.(1) te Istanbul. In de periode van 25 maart 1992 tot en met 24 maart 1993 is [verweerder] als internationaal chauffeur in dienst geweest van [bedrijf A].(2)

2) [Verweerder] heeft - en vooralsnog met succes - [eiseres] aangesproken tot betaling van volgens [verweerder] onbetaald gebleven loon, met de wettelijke verhoging in verband met wanbetaling, en met verdere, in cassatie niet meer relevante schadeposten. Van de geschilpunten die in verband met deze vorderingen tussen de partijen zijn opgebracht, zijn er in cassatie nog maar twee over, samen te vatten als:

- of [verweerder] aanspraak heeft op salariëring volgens loonschaal E trede 4 van de CAO, hoewel de arbeidsovereenkomst naar loonschaal E trede 0 verwees. Daarover heeft de rechtbank geoordeeld dat de CAO zelf [verweerder] aanspraak verleent op honorering volgens de hogere loonschaal (nl. schaal E trede 4); en

- of bij de berekening van de wegens ontijdige betaling verschuldigde verhoging moet worden uitgegaan van het in totaal verschuldigde salaris, of alleen van het onbetaald gebleven gedeelte daarvan. Volgens [eiseres] zou de rechtbank ten onrechte het eerste hebben aangenomen c.q. toegepast.

3) Wat de procedure in feitelijke aanleg betreft merk ik nog op dat de kantonrechter een inlichtingen- en schikkingscomparitie heeft bevolen, die blijkens het eindvonnis in eerste aanleg ook heeft plaatsgehad. Kennelijk is daarvan geen proces-verbaal opgemaakt(3). De inventarissen van de stukken die de partijen in appel hebben verstrekt noemen geen proces-verbaal. Nu de rechtbank recht heeft gedaan op een dossier waar geen proces-verbaal deel van heeft uitgemaakt, is er geen aanleiding om in cassatie alsnog navraag naar het ontbreken van dit stuk te doen. Er wordt in cassatie ook geen beroep gedaan op stellingen die bij de desbetreffende comparitie aan de orde zouden zijn geweest.

Verder is te vermelden dat blijkens de dossierstukken er zowel in eerste aanleg als in appel (copiën van) tachograafregistraties, dag- of urenspecificaties en salarisberekeningen (en nog verschillende andere stukken) ter griffie zijn gedeponeerd. In cassatie zijn die stukken niet overgelegd of gedeponeerd. Ook hier geldt intussen dat er in cassatie geen beroep wordt gedaan op argumenten die kennisneming van deze stukken nodig maken. Daarom meen ik dat aan het ontbreken daarvan voorbij kan worden gegaan.

3) Het namens [eiseres] aangevoerde cassatiemiddel brengt met betrekking tot het eerste zojuist weergegeven geschilpunt twee klachten in stelling, en op het tweede geschilpunt één (samengestelde) klacht. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. [Eiseres] heeft het cassatiemiddel schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van het cassatiemiddel

4) Middel I betreft, zoals ik al aangaf, het oordeel van de rechtbank over de vraag of [verweerder] aanspraak kan maken op salaris volgens loonschaal E trede 4 dan wel loonschaal E trede 0, een en ander als bedoeld in art. 21 van de CAO.

5) Ingevolge art. 3 van de arbeidsovereenkomst(4) is daarop de destijds geldende CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing. Deze CAO heeft gegolden van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993(5). Bepalingen uit deze CAO (waaronder de bepalingen waarover het in cassatie met name gaat) zijn algemeen verbindend verklaard bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 april 1993(6). De CAO is niet verlengd, en is daarom geëindigd op 1 januari 1994. In art. 49 van de CAO is evenwel bepaald dat - zakelijk weergegeven - de CAO volledig van kracht blijft tijdens de onderhandelingen over een nieuwe CAO en uiterlijk tot drie maanden nadat de oude CAO is geëindigd. Op 18 april 1994 is een nieuwe CAO afgesloten, die met terugwerkende kracht gold van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994. Ook van deze CAO zijn vele bepalingen algemeen verbindend verklaard(7). Nu de CAO 1991-1993 krachtens art. 49 van kracht bleef tot 1 april 1994, heeft deze gedurende het gehele dienstverband van [verweerder] bij [eiseres] gegolden. Er doen zich derhalve geen CAO-overgangsrechtelijke problemen voor(8).

6) De CAO bepaalt:

Artikel 16

Functie-indeling

1. De functie-indeling vindt plaats op grond van het tussen partijen overeengekomen systeem van functiewaardering aan de hand van het bij deze CAO behorende boekje met functietyperingen (Bijlage II).

(...)

Artikel 17

Beroepsprocedure

1.a. Indien een werknemer het niet of niet meer eens is met de beschrijving van de functie waarin hij is aangesteld en/of bezwaar heeft tegen zijn functie-indeling in één der functieloonschalen genoemd in artikel 21, dient hij te streven naar een oplossing van het bezwaar langs normale wegen van overleg, als weergegeven in bijlage III.

b. Een beroep van een ex-werknemer kan in behandeling worden genomen als de uitspraak gevolgen kan hebben voor een op de laatste beloning gebaseerde wettelijke uitkering, dan wel als door de kantonrechter daarom wordt verzocht in een civiele procedure, mits de arbeidsovereenkomst niet langer dan één jaar ontbonden is.

2. Indien langs de in lid 1 aangegeven weg niet binnen een maand een bevredigende oplossing wordt verkregen, kan de werknemer zijn bezwaar schriftelijk voorleggen aan de Beroepscommissie Functiewaardering Beroepsgoederenvervoer over de weg. Het reglement voor deze commissie is opgenomen in bijlage IV.

3. Indien een bezwaar tegen de indeling in een functieloonschaal bij de beroepscommissie wordt kenbaar gemaakt, is de datum van indiening van dat bezwaar bepalend voor de indeling in de juiste functieloonschaal.

(...)

Artikel 18

Inschaling bij indiensttreding

1. Bij de indiensttreding wordt de werknemer ingeschaald in de bij zijn functie behorende functieloonschaal op de trede die overeenkomt met het aantal onafgebroken ervaringsjaren, direct voorafgaande aan de indiensttreding, dat de werknemer dezelfde of soortgelijke functie heeft bekleed, zowel in deze als in andere bedrijfstakken. Bij de vaststelling van het aantal ervaringsjaren blijven onderbrekingen van minder dan twee jaar buiten beschouwing.

2. Indien de ervaring niet is verworven in eenzelfde, maar in een soortgelijke functie, kan de werknemer vanaf de indiensttreding gedurende maximaal 1 jaar in de juiste loonschaal een trede lager worden geplaatst dan overeenkomt met zijn ervaringsjaren in die soortgelijke functie. Na dat jaar wordt de werknemer geplaatst op die trede die overeenkomt met zijn ervaringsjaren.

3. Bij de indiensttreding kan de werkgever bepalen dat de werknemer op een lagere trede in de juiste loonschaal wordt ingedeeld. Met terugwerkende kracht tot die datum van indiensttreding wordt de werknemer na de proeftijd ingedeeld op de trede, die overeenkomt met het aantal ervaringsjaren, zoals vastgesteld overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

7) (Onder andere) deze bepalingen uit de CAO zijn algemeen verbindend verklaard (bij het in voetnoot 6 aangehaalde besluit). Zij gelden daarom als recht in de zin van art. 79 RO.

8) Onderdeel 1 van middel I klaagt dat rov. 4.3.3. van het tussenvonnis in strijd komt met het stelsel van de CAO. Hoewel de klacht verder als motiveringsklacht is geformuleerd, mag daaraan m.i. ook de strekking worden toegekend dat de rechtbank blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de betekenis van (art. 18 van) de betreffende CAO. Die onjuiste rechtsopvatting zou er dan in zijn gelegen, zo begrijp ik het middelonderdeel, dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met art. 18 lid 3 CAO, dat zou meebrengen dat de werkgever bij de indiensttreding mag bepalen dat de werknemer op een lagere trede in de juiste loonschaal wordt ingedeeld(9).

9) Ik meen dat deze klacht faalt. Art. 18 van de CAO stelt in lid 1 voorop dat inschaling moet plaatsvinden met inachtneming van de ervaringsjaren van de werknemer. Art. 18 lid 3 laat daarop een beperkte uitzondering toe, met dien verstande dat na ommekomst van de proeftijd toch weer inschaling volgens de norm van lid 1 (en met terugwerkende kracht) moet plaatsvinden.

Art. 18 lid 3 ziet daarmee kennelijk alleen op gevallen waarin tussen werkgever en werknemer een proeftijd is overeengekomen, en laat in dat verband toe dat alléén voor de duur van die proeftijd (en alleen met materieel effect als de proeftijd niet succesvol verloopt) een afwijkende inschaling wordt gehanteerd.

10) [Eiseres] heeft zich er in de feitelijke instanties niet op beroepen dat tussen partijen het enigszins uitzonderlijke beding van art. 18 lid 3 zou zijn overeengekomen, en heeft dus ook niet aangevoerd dat daarmee rekening zou mogen worden gehouden bij de beoordeling van de vraag of [eiseres] er aanspraak op heeft dat de wettelijke verhoging wegens wanbetaling wordt gematigd. Bij gebreke daarvan bestond er voor de rechtbank geen aanleiding, en al helemaal geen verplichting om zich van deze (nu niet aanstonds voor de hand liggende) mogelijkheid rekenschap te geven. De rechtbank zou zich aan ongeoorloofde aanvulling van de door partijen gestelde feiten schuldig hebben gemaakt wanneer zij dit gegeven wel had onderzocht.

11) Onderdeel 2 van middel I bevat de motiveringsklacht dat twee daar nader aangeduide gegevens in de motivering van de bestreden vonnissen hadden moeten worden betrokken. Verder bevat dit onderdeel de rechtsklacht dat als ervaringsjaren in het kader van de CAO, alleen ervaringsjaren in aanmerking komen die de werknemer heeft doorgebracht bij een in Nederland gevestigde onderneming waarop de CAO daarom ook van toepassing is.

12) De motiveringsklacht(en) beoordeel ik als ongegrond. Wat [verweerder]'s ervaringsjaren betreft is er al dadelijk op te wijzen dat [eiseres] niet had gesteld dat de betreffende ervaring zich (geheel) buiten Nederland en zonder relevant verband met Nederland zou hebben afgespeeld, en (dus) ook niet dat (daarom) de betreffende ervaring niet in aanmerking zou mogen worden genomen. Wat wel (van de kant van [verweerder]) was gesteld, was dat zijn ervaring werk als internationaal chauffeur betrof(10). Bij die stand van zaken kon de stelling dat [verweerder]'s ervaring niettemin voor de toepassing van de CAO buiten beschouwing zou moeten blijven, niet (door de rechtbank) worden onderzocht zonder dat nader zou zijn gesteld waarom dat het geval zou zijn, en welke feiten daarvoor tot uitgangspunt zouden moeten dienen.

Voor het beroep dat thans in cassatie wordt gedaan op de in het geding gebrachte arbeidsovereenkomsten tussen [verweerder] en twee eerdere Nederlandse werkgevers, geldt mutatis mutandis hetzelfde: [eiseres] heeft met betrekking tot deze arbeidsovereenkomsten geen duidelijk gemotiveerd standpunt ingenomen. Daarom hoefde de rechtbank zich daarin niet te verdiepen (en is voor mij zeer vraag of de rechtbank daar wel nadere conclusies aan had mogen verbinden): het kan niet van de rechter, maar ook niet van de processuele wederpartij worden verlangd dat die zich afvragen wat de mogelijke bedoeling van niet of nauwelijks toegelichte producties is, en dat die vervolgens gemotiveerd reageren op de bedoelingen die men bijwege van gissing daaraan kan verbinden(11).

13) De rechtsklacht acht ik om overeenkomstige redenen niet juist. De CAO maakt slechts onderscheid naar gelang de werknemer ervaring heeft in 'dezelfde' of een 'soortgelijke' functie, zowel in dezelfde bedrijfstak als in andere bedrijfstakken (art. 18 lid 1 en 2 CAO). Alleen al uit het feit dat de ervaringsjaren van werknemers uit andere bedrijfstakken kennelijk ook meetellen voor de trede-indeling, blijkt dat de opvatting dat alleen de ervaringsjaren bij een onderneming waarop ook deze CAO van toepassing is, onjuist is. De tekst van de CAO(12) biedt verder geen enkel aanknopingspunt voor een onderscheid tussen "Nederlandse" en "buitenlandse" ervaringsjaren. Zoals al aangestipt, is aan het vak van (vrachtauto)chauffeur inherent dat het werk zich geheel of grotendeels in het buitenland kan afspelen. Het valt ook niet in te zien dat het voor de waarde die aan de ervaring van een chauffeur mag worden toegekend een beslissend verschil maakt waar deze zijn ervaring heeft opgedaan (hoogstens is men geneigd te denken dat "buitenland"-ervaring voor de werkgever soms een zekere méérwaarde kan betekenen). Dat maakt het eens temeer onaannemelijk dat (de CAO zou beogen dat) alleen ervaring bij een aan de CAO gebonden (Nederlandse) werkgever zou mogen meetellen.

14) Middel II klaagt over de rov. 4.6.3 en 4.6.4 van het tussenvonnis, in combinatie met het dictum van het eindvonnis. Deze overwegingen betreffen de wettelijke verhoging die over het loon is toegekend. De klacht komt er inhoudelijk op neer dat de rechtbank heeft miskend dat voor de berekeningsgrondslag voor de wettelijke verhoging, van het in totaal verschuldigde loon eerst de betaalde voorschotten moeten worden afgetrokken. Het middel voert - op zichzelf terecht - aan dat [eiseres] hierover ook in appel een grief heeft aangevoerd.

15) Het cassatiemiddel gaat hier van een juiste rechtsopvatting uit. Art. 7:625 BW bepaalt dat de werknemer, voor zover het in geld vastgesteld loon niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop de voldoening had moeten geschieden, aanspraak heeft op een verhoging wegens vertraging. Art. 7:625 lid 1 BW is op 1 april 1997 in werking getreden, en heeft onmiddellijke werking. De bepaling komt overigens nagenoeg overeen met het voordien geldende art. 7A:1638q lid 1 BW.

Dat de wettelijke verhoging moet worden berekend over het saldo van het verschuldigde loon verminderd met het betaalde loon, volgt zowel uit de tekst als uit de strekking van art. 7:625 BW. Art. 7:625 kent de aanspraak op verhoging wegens vertraging toe "voor zover het in geld vastgesteld loon (...) niet wordt voldaan (...)" (onderstreping toegevoegd). De tekst van art. 7A:1638q (oud) BW wijst nog sterker in deze richting. Die spreekt van het "in geld vastgesteld loon, of het gedeelte daarvan, dat overblijft na aftrek van hetgeen door den werkgever niet behoeft te worden uitbetaald". Het ligt ook in uitgesproken mate voor de hand dat het loon dat door de werkgever al bij wege van voorschot is uitbetaald, niet (nog een keer) behoeft te worden uitbetaald(13).

De strekking van art. 7:625 BW is, een prikkel te vormen voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zie HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207 en Arbeidsovereenkomst (losbl.), Olbers, art. 7:625, aant. 2. Die prikkel hoeft er niet te zijn voor wat al, bij wege van voorschot of anderszins, betaald is.

16) De rechtbank heeft intussen in rov. 4.6.3 van het tussenvonnis van 20 mei 1999 overwogen: "De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke verhoging dient te worden berekend over het salaris dat [verweerder] toekomt minus hetgeen reeds door [eiseres] bij wijze van betaling van salaris aan [verweerder] is voldaan.". Daarmee sluit de rechtbank aan bij de zojuist besproken berekeningswijze van de wettelijke verhoging. De klacht dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting lijkt mij daarom ongegrond.

17) Dat de rechtbank desondanks de door [eiseres] betaalde voorschotten niet op het berekende bruto salaris in mindering heeft gebracht berust klaarblijkelijk op de uitleg die de rechtbank aan het vonnis van de kantonrechter heeft gegeven. Ik licht dat toe: [verweerder] heeft in de inleidende dagvaarding de wettelijke verhoging alleen berekend over het loon, niet over de onbetaald gebleven dagvergoedingen. Hij heeft daarbij de voorschotbetalingen gekwalificeerd als voorschot op dagvergoedingen en loon, maar die eerst afgetrokken van de verschuldigde netto-dagvergoedingen. Omdat de voorschotten in de aanvankelijk door [verweerder] gemaakte berekening niet helemaal toereikend waren om de dagvergoedingen goed te maken, bleef er niets voor verrekening met het bruto-loon over.

18) [Eiseres] heeft over dit aspect van [verweerder]'s vordering niets gesteld; en de kantonrechter heeft dan ook, zoals in de rede ligt, de door [verweerder] toegepaste systematiek gevolgd. Daarbij heeft de kantonrechter, zoals ik uit het dictum van diens vonnis opmaak, de betaalde voorschotten verrekend met de vastgestelde dagvergoedingen én met het toegewezen bedrag aan schadevergoeding wegens buitengerechtelijke kosten(14). Alleen zo kan ik verklaren dat er feitelijk niets overbleef dat met het bruto-loon verrekend kon worden.

De grief waarnaar het cassatiemiddel verwijst (MvG p. 6) luidt:

"Daar komt nog bij dat in de visie van [eiseres] de kantonrechter (...) ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat deze wettelijke verhoging over het volledige brutosalaris is berekend dat [eiseres] volgens [verweerder] aan deze verschuldigd zou zijn geweest, dit zonder rekening te houden met de reeds uitbetaalde netto-equivalent van dat bedrag. Een en ander klemt des te sterker nu de kantonrechter tevoren heeft overwogen dat de door [eiseres] betaalde netto-bedragen in mindering strekken op de netto-equivalent van het als brutosalaris verschuldigde bedrag ad ƒ 43.918,35 (...)"

Deze klacht is niet specifiek gericht tegen de door de kantonrechter (op het voetspoor van [verweerder], en in eerste aanleg ook niet betwist) gevolgde methode van toerekening, en ging in zoverre dus langs de aangevochten beslissing heen.

19) De methode van toerekening wordt ook in cassatie niet aangevochten. Daaruit volgt dat wat de rechtbank op het voetspoor daarvan heeft beslist, tevergeefs wordt bestreden; maar daarop geldt één uitzondering: kantonrechter en rechtbank lijken ten onrechte te hebben aangenomen dat het vastgestelde bedrag aan voorschotten geheel "wegloopt" tegen de eveneens vastgestelde dagvergoedingen en buitengerechtelijke kosten. Dat is niet het geval: het gaat om (f 11.339,13 (dagvergoedingen) plus f 940,- (buitengerechtelijke kosten)) = f 12.279,13, waarmee een vastgesteld bedrag van f 12.360,60 aan voorschotten moet worden verrekend. Dat levert nog het bescheiden saldo van f 81,47 in het voordeel van [eiseres] op. Toepassing van de wettelijke verhoging van 50% op dat bedrag geeft een correctie te zien van f 40,73(15).

Ik zou menen dat het middel zo mag worden begrepen, dat daarmee ook een op dit aspect van de beslissing gerichte (motiverings)klacht wordt beoogd.

20) Ik kom dan ook tot de conclusie dat middel II, voorzover het is gericht tegen het eindvonnis, op dit betrekkelijk triviale punt slaagt. Het tussenvonnis wordt daarentegen tevergeefs bestreden - zoals al opgemerkt geeft rov. 4.6.3 blijk van de juiste rechtsopvatting.

Verwijzing lijkt mij bij deze stand van zaken niet aangewezen. Er is slechts een punt van ondergeschikte aard aan de orde, dat aan de hand van de gedingstukken kan worden afgedaan (art. 421 Rv.). Daartoe zou de Hoge Raad, ter vermijding van een omslachtig dictum, kunnen verstaan dat het bedrag van de aan [verweerder] toegewezen loonvordering waarover de wettelijke verhoging mag worden berekend, moet worden verminderd met f 81,47 dan wel (bij de in voetnoot 15 gevolgde gedachtegang) met f 1.021,47 (dat is in euro's resp. € 39,97 en € 463,52); met verwerping van het beroep voor het overige.

Ik meen dat een kostenveroordeling ten laste van [verweerder] bij deze uitkomst niet aangewezen is.

Conclusie

Deze strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan zoals zojuist in alinea 20 gesuggereerd, en voor het overige het cassatieberoep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zo is de naam in de stukken (vertaald) weergegeven. Het ligt intussen in de rede dat dit niet een Nederlandse rechtspersoon is.

2 Zie voor deze feiten het tussenvonnis van de rechtbank Roermond van 20 mei 1999, rov. 4.1.

3 In cassatiedossiers treedt dit verschijnsel de afgelopen jaren zo vaak aan het licht, dat de indruk moeilijk valt te vermijden dat het niet-opmaken van proces-verbaal inmiddels veelvuldig voorkomt. Ik wil niet onvermeld laten dat dit geen wenselijke ontwikkeling kan worden genoemd, nog daargelaten dat deze praktijk niet spoort met de wet (thans art. 88 lid 3 Rv., destijds art. 19a lid 3 Rv.)

4 Maar in verband met de hierna te bespreken algemeen verbindend verklaring zou deze CAO zeer waarschijnlijk ook zonder desbetreffende bepaling in de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn geweest.

5 Deze CAO was ook van toepassing in de zaken, beoordeeld in de arresten HR 27 maart 1998, NJ 1998, 709 m.nt. TK, HR 28 mei 1999, NJ 1999, 509 en HR 3 september 1999, NJ 1999, 734.

6 Stcrt. 1993, nr. 67en 68 onder DCA-nr. 7750. Of de CAO algemeen verbindend is verklaard is van belang, omdat dit verschil maakt voor de wijze waarop de uitleg van de CAO in cassatie kan worden beoordeeld. De bepalingen uit een CAO die niet algemeen verbindend zijn verklaard, noch algemeen verbindend zijn geweest, gelden niet als recht in de zin van art. 79 RO; zie, nog onlangs, HR 8 februari 2002, C00/135, JAR 2002, 46 en eerder bijvoorbeeld HR 16 maart 1962, NJ 1963, 222 m.nt. JHB. De uitleg van dergelijke CAO-bepalingen is daarom voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, zie Arbeidsovereenkomst (losbl.), Olbers, Wet op de CAO, art. 12, aant. 11. Algemeen verbindend verklaarde CAO-bepalingen gelden wel als recht in de zin van art. 79 RO, zie bijv. HR 2 november 1990, NJ 1991, 25; HR 27 september 1991, NJ 1991, 788; HR 12 november 1993, NJ 1994, 120 en HR 19 april 1996, NJ 1996, 500.

Voor de uitleg van CAO-bepalingen zijn de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis, zie HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 en HR 24 september 1993, NJ 1994, 174 m.nt. PAS; HR 19 december 1997, NJ 1998, 300; Arbeidsovereenkomst (losbl.), Olbers, Wet op de CAO, art. 1, aant. 18. Dit geldt zowel voor algemeen verbindend verklaarde bepalingen als voor bepalingen die dat niet zijn.

7 Zie Stcrt.14 december 1994, nr. 241 met bijvoegsel, onder I-SZW nr. 8156.

8 De CAO 1994 had weliswaar terugwerkende kracht, maar dat maakt haar nog niet toepasselijk op een arbeidsovereenkomst die ten tijde van het afsluiten van die CAO al was beëindigd, zie de conclusie van A-G Hartkamp onder 8 vóór HR 27 maart 1998, NJ 1998, 709 m.nt. TK. Overigens zijn de relevante bepalingen van de CAO 1991-1993 niet wezenlijk anders dan die van de CAO 1994.

9 Uit de schriftelijke toelichting (nr. 16) blijkt dat [eiseres] de klacht veel ruimer opvat.

De beschouwingen in de s.t. over de vraag of een onjuiste inschaling moet worden gezien als een nietig beding in de zin van art. 12 CAO, zal ik niet behandelen, omdat het middel zelf hierover geen klacht inhoudt. (Overigens lijkt mij dat uit de door [eiseres] aangehaalde bronnen (citaat parlementaire geschiedenis en HR 14 januari 2000, NJ 2000, 273 m.nt. JH en met conclusie A-G Hartkamp) duidelijk blijkt dat de hoogte van het salaris een beding betreft dat door de nietigheid van art. 12 Wet CAO kan worden getroffen - iets wat bovendien nogal voor de hand ligt).

De s.t. gaat er verder kennelijk van uit dat middelonderdeel I.1 weer teruggrijpt op de in feitelijke instanties gevoerde discussie over de vraag of de bezwaar- en beroepsprocedure van art. 17 van de CAO alleen geldt voor geschillen over de loonschaal, of ook voor geschillen over de inschaling in treden binnen de loonschaal waarin de werknemer is ingedeeld. Ook hierover bevat het middel echter geen klacht. (Ook hier zou ik intussen menen dat de door de rechtbank gegeven beslissing juist is, zij het om een andere reden dan door de rechtbank aangenomen. Ik neem namelijk aan dat de CAO de aangegeven beroepsgang niet als exclusief (en dus de weg naar de rechter afsluitend) bedoelt. Ik maak dat op uit art. 17 lid 1 sub b) van de CAO, dat uitgaat van de mogelijkheid dat de beroepsgang via de CAO in het kader van een civiele procedure, en dan op initiatief van de rechter, wordt toegepast. Daarmee laat zich moeilijk verenigen dat de bepalingen omtrent de beroepsprocedure de weg naar de civiele rechter zouden beogen af te sluiten. Voor het overige zou ik echter denken dat de beroepsgang van art. 17 CAO zowel bij geschillen over de eigenlijke functiewaardering als bij geschillen over de inschaling in treden toegepast kan worden. Dat leid ik af uit het feit dat art. 17 lid 1 sub a) van de CAO apart melding maakt van bezwaar tegen de "functie-indeling in een der loonschalen genoemd in art. 21", naast de "beschrijving van de functie waarin hij is aangesteld". Met dat laatste worden, zou ik denken, de door de rechtbank genoemde functieloonschalen A tot en met H bedoeld, en met het eerste veeleer de (nadere) schalen die verkregen worden door het in art. 21 uitgewerkte systeem van schalen en treden. Inzoverre acht ik de uitleg van de CAO waartoe de rechtbank is gekomen dan ook aanvechtbaar - maar die uitleg wordt, als gezegd, door het middel niet bestreden.).

10 Rov. 4.3.3 van het rechtbank(tussen)vonnis van 20 mei 1999. Aan het werk van een (vrachtauto)chauffeur is inherent dat dat zich niet op een bepaalde plaats afspeelt, en dat het zich geredelijk geheel of grotendeels in het buitenland kan afspelen. De (hoofd)plaats van vestiging van de werkgever (de processtukken laten zien dat [verweerder]'s voormalig werkgever [B B.V.] in meerdere filialen in Europa gevestigd is) vormt niet noodzakelijkerwijs een aanwijzing dat de werknemer-chauffeur nu juist daar ter plaatse werkzaam was, en al helemaal niet, dat hij geen voor de Nederlandse praktijk alleszins relevante ervaring bezit.

11 Illustratief is in dit verband HR 7 december 1991, NJ 1991, 216, rov. 3.1.

12 Zoals in voetnoot 6 aangegeven, is deze tekst voor de aan de CAO te geven uitleg beslissend.

13 Zie art. 7:632 lid 1 sub c BW. Het kan op het eerste gezicht verbazen dat art. 7:625 BW niet mede naar art. 7:632 BW verwijst. Het uitgangspunt van art. 7:625 BW is (kennelijk, en als gezegd: nogal voor de hand liggend) dat wat vooruit betaald is of bij wege van verrekenbaar voorschot betaald wordt als reeds (tijdig) betaald geldt, en daarom bij de toepassing van art 7:625 niet aan de orde kan komen, zie bijv. Arbeidsovereenkomst (losbl.), Olbers, art. 632, aant. 3. De bepalingen van art. 7:628 en 7:633 BW waar art. 7:625 BW specifiek naar verwijst, zien dan ook op aan derden verschuldigde dan wel uit externe bronnen beschikbaar komende bedragen of middelen, die niet voor rekening van de werkgever mogen komen, terwijl toch niet geldt dat die bedragen als vanzelfsprekend kunnen worden aangemerkt als door de werkgever aan de werknemer betaald.

14 Of die manier van verrekening correct is kan, nu daarover noch in appel noch in cassatie geklaagd wordt, onbesproken blijven.

15 Ik sluit niet uit dat ik de beslissingen van kantonrechter en rechtbank in zoverre verkeerd lees, dat deze geen aanleiding hebben gezien om ook het bedrag aan buitengerechtelijke kosten met de betaalde voorschotten te verrekenen. In dat geval zou ook nog 50% van het voor buitengerechtelijke kosten toegewezen bedrag, oftewel f 470,-, op de wettelijke verhoging in mindering kunnen worden gebracht.