Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE0631

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
31-05-2002
Zaaknummer
C00/107HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE0631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verhaalswet ongevallen ambtenaren 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 311
NJ 2004, 161 met annotatie van J. Hijma
RvdW 2002, 90
VR 2002, 216
JWB 2002/196
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C00/107

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 8 maart 2002

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

Stichting Pensioenfonds ABP, voorheen genaamd het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds

Inleiding

1. In deze zaak gaat het om het volgende.

i) Op 17 mei 1982 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de fietsster [eiseres], thans eiseres tot cassatie, en de bromfietser [betrokkene 1], die bij het ongeval zijn linkerheup heeft gebroken.

ii) [Betrokkene 1], ten tijde van het ongeval 54 jaar oud, was werkzaam als bode in dienst van het Gemeentevervoerbedrijf te Amsterdam en als zodanig ambtenaar in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet.

iii) [Betrokkene 1] is met ingang van 1 oktober 1984 afgekeurd voor zijn werkzaamheden.

iv) Thans verweerster in cassatie, de Stichting Pensioenfonds ABP, verder: ABP, heeft vanaf 1 oktober 1984 tot 1 november 1992 (de datum waarop [betrokkene 1] de pensioengerechtigde leeftijd bereikte) aan en ten behoeve van [betrokkene 1] uitkeringen als bedoeld in art. 2 Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA) gedaan. ABP heeft vervolgens getracht op de voet van art. 2 VOA verhaal te zoeken ter zake van deze uitkeringen.

v) ABP en het Bureau Schade-afwikkeling van het Ministerie van Financiën, dat destijds de claim van ABP behandelde, hebben sinds eind 1984 gecorrespondeerd met de onderlinge schadeverzekeringsmaatschappij Woudsend Anno 1816 U.A. (verder: Woudsend), bij welke maatschappij [eiseres] voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd was.

vi) Bij brief van 26 november 1990 heeft Woudsend de aansprakelijkheid voor de verhaalsvordering van ABP als zodanig erkend. Woudsend heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de vordering is beperkt tot een bedrag van f 9.541.04, welk bedrag zij ook heeft voldaan.

2. ABP heeft op 22 december 1994 de dit geding inleidende dagvaarding uitgebracht nadat zij aanvankelijk Woudsend had gedagvaard in de veronderstelling dat Woudsend als WAM-verzekeraar (rechtstreeks) aansprakelijk was. Na wijziging van eis heeft ABP van [eiseres] betaling gevorderd op de voet van art. 2 en 3 VOA respectievelijk art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW van een bedrag van f 171.345,- ter zake van gedane uitkeringen en van een bedrag van f 8.968,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente en verminderd met het reeds betaalde bedrag van f. 9.541,-. ABP heeft in dat verband betoogd dat [eiseres] jegens [betrokkene 1] volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval aangezien [betrokkene 1] zich op overmacht kan beroepen omdat - aldus ABP - [eiseres] geheel onverwacht naar links afsloeg toen [betrokkene 1] haar passeerde, terwijl [betrokkene 1] daarop niet bedacht behoefde te zijn.

3. [Eiseres] heeft verweer gevoerd. Zij heeft ten eerste betoogd dat de vordering van ABP is verjaard. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de op de VOA gebaseerde verhaalsvordering van ABP valt onder art. 3:310 lid 1 BW met zijn verjaringstermijn van vijf jaar (en niet onder art. 3:306 BW met zijn termijn van twintig jaar) nu deze bepaling blijkens de parlementaire geschiedenis een ruime strekking heeft. Zij heeft voorts betoogd dat van stuiting van de verjaring door erkenning namens haar door Woudsend geen sprake kan zijn nu zij niet is gebonden aan uitlatingen van Woudsend. Verder heeft zij betoogd dat het door ABP gedane beroep op overmacht niet opgaat nu [betrokkene 1] in redelijkheid rekening had behoren te houden met de mogelijkheid dat [eiseres] linksaf zou slaan. Met een beroep op HR 18 februari 1994, NJ 1995, 607, m.nt. CJHB heeft zij betoogd dat de door het ABP gevorderde buitengerechtelijke kosten niet op de voet van art. 6:96 BW voor vergoeding vatbaar zijn nu de onderhavige verhaalsvordering geen vordering is tot vergoeding van schade.

4. De Rechtbank honoreerde [eiseres'] betoog dat de op de VOA gebaseerde verhaalsvordering moet worden aangemerkt als rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van art. 3:310 BW. Zij overwoog in dat verband het volgende:

"4. Anders dan het ABP meent kan aan de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in het kader van de VOA niet worden ontleend dat een vordering op grond van die wet geen rechtsvordering tot vergoeding van schade is, als bedoeld in artikel 3:310 BW. Weliswaar kent de VOA het verhalend (overheids)lichaam een eigen, zelfstandig verhaalsrecht toe en wordt de omvang van het verhaal slechts beperkt door het civiele plafond, maar dit neemt niet weg dat de strekking van de wet is het financieel nadeel op te heffen, dat het verhalend lichaam lijdt terzake van het ongeval dat de ambtenaar is overkomen, in verband met de bezoldiging en de daarmee verband houdende uitkeringen zonder dat daar een arbeidsprestatie van de ambtenaar tegenover stond. Daarbij komt dat aan de VOA de opvatting ten grondslag ligt dat degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is door het in deze wet gecreëerde zelfstandige verhaalsrecht in beginsel niet in een slechtere positie behoort te raken dan wanneer hij uitsluitend op grond van onrechtmatige daad aangesproken had kunnen worden.

Een en ander leidt tot de conclusie dat bij de beoordeling van de vraag welke de aard is van de vordering op grond van de VOA niet volledig kan worden geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding tussen pleger en slachtoffer van een onrechtmatige daad en dat een dergelijke vordering moet worden aangemerkt als een rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van artikel 3:310 BW."

De Rechtbank verwierp evenwel [eiseres'] beroep op verjaring met de overweging dat de verjaring rechtsgeldig is gestuit doordat Woudsend als gevolmachtigde van [eiseres] de aansprakelijkheid heeft erkend, althans dat ABP aan de hiervoor onder 1 vi genoemde brief van Woudsend en de daarop gevolgde betaling het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat aansprakelijkheid werd erkend. De Rechtbank overwoog voorts dat gezien deze erkenning niet meer behoefde te worden ingegaan op [eiseres'] betoog inzake overmacht.

De Rechtbank heeft de vordering van ABP ter zake van de buitengerechtelijke kosten, door de Rechtbank gekwalificeerd als buitengerechtelijke incasso-kosten, afgewezen met een beroep op HR 18 februari 1994, NJ 1995, 607, m.nt. CJHB, inhoudende dat de door het verhalend lichaam gemaakte buitengerechtelijke kosten niet vallen onder het verhaalsrecht van de VOA en dat de redelijkheid niet meebrengt dat het verhaalsrecht zou behoren te worden uitgebreid tot de met het uitoefenen van dat recht gepaard gaande buitengerechtelijke kosten.

De Rechtbank kwam aldus tot een veroordeling van [eiseres] tot betaling van f 171.345,- verminderd met f 9.541,- en vermeerderd met wettelijke rente.

5. [Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld; ABP heeft incidenteel appèl aangetekend.

6. Het Hof verwierp de incidentele grief van ABP dat op de onderhavige verhaalsvordering van toepassing is de algemene verjaringstermijn van twintig jaar als bedoeld in art. 3:306 BW. Het Hof overwoog daartoe als volgt:

"4.2. (...) Gelet op het karakter van de verhaalsvordering zoals die uit het bepaalde bij de VOA, in het bijzonder uit artikel 2 van die wet, blijkt alsmede gelet op de ruime strekking die blijkens de wetsgeschiedenis aan het begrip "rechtsvordering tot vergoeding van schade" in artikel 3:310 BW toekomt, moet de slotsom zijn dat op de onderhavige vordering de in dat artikel (lid 1) bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is."

Het Hof achtte gegrond de incidentele grief gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat ABP ten onrechte vergoeding vordert van buitengerechtelijke incasso-kosten. Na te hebben overwogen dat het hier gaat om kosten verbonden aan - onder meer - het doen opmaken van het door ABP in het geding gebrachte schaderapport inhoudende een civiel plafondonderzoek en een civiel plafondberekening, overwoog het Hof:

"4.19. De rechtbank heeft (...) geoordeeld dat ABP ten onrechte vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten vordert, en heeft de desbetreffende vordering afgewezen. Daartegen is de (...) grief in het incidenteel appel gericht.

(...)

De grief slaagt. Het hof acht die kosten - in het voetspoor van hetgeen werd overwogen in HR 5 december 1997, NJ 1998,400, ook al ging het daar niet om VOA-verhaal - toewijsbaar, aangezien - mede gelet op de van die kosten gegeven specificatie en op de materie waar het hier om gaat - het maken door ABP van die kosten redelijk moet worden genoemd, terwijl hetzelfde voor de omvang van die kosten geldt. Een en ander is door [eiseres] ook niet (voldoende) bestreden."

Het Hof heeft daarop de kosten in het incidentele appèl gecompenseerd nu de grief met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten gegrond en die m.b.t. de toepasselijkheid van art. 3:310 BW ongegrond was bevonden.

In het principale beroep verwierp het Hof de grieven van [eiseres], onder welke de grief dat de Rechtbank ten onrechte [eiseres] volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de door [betrokkene 1] als gevolg van het ongeval geleden schade; in deze grief betoogde [eiseres] dat van overmacht aan de zijde van [betrokkene 1], de bestuurder van een motorrijtuig (de bromfiets), geen sprake is zodat met het oog op de reflexwerking van art. 31 WVW (oud) de schade in beginsel voor een deel voor rekening van [betrokkene 1] moet blijven. Het Hof overwoog:

"4.12. (...) Uitgangspunt dient te zijn dat de fietster [eiseres], wier schuld aan de aanrijding vaststaat (welke schuld namens [eiseres] door Woudsend is erkend (...)), de aan [betrokkene 1] berokkende schade volledig dient te vergoeden als aannemelijk is dat de aanrijding aan de zijde van de bromfietser - [betrokkene 1] - is te wijten aan "overmacht" in de zin van artikel 31 lid 1 WVW (oud). Dat zal met name zo zijn indien aannemelijk is dat de fouten van de fietsster [eiseres] voor [betrokkene 1] zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met deze mogelijkheid geen rekening behoefde te houden.

Van de onderhavige aanrijding is door de politie een zogenoemd registratieformulier opgemaakt dat als produktie 5 bij conclusie van repliek is overgelegd. Op dit formulier wordt de toedracht van het ongeval aldus omschreven, voorzover hier van belang:

"De 14-1 ([eiseres];hof) en 14-2 ([betrokkene 1];hof) kwamen beiden over het fietspad van het Rhijnspoorplein komende uit de richting van de Wibautstraat en gaande in de richting van het Weesperplein. Ter hoogte van de kruising van het fietspad met het fietspad vanaf de Mauritskade maakte de fietster een bocht naar links, met de bedoeling haar weg in de richting van de Torontobrug te vervolgen, juist op het moment, dat de bromfietser haar links inhaalde. De 14-1 gaf geen richting aan, waardoor de 14-2 tegen haar opreed en beiden kwamen te vallen".

Gelet op deze omschrijving, die door [eiseres] niet (genoegzaam) is bestreden, is voldoende aannemelijk dat het linksaf slaan door [eiseres] (zonder richting aan te geven) op het moment dat [betrokkene 1] haar aan het inhalen was, voor [betrokkene 1] zo onwaarschijnlijk was dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. Daarmee is overmacht aan de zijde van [betrokkene 1] voldoende aannemelijk en wordt - bij gebreke van wederzijdse fouten - aan een afweging als door [eiseres] bepleit niet toegekomen."

Het Hof heeft ten slotte het principaal appèl verworpen en in het incidenteel appel het vonnis waarvan beroep vernietigd doch uitsluitend voorzover daarbij de gevorderde buitengerechtelijke kosten met rente werden afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof [eiseres] veroordeeld tot betaling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

7. [Eiseres] heeft tijdig principaal cassatieberoep ingesteld; ABP heeft incidenteel cassatieberoep aangetekend. Partijen hebben over en weer tot verwerping geconcludeerd; zij hebben de zaak van een schriftelijke toelichting voorzien en bovendien nog gerepliceerd en gedupliceerd.

Het principaal cassatieberoep

8. Middelonderdeel 1 bestrijdt 's Hof oordeel in rechtsoverweging 4.12 van zijn arrest dat overmacht aan de zijde van [betrokkene 1] voldoende aannemelijk is aangezien, gelet op de niet (genoegzaam) door [eiseres] bestreden ongevalsomschrijving in het registratieformulier van de politie, voldoende aannemelijk is dat het linksafslaan door [eiseres] (zonder richting aan te geven) op het moment dat [betrokkene 1] haar aan het inhalen was, voor [betrokkene 1] zo onwaarschijnlijk was dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. Geklaagd wordt dat 's Hofs oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, is. Ter adstructie van deze klacht wordt betoogd het Hof uit het oog heeft verloren dat een bromfietser die een fietser inhaalt, althans dit doet terwijl een zijweg links in het verschiet ligt, erop bedacht dient te zijn dat de fietser zonder richting aan te geven linksaf kan slaan. Reeds het inhalen is, aldus het middel, een gevaarlijke manoeuvre en werd daarom destijds door het in 1982 geldende art. 34 RVV 1966 verboden indien er enig gevaar of zelfs hinder aan verbonden is.

9. Deze klacht faalt. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat uitgangspunt dient te zijn dat de fietsster [eiseres], wier schuld aan de aanrijding vaststaat, de aan de bromfietser [betrokkene 1] berokkende schade volledig dient te vergoeden als aannemelijk is dat de aanrijding aan de zijde van [betrokkene 1] is te wijten aan "overmacht" in de zin van artikel 31 lid 1 WVW (oud). Zie in dit verband HR 4 mei 2001, RvdW 2001, 99. Van overmacht is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake ingeval aan de bestuurder van het motorrijtuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen voorzover van belang voor de veroorzaking van het ongeval. Daarbij geldt dat eventuele fouten van andere weggebruikers, die van het slachtoffer daaronder begrepen, alleen van belang zijn indien zij voor de bestuurder zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Zie HR 4 mei 2001, RvdW 2001, 99 en HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527. ([Eiseres] was ten tijde van het ongeval 19 jaar, zodat niet van toepassing is de regel dat ten aanzien van kinderen jonger dan veertien jaar slechts sprake is van overmacht wanneer de gedragingen van het kind opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid ter zake van de aanrijding opleveren. Zie HR 1 juni 1990, NJ 1991, 720, m.nt. CJHB en HR 31 mei 1991, NJ 1991, 721, m.nt. CJHB.)

Uit zijn gewraakte overweging blijkt dat het Hof de hiervoor genoemde maatstaf heeft gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of aan de zijde van [betrokkene 1] overmacht aanwezig was. In zoverre is van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip overmacht dan ook geen sprake.

Het Hof heeft geoordeeld dat gelet op de niet (genoegzaam) betwiste ongevalsomschrijving in het registratieformulier van de politie voldoende aannemelijk is dat het linksaf slaan door [eiseres] (zonder richting aan te geven) juist op het moment dat [betrokkene 1] haar aan het inhalen was, voor [betrokkene 1] zo onwaarschijnlijk was dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. Kennelijk heeft het Hof bij dat oordeel, een oordeel dat verweven is met waarderingen van feitelijke aard en dat in zoverre in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst, met name betekenis toegekend aan het feit dat [eiseres] - volgens bedoelde ongevalsomschrijving - linksaf is gaan slaan juist op het moment dat [betrokkene 1] haar aan het inhalen was.

Ter adstructie van zijn klacht dat 's Hofs oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is, betoogt het middel dat een bromfietser die een fietser inhaalt, "althans dit doet terwijl er een zijweg links in het verschiet ligt", erop bedacht dient te zijn dat de fietser zonder richting aan te geven linksaf kan slaan. Aldus geeft het middel niet aan waarom rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat het linksaf slaan door [eiseres] voor [betrokkene 1] in de omstandigheden van het geval, waaronder deze dat [eiseres] (zoals blijkt uit het registratieformulier van de politie) ter hoogte van de kruising linksaf is gaan slaan juist op het moment dat [betrokkene 1] haar aan het inhalen was, voor [betrokkene 1] zo onwaarschijnlijk was dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. Met zijn betoog dat het Hof heeft miskend wat geldt in geval "een zijweg links in het verschiet ligt", faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag aangezien het Hof ervan is uitgegaan dat het ongeval plaatsvond "ter hoogte van de kruising" gezien zijn verwijzing naar het registratieformulier van de politie. De in het middel besloten liggende stelling dat nimmer sprake kan zijn van overmacht indien een inhaalmanoeuvre wordt uitgevoerd terwijl "een zijweg links in het verschiet ligt", faalt aangezien deze stelling in haar algemeenheid te ver gaat.

10. Terzijde merk ik nog op dat het middel naar mijn oordeel niet is gericht tegen een overweging ten overvloede zoals ABP in haar schriftelijke toelichting betoogt. Anders dan ABP veronderstelt, is het Hof - getuige zijn rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 - ervan uitgegaan dat de aansprakelijkheid voor de verhaalsvordering als zodanig door Woudsend namens [eiseres] is erkend onder de restrictie dat de omvang van die vordering niet hoger was dan f 9.541,04, en dat aldus weliswaar is erkend dat [eiseres] schuld had aan de aanrijding doch niet dat geen sprake was van wederzijdse fouten.

11. Middelonderdeel 2 bestrijdt 's Hofs oordeel dat de door ABP gevorderde buitengerechtelijke kosten in het voetspoor van hetgeen werd overwogen in HR 5 december 1997, NJ 1998, 400, m.nt. JH onder HR 5 december 1997, NJ 1998, 402 toewijsbaar zijn aangezien het maken door ABP van die kosten redelijk moet worden genoemd terwijl hetzelfde geldt voor de omvang van die kosten. Geklaagd wordt dat 's Hofs oordeel in strijd is met het recht zoals dit is te kennen uit HR 18 februari 1994, NJ 1995, 607, m.nt. CJHB en 29 april 1994, NJ 1995, 609, m.nt. CJHB. Geklaagd wordt dat in VOA-zaken geen plaats is voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten en dat 's Hofs verwijzing naar het arrest HR 5 december 1997, NJ 1998, 400, m.nt. JH onder HR 5 december 1997, NJ 1998, 402 geen juiste grondslag vormt voor 's Hofs oordeel; het Hof wordt verweten ten onrechte te verwijzen naar de redelijkheidstoets van de wet.

12. In zijn door het middel genoemde arresten van 18 februari 1994 en 29 april 1994 heeft de Hoge Raad beslist dat de door het verhalend lichaam gemaakte buitengerechtelijke kosten niet krachtens art. 2 VOA voor vergoeding in aanmerking komen nu krachtens deze bepaling slechts verhaalbaar zijn de kosten van de uitkeringen of verstrekkingen zelf die door het verhalend lichaam krachtens de rechtspositieregeling van de ambtenaar ter zake van een aan deze overkomen ongeval zijn verleend. Tevens werd geoordeeld dat nu de kosten van bedoelde uitkeringen of verstrekkingen kunnen worden verhaald zonder dat is vereist dat het verhalend lichaam schade of nadeel heeft geleden, de redelijkheid daartegenover niet meebrengt dat het verhaalsrecht zou behoren te worden uitgebreid tot de met het uitoefenen van dat recht gepaard gaande buitengerechtelijke kosten.

De Hoge Raad heeft evenwel in zijn door het Hof genoemde arrest van 5 december 1997 - in het voetspoor van de rijk gedocumenteerde conclusie van zijn A-G Hartkamp - geoordeeld dat een ziekenfonds dat op de voet van art. 83b ZFW verhaal zoekt op de laedens voor de krachtens de verplichte verzekering gemaakte kosten, voor de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand "als iedere crediteur van een geldvordering welke niet wordt voldaan" ingevolge het bepaalde in art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW - welke wetsbepaling geacht moet worden ook het vóór 1 januari 1992 op dit stuk geldende recht weer te geven - recht heeft op redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Noch het bepaalde in art. 83b ZFW noch het stelsel van de Ziekenfondswet noch enige andere rechtsregel noopt tot de slotsom dat de voormelde bepaling niet mede zou gelden ter zake van een regresvordering van een ziekenfonds als waarom het hier gaat, aldus de Hoge Raad in zijn arrest. Hartkamp had - onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 338 - erop gewezen dat naar de bedoeling van de wetgever buitengerechtelijke kosten niet alleen kunnen worden gevorderd indien de hoofdvordering strekt tot het betalen van schadevergoeding (hetzij als primaire vordering, bijvoorbeeld een vordering uit onrechtmatige daad, hetzij als secundaire vordering, bijvoorbeeld de vordering tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in art. 6:87 BW) maar ook indien de hoofdvordering strekt tot nakoming van een verbintenis, ook ingeval de vordering strekt tot betaling van een geldsom. Nodig is uiteraard, aldus Hartkamp, dat de schuldeiser recht heeft verkregen op schadevergoeding ter zake van het feit dat de schuldenaar deze geldschuld niet nakomt nu het bij art. 6:96 BW immers gaat om de vergoeding van een bepaalde schadepost; daartoe zal - aldus nog steeds Hartkamp -in het algemeen een ingebrekestelling vereist zijn tenzij zich één van de gevallen van art. 6:83 onder a of c BW voordoet.

Ervan uitgaande dat [eiseres] verplicht was de door ABP gemaakte kosten van de door deze gedane uitkeringen te vergoeden en dat [eiseres] had geweigerd meer te vergoeden dan het namens haar voldane bedrag van f 9.541,-, is het Hof "in het voetspoor van hetgeen werd overwogen in HR 5 december 1997, NJ 1998, 400" terecht ervan uitgegaan dat ook ABP als verhalend lichaam in de zin van de VOA "als iedere crediteur van een geldvordering die niet wordt voldaan" ingevolge het bepaalde in art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW recht heeft op redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Noch het bepaalde in art. 2 VOA noch het stelsel van de VOA noch enige andere rechtsregel noopt tot de slotsom dat ar. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW niet mede zou gelden ter zake van een verhaalsvordering van een verhalend lichaam als waar het hier om gaat. Kennelijk is het Hof - met ABP - ervan uitgegaan dat de door ABP in dit geding gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn aan te merken als kosten zoals bedoeld in art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW; de Rechtbank heeft deze kosten ook aangemerkt als buitengerechtelijke incasso-kosten. Tegen dat oordeel komt het middel niet op, zodat hier de vraag kan blijven rusten of de gevorderde kosten als zodanig zijn te kwalificeren nu het kennelijk met name gaat om kosten ter berekening van het civiel plafond en daarmee om kosten ter berekening van de hoogte van de vordering.

De in het middel vervatte klacht dat het Hof heeft miskend dat uit de arresten van de Hoge Raad van 18 februari 1994 en van 29 april 1994 blijkt dat in VOA-zaken geen plaats is voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten ziet eraan voorbij dat uit deze arresten slechts kan worden afgeleid dat buitengerechtelijke kosten niet op de voet van art. 2 VOA voor vergoeding in aanmerking komen en dat uit het (recentere) arrest van de Hoge Raad van 5 december 1997 volgt dat dergelijke kosten wel op de voet van art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW voor vergoeding in aanmerking komen zoals ABP had betoogd en het Hof had aanvaard. Het Hof heeft terecht de gevorderde buitengerechtelijke kosten getoetst aan de zogenaamde "dubbele redelijkheidstoets" van de slotzinsnede van art. 6:96 lid 2 BW.

Het incidentele cassatieberoep.

13. Het incidentele middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de verhaalsvordering uit art. 2 VOA is onderworpen aan de in art. 3:310 lid 1 BW bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar. Geklaagd wordt over schending van het recht, in het bijzonder van art. 2 VOA en/of art. 3:310 BW, nu de vordering van art. 2 VOA een vordering tot verhaal van kosten betreft en niet een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 3:310 BW zodat niet deze bepaling van toepassing is doch art. 3:306 BW met zijn termijn van twintig jaar. Opgemerkt wordt dat ABP bij deze klacht een (processueel) belang heeft nu de door het Hof toegepaste compensatie van de proceskosten in het incidentele appèl kennelijk mede is gebaseerd op 's Hofs verwerping van de incidentele grief van ABP dat art. 3:310 BW niet van toepassing is op haar verhaalsvordering.

14. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor de toewijsbaarheid van de op art. 2 VOA gebaseerde verhaalsvordering niet de eis dat het verhalend lichaam schade of nadeel heeft geleden; voor de vraag of het verhalend lichaam ter zake van een aan een ambtenaar overkomen ongeval verhaal ingevolge de VOA heeft, is uitsluitend beslissend of dat lichaam ter zake van dat ongeval aan of ten behoeve van de ambtenaar uitkeringen of verstrekkingen heeft verleend krachtens de rechtspositieregeling van die ambtenaar; de omvang van dit verhaalsrecht wordt alleen door de in art. 3 VOA gestelde grens (het civiel plafond) beperkt. Zie HR 15 februari 1985, NJ 1986, 687, m.nt. FHJM en HR 18 februari 1994, NJ 1995, 607, m.nt. CJHB. In zoverre kan de op art. 2 VOA gebaseerde verhaalsvordering inderdaad niet worden gekwalificeerd als een vordering tot schadevergoeding. Daarbij verdient overigens wel aantekening dat de hier beschreven uitgangspunten door de Hoge Raad vooral zijn aanvaard om de hanteerbaarheid van de wet te bevorderen; zie de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda voor het zojuist genoemde arrest van 18 februari 1994.

Ingevolge art. 3 VOA is hij die op grond van het bepaalde in art. 2 wordt aangesproken tegenover het verhalend lichaam niet gehouden tot betaling van een hoger bedrag dan hij zou hebben moeten betalen wanneer hij bij ontbreken van de in art. 2 bedoelde voorzieningen door de gelaedeerde tot schadevergoeding zou zijn aangesproken (het zogenaamde civiele plafond). De ratio van deze regeling is bescherming van de laedens: het verhaalsrecht van het verhalend lichaam mag niet ertoe leiden dat de laedens in een slechtere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd ingeval hij door de gelaedeerde zelf tot schadevergoeding zou zijn aangesproken. De op art. 2 VOA gebaseerde verhaalsvordering kan dan ook in zoverre niet worden geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding tussen laedens en gelaedeerde. Dat geldt niet alleen voor de hoogte van de verhaalsvordering. Ook voor de beantwoording van de vraag aan welke verjaringstermijn de verhaalsvordering is onderworpen geldt mijns inziens dat niet kan worden geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding tussen laedens en gelaedeerde, in welke verhouding geldt dat de vordering van de gelaedeerde als vordering tot vergoeding van schade op de voet van art. 3:310 lid 1 BW na verloop van vijf jaar verjaart. Naar mijn oordeel kan niet worden aanvaard dat de verhaalsvordering van het verhalend lichaam pas na verloop van de in art. 3:306 BW gestelde termijn van twintig jaar verjaart terwijl de vordering van de gelaedeerde is onderworpen aan de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:310 lid 1 BW. Een redelijke wetstoepassing brengt mijns inziens mee dat de op art. 2 VOA gebaseerde verhaalsvordering voor de beantwoording van de vraag welke verjaringstermijn moet worden gehanteerd, wordt gekwalificeerd als een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 3:310 BW. Daarbij komt dat het begrip "rechtsvorderingen tot vergoeding van schade" in art. 3:310 BW een ruime betekenis heeft; zie Asser-Hartkamp I, 2000, nr. 404 en MvA II, Parl. Gesch. boek 3, p. 924. Zie over deze materie ook A.J. Akkermans, TVP 1998, p. 35-36; Chr.H. van Dijk, Verhaalsrecht Waarborgfonds; verjaring, Bb 7 januari 1998, p. 12; Hof Den Bosch 22 maart 1999, VR 1999, 168; W.H. van Boom in: Verhaalsrechten van verzekeraars en risicodragers, 2000, p. 94-97, en in Uniformiteit gewenst in de bundel Regresrechten, Afschaffen, handhaven of uitbreiden, 1996, p. 102 noot 26. Overigens zal bij de beantwoording van de vraag wanneer de verjaringstermijn aanvangt naar mijn oordeel rekening moeten worden gehouden met het feit dat het gaat om de vordering van het verhalend lichaam en niet om de vordering tot schadevergoeding van de gelaedeerde zelf.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden