Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE0629

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
C00/030HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE0629
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 338
RvdW 2002, 99
NJ 2003, 689
JWB 2002/222

Conclusie

Nr. C 00/030 HR

Mr. M.R. Mok

Zitting 15 februari 2002

Conclusie inzake

1. de vereniging NEDERLANDSE VAKBOND van VARKENSHOUDERS

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

4a. [Eiser 4a]

4b. [Eiseres 4b]

4c. [Eiser 4c]

4d. [Eiseres 4d]

5. [Eiser 5]

6a. [Eiser 6a]

6b. [Eiseres 6b]

7a. [Eiser 7a]

7b. [Eiseres 7b]

7c. [Eiser 7c]

7d. [Eiser 7d]

8. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging [eiseres 8]

tegen

DE STAAT (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)

1. PROCEDURES OVER DE WHV

1.1.1. Het onderhavige kort geding heeft betrekking op de betwisting van de rechtsgeldigheid van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv). Deze wet is reeds uitvoerig besproken in eerdere conclusies(1). Kortheidshalve verwijs ik daarnaar.

1.1.2. Tussen partijen is - zoals uit de genoemde conclusies blijkt ­ sprake van een aantal procedures. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak zijn de hierna te noemen procedures van belang.

1.2. Bodemprocedure

1.2.1. In 1998 hebben eisers van cassatie (NVV c.s.) zich gewend tot de rechtbank te Den Haag.

Zij hebben - wegens strijd met algemene rechtsbeginselen, met bepalingen van EG-recht en met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM - primair de onverbindendverklaring althans de buitenwerkingstelling van de Whv gevorderd.

Subsidiair hebben zij het buiten toepassing laten van de Whv, althans de hoofdstukken II tot en met V daarvan geëist, of een bevel aan de Staat de Whv, althans de genoemde hoofdstukken, te schorsen en/of niet uit te voeren of te doen uitvoeren, in het bijzonder met betrekking tot de handhaving en vervolging ter zake van overtreding van de Whv, althans totdat zou zijn voorzien in een volledige of adequate schadevergoedingsregeling voor individuele gevallen.

1.2.2. In die zaak heeft het gerechtshof in Den Haag op 20 januari 2000 beslist dat art. 31 Whv (en daarmee onlosmakelijk verbonden andere voorschriften van die wet) ten aanzien van de individuele eisers(2) buiten toepassing moesten blijven en het meer of anders gevorderde afgewezen(3).

1.2.3. Tegen dit arrest hebben NVV c.s. principaal en de Staat incidenteel cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 november 2001(4) op (een onderdeel van) het principaal beroep en in het incidenteel beroep het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te Arnhem.

1.2.4. Wat betreft de gestelde strijd met de Grondwet en ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen bevestigde de Hoge Raad eerdere uitspraken(5), inhoudend dat de rechter de wet in formele zin niet op strijd met uit de Grondwet of ongeschreven wet af te leiden algemene rechtsbeginselen mag toetsen.

Verwijzend naar rechtspraak van het HvJEG wees de Hoge Raad de gestelde strijd met Europees gemeenschapsrecht af. Verwijzend naar rechtspraak van het EHRM achtte de Hoge Raad de toepassing van de Whv op zichzelf geen door art. 1 van het eerste protocol bij het EVRM verboden aantasting van eigendom, maar t.o.v. eisers sub 2 t/m 8 was niet komen vast te staan dat aan het aan die bepaling inherente vereiste van een "fair balance" was voldaan.

1.3. 1e kort geding(6)

1.3.1. In de bodemprocedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 23 december 1998 overwogen dat, als de primaire vordering werd afgewezen, de hoofdstukken II t/m IV van de Whv buiten toepassing moesten blijven(7).

Omdat dit niet in het dictum stond, en dus niet uitvoerbaar bij voorraad kon worden verklaard, hebben NVV c.s. de Staat bij exploit van 29 januari 1999 gedagvaard voor de president van de rechtbank te Den Haag. Hun vorderingen strekten ertoe in feite alsnog een uitvoerbaarverklaring bij voorraad te verkrijgen.

1.3.2. De president heeft bij vonnis van 23 februari 1999(8) de Staat geboden na betekening van dit vonnis de hoofdstukken II t/m IV van de Whv ten aanzien van de leden van de NVV en ten aanzien van - thans eisers sub 2 t/m 8 buiten toepassing te laten totdat hetzij in de bodemprocedure zou zijn beslist dat de Whv niet in strijd is met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, hetzij was voorzien in een adequate schadevergoedingsregeling.

1.3.3. Op het verzoek van NVV c.s. de Staat een dwangsom op te leggen heeft de president evenwel overwogen (ro. 3.10) dat zij daartoe geen aanleiding zag, omdat de Staat rechterlijke vonnissen ook zonder een dergelijke sanctie pleegt na te komen.

Op door de Staat ingesteld hoger beroep heeft het gerechtshof in Den Haag het vonnis bij arrest van 10 juni 1999 bekrachtigd(9). De Hoge Raad heeft op 19 mei 2000 het daartegen door de Staat ingestelde cassatieberoep verworpen(10).

1.4. 2e kort geding

1.4.1. Het Bureau Heffingen heeft op 25 maart 1999 een brief gestuurd aan alle varkenshouders in Nederland en eind maart 1999 en begin april 1999 heeft de Staat brieven gestuurd aan een aantal specifieke varkenshouders(11).

1.4.2. In de eerstgenoemde brief zijn alle varkenshouders in Nederland op de hoogte gesteld van het kortgedingvonnis van 23 februari 1999, het daartegen ingestelde hoger beroep, de in voorbereiding zijnde tijdelijke wettelijke maatregelen(12) en de gevolgen voor hun bedrijven. De brief vermeldt dat verhandeling en opkoop van varkensrechten en de registratie van de kennisgevingen daarvan gewoon kunnen doorgaan, indien partijen uitdrukkelijk verklaren daartegen geen bezwaar te hebben.

Voorts heeft de Staat uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de terugwerkende kracht van de voorgenomen tijdelijke wettelijke maatregel en aangekondigd dat strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden indien een bedrijf in de periode van 23 februari 1999 t/m 31 december 1999 meer varkens heeft gehouden dan toegestaan op grond van de varkensrechten die in het bedrijf mogen worden geproduceerd.

1.4.3. Varkenshouders die een subsidieaanvraag hadden ingediend op grond van de Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de Ecologische Hoofdstructuur ("Bevar"), kregen daarnaast eind maart 1999 nog een brief van de Minister van LNV (DLG), die vermeldde, dat geen beschikking subsidieverlening kon worden afgegeven zonder verklaring van de aanvrager, dat hij geen bezwaar heeft tegen de afhandeling van de Bevar-aanvraag en tegen registratie van de kennisgeving van overgang respectievelijk doorhaling van het varkensrecht door het Bureau Heffingen.

Bij die brief was een verklaring van geen bezwaar gevoegd met de mededeling dat de Bevar-aanvraag zou worden afgewezen, indien die verklaring niet binnen vier weken, ingevuld en ondertekend, zou zijn geretourneerd.

1.4.4. Begin april 1999 heeft de Staat de in de brief van 25 maart 1999 aangekondigde verklaringen van geen bezwaar verzonden aan die varkenshouders die (vóór 23 februari 1999) aan het Bureau Heffingen een kennisgeving van transactie hadden gedaan, met het verzoek, indien geen bezwaar tegen registratie bestond, de ondertekende verklaring binnen vier weken terug te sturen.

Daarbij wees hij erop dat, indien de verklaring niet tijdig werd geretourneerd, er niet zou worden geregistreerd en de transactieformulieren zouden worden teruggezonden(13).

1.4.5.1. NVV c.s. hebben naar aanleiding van deze brieven op 21 april 1999 een nieuw kort geding aangespannen, wederom voor de rechtbank in Den Haag. Zij hebben gesteld dat de Staat door de verzending van de brieven en door feitelijk uitvoering te geven aan het daarin gestelde, in strijd met het vonnis van 23 februari 1999, en dus onrechtmatig heeft gehandeld.

Voorts zou de Staat zich, door onjuiste en onvolledige verstrekking van feitelijke gegevens, misleidend hebben uitgelaten jegens NVV c.s., hetgeen onrechtmatig en, in het bijzonder, in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou zijn

1.4.5.2. NVV c.s. hebben rectificatie van de brieven gevorderd en een verbod aan de Staat na betekening van het te wijzen vonnis uitvoering te (doen) geven aan het gestelde in de brieven, een en ander onder verbeurte van een dwangsom.

1.4.5.3. Dit tweede kort geding is de zaak die tot het onderhavige cassatieberoep heeft geleid.

1.4.6.1. De president heeft bij vonnis gewezen op 4 mei 1999 de Staat bevolen binnen drie dagen na betekening van het vonnis in de "Trog" (het ledenorgaan van de NVV) de navolgende tekst te (doen) publiceren:

"Bij vonnis van 4 mei 1999 heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage de Staat bevolen U door middel van deze openbare rectificatie mede te delen dat de in de brief van het Bureau Heffingen van 25 maart 1999 opgenomen zinsnede dat "Verhandeling en opkoop van varkensrechten in het licht van de uitspraak van de rechter gewoon doorgang kunnen vinden, als partijen uitdrukkelijk verklaren daar geen bezwaar tegen te hebben" onjuist is en als niet geschreven kan worden beschouwd. Ten onrechte zijn verklaringen van geen bezwaar ter ondertekening verzonden. U hoeft die dus niet te retourneren. Als U dat al gedaan mocht hebben zullen daaraan geen consequenties worden verbonden. Hetzelfde geldt voor de verklaringen die door de Dienst Landelijk Gebied met betrekking tot de BEVAR zijn verzonden. Bij deze voldoe ik aan het bevel van de President.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij."

De president verbond hieraan een dwangsom van ƒ 500.000,- voor elke dag dat de Staat zou nalaten aan dit bevel te voldoen.

1.4.6.2. Voorts heeft de president de Staat verboden ten aanzien van de leden van de NVV en ten aanzien van - thans ­ eisers sub 2 t/m 8 consequenties te verbinden aan het al dan niet terugontvangen van de begin april 1999 toegezonden verklaringen van geen bezwaar, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 100.000,- voor iedere overtreding van dit verbod.

1.4.6.3. Ten slotte heeft de president bepaald dat de Staat bij overtreding van het ­ bij het vonnis van 23 februari 1999 opgelegde ­ gebod een dwangsom zou verbeuren van ƒ 1.000.000,- per overtreding.

1.4.7. De Staat is van dit vonnis in (spoed)appel gekomen bij hof Den Haag. NVV c.s. hebben incidenteel beroep ingesteld.

Het hof heeft bij arrest van 18 november 1999 het incidenteel appel verworpen. In het principaal appel heeft het 't bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen eisers sub 2 t/m 8 en de Staat, bekrachtigd en voor zover gewezen tussen de NVV en de Staat vernietigd.

Het hof heeft de vorderingen van de NVV alsnog afgewezen. Na dit arrest kon de Staat dus alleen aan eisers sub 2 t/m 8 dwangsommen verbeuren.

1.4.8.1. Tegen dit arrest hebben NVV c.s. (tijdig) cassatieberoep ingesteld.

Het beroep steunt op een middel dat zes onderdelen telt. De onderdelen 1- 5 zijn uitsluitend voorgesteld door de NVV; onderdeel 6 is tevens voorgesteld door eisers sub 2 t/m 8.

1.4.8.2. De Staat heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van een uit drie onderdelen bestaand middel.

1.4.8.3. De behandeling van het cassatieberoep is vertraagd doordat het, om doelmatigheidsredenen gewenst leek met de voorbereiding van de conclusie te wachten tot het moment waarop het arrest in de bodemprocedure was uitgesproken (16 november 2001).

2. HET PRINCIPAAL VOORGESTELDE MIDDEL

2.1.1. Allereerst behoeft de vraag bespreking of NVV c.s., na het arrest van de Hoge Raad in de bodemprocedure, nog belang bij het middel hebben

2.1.2. In de ter zitting van de Hoge Raad van 20 april 2001, dus voor het arrest van de HR, gegeven schriftelijke toelichtingen, hebben beide partijen verdedigd dat (toen) nog belang aanwezig was(14).

Het daar betoogde komt mij niet onjuist voor. Daaraan is nog toe te voegen dat het arrest van de Hoge Raad niet zonder meer meebrengt dat de grondslag aan de gegeven voorziening komt te ontvallen. Door de verwijzing is de bodemprocedure niet ten einde en aan het slot kan blijken dat er grondslag voor die voorziening resteert.

2.1.3.1. Het gaat thans om de aan de Staat opgelegde dwangsommen.

Een in kort geding gegeven verbod met dwangsom vervalt door de uitspraak van de rechter in het bodemgeding als die uitspraak meebrengt dat de grondslag aan het verbod komt te ontvallen(15). De vraag wanneer het verbod door een andersluidende uitspraak vervalt, is overigens nog onbeantwoord(16)

Opgelegde dwangsommen vervallen door een uitspraak in de bodemprocedure als hier bedoeld niet met terugwerkende kracht(17). Pas als een vonnis in kort geding houdende een dwangsom na het aanwenden van een rechtsmiddel bij onherroepelijk geworden uitspraak wordt vernietigd, vervalt de titel bedoeld in art. 611c Rv. met terugwerkende kracht(18).

2.1.3.2. Voorts heeft het hof de kosten van het hoger beroep gecompenseerd en dit gemotiveerd in ro. 15.

Ook indien de vorderingen van NVV c.s. niet meer kunnen worden toegewezen omdat zij daarbij wegens inmiddels gewijzigde omstandigheden geen belang meer hebben, behouden zij belang bij het cassatieberoep al gevolg van de verdeling van de kosten in hoger beroep(19).

2.2.1. De onderdelen 1-5 vallen de gedachtegang van het hof aan, inhoudend dat de Staat de varkenshouders mocht benaderen, omdat art. 3:305a, lid 5, BW de individuele varkenshouders de mogelijkheid biedt zich tegen de werking van het vonnis van 23 februari 1999 te verzetten (ro. 6).

2.2.2.1. De president heeft in het vonnis van 4 mei 1999 over art. 3:305a BW overwogen (ro. 2.10):

"De Staat heeft zich in dit verband beroepen op het bepaalde in artikel 3:305a BW, maar dat beroep faalt. Genoemde bepaling regelt dat een individuele belanghebbende zich kan onttrekken aan de werking van een door een belangenorganisatie verkregen rechterlijke uitspraak door zich tegen de werking daarvan ten opzichte van hem te verzetten. Dat individuele leden van eiseres sub 1 aan de Staat kenbaar hebben gemaakt van deze mogelijkheid gebruik te willen maken is gesteld noch gebleken, zodat in het midden kan blijven of het hier wel gaat om een deelbare rechtsverhouding. Slechts in dat geval immers zou het mogelijk zijn de werkingssfeer van het vonnis aldus uit te sluiten."

En in ro. 2.11:

"Hier doet zich de situatie voor dat de Staat het initiatief heeft genomen de individuele varkenshouders voor de keuze te stellen of zij de Staat aan het opgelegde gebod willen houden of niet.

Aldus dwingt de Staat hen beslissingen te nemen ten aanzien van eerder in het kader van de Whv afgesloten transacties met betrekking tot varkensrechten, terwijl nog onduidelijk is of respectievelijk in welke vorm de Whv kracht van wet zal houden (...)."

2.2.2.2. Het hof heeft overwogen (roo. 4-6):

"De Staat heeft onbestreden verklaard, dat inmiddels alle uit het - door de collectieve actie van NVV uitgelokte - vonnis van 23 februari 1999 voortvloeiende consequenties gelden voor NVV-leden en leden van LTO-Nederland. Bij dat vonnis is slechts bij wege van voorlopige maatregel bevolen de Whv buiten toepassing te laten en de mogelijkheid dat dit ten onrechte is geschied en de Whv alsnog verbindend zal blijken, is niet uitgesloten.

Niet buiten toepassing zijn verklaard de Opkoopregeling varkenshouderij ("de Opkoopregeling") en de Bevar, welke beide regelingen hun basis vinden in de kaderwet LNV-subsidies en de mogelijkheid bieden subsidie aan te vragen in verband met de beëindiging van een varkenshouderij. De aanvragen daartoe konden volgens art. 11 van de Opkoopregeling respectievelijk art. 5 van de Bevar, t/m 30 november 1999 respectievelijk t/m 30 juni 1999 worden ingediend.

Geen subsidie op basis van de Opkoopregeling en de Bevar kan worden toegekend, indien de Whv buiten toepassing moet worden gelaten.

Goed denkbaar is nu, dat een individuele varkenshouder niet het risico wil lopen, dat achteraf blijkt dat het bevel om de Whv buiten toepassing te laten ten onrechte is gegeven en dat hij meer waarde hecht aan toepassing van de Whv op zijn individuele situatie. Nu de aard van de uitspraak zich daartegen niet verzet, biedt art. 3:305a(20) lid 5 BW in een dergelijk geval de individuele varkenshouder de mogelijkheid zich tegen de werking van het vonnis van 23 februari 1999 te verzetten."

2.2.2.3. Kennelijk ziet het hof de brieven dus als een uitnodiging om zich tegen het vonnis te verzetten, en niet als een schending van het vonnis zelf.

Het vervolgt (ro. 7):

"In casu heeft de Staat met de omstreden brieven het initiatief genomen en alle varkenshouders erop gewezen, dat de mogelijkheid bestond - indien hij dat uitdrukkelijk verklaarde - af te zien van de werking van dat vonnis ten opzichte van hem. Er is geen rechtsregel die een dergelijk initiatief - met uitzondering ten aanzien van geïntimeerden sub 2 t/m 8 waarover hierna meer - verbiedt. Gelet op de bijzondere taak van de overheid om de burger - zeker in een situatie als de onderhavige - zoveel mogelijk te informeren over zijn rechtspositie, lag het naar het voorlopig oordeel van het hof zelfs op de weg van de Staat die informatie te verschaffen."

En (roo. 8-11):

"Thans ligt de vraag voor, of de wijze waarop de Staat zich van die taak heeft gekweten onzorgvuldig is geweest.

In dat verband wijzen NVV c.s. erop, dat de Staat een fatale termijn heeft gesteld door te verlangen dat de verklaringen van geen bezwaar (zowel die ten aanzien van de registratie van kennisgeving van transactie als ten aanzien van aanvragen in het kader van de Opkoopregeling varkenshouderij en de Bevar) binnen 4 weken zouden worden geretourneerd.

De gestelde termijn van inzending is naar het voorlopig oordeel van het hof te zien als een termijn waarbinnen de Staat wenste te weten of de aangeschreven varkenshouders al dan niet instemde met de voorlopige maatregel. Wanneer een varkenshouder geen gebruik maakte van de geboden mogelijkheid om een verklaring van geen bezwaar in te dienen (m.a.w. te kennen gaf af te zien van de werking van het vonnis ten opzichte van hem), wist de Staat - na verstrijken van de termijn - dat de betreffende varkenshouder wenste dat het vonnis tegen de Staat zou worden gehandhaafd. Niet valt in te zien dat de Staat aldus onzorgvuldig heeft gehandeld. Evenmin is onzorgvuldig te achten dat de Staat zich het recht voorbehield aan de varkenshouders die hem aan het vonnis wilde houden, zulks in een later stadium tegen te werpen. Er mag immers van worden uitgegaan dat degene die een (kort-geding)vonnis wenst uit te voeren of uitgevoerd wenst te zien weet althans behoort te weten, dat hij zijn handelen baseert op een voorlopige maatregel, zodat de door zijn handelen veroorzaakte schade, indien deze maatregel al in de bodemprocedure geen stand houdt, in beginsel als door zijn schuld veroorzaakt heeft te gelden."

Het hof besloot (ro. 12):

"Wel onzorgvuldig acht het hof de bedreiging met strafvervolging ter zake van overtreding van het volgens een voorgenomen noodwet met terugwerkende kracht geldende uitbreidingsverbod, hoewel dit, zoals de Staat ook zelf stelt, gelet op art. 1 lid 1 van het WvSr. een loze bedreiging is. De Staat behoort als geen ander te weten, dat die bedreiging niet reëel is, terwijl dit voor de gemiddelde varkenshouder niet zonder meer het geval is en aannemelijk is, dat deze zich door de bedreiging laat imponeren en wellicht zijn gedrag erdoor laat bepalen."

2.2.3.Het oordeel van het hof dat de brieven (in hoofdzaak) enkel ertoe strekten de varkenshouders uit te nodigen af te zien van de werking van het vonnis van 23 februari 1999, berust op een feitelijke waardering van de overgelegde stukken, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst(21).

De begrijpelijkheid komt zijdelings in onderdeel 5 aan de orde.

2.3.1.1. Onderdeel 1 heeft betrekking op de overweging van het hof (ro. 6) volgens welke art. 3:305a, lid 5, BW individuele varkenshouders de mogelijkheid biedt zich tegen het vonnis van 23 februari 1999(22) te verzetten, aangezien de aard van de uitspraak niet het tegendeel meebrengt.

Het hof zou ten onrechte hebben overwogen dat de aard van de uitspraak zich er niet tegen verzet dat de werking van het genoemde vonnis ten opzichte van individuele varkenshouders kan worden uitgesloten; althans zou het hof zijn oordeel niet voldoende met redenen hebben omkleed.

2.3.1.2. Het middel wijst erop dat de president in het genoemde vonnis heeft overwogen dat op grond van art. 94. Gw. wettelijke voorschriften geen toepassing vinden als deze toepassing niet verenigbaar is met een verdrag.

Het vonnis in kort geding gaat uit van strijd met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De hoofdstukken II t/m IV van de Whv moeten dus stééds buiten toepassing blijven, ook wanneer individuele varkenshouders aan de Staat te kennen zouden geven zich tegen de werking van het vonnis te willen verzetten.

2.3.2. Als sprake is van een ieder verbindende verdragsbepaling, heeft de burger weliswaar in beginsel aanspraak op uitvoering of toepassing van die bepaling, maar strijd met een dergelijke bepaling leidt niet automatisch tot het buiten toepassing laten van die bepaling. Daarvoor is een rechterlijke beslissing nodig(23).

De situatie waarin een wet in strijd is met een ieder verbindende verdragsbepaling is te vergelijken met het zich in het arrest Staat/LSV(24) voordoende geval dat een wettelijke regeling (niet zijnde een wet in formele zin) in strijd is met een hogere regeling. Daarin is geoordeeld dat een uitspraak - ook indien deze onverbindendheid (of ongeldigheid) van een wettelijk voorschrift constateert ­ slechts rechten geeft aan de partijen die haar hebben verkregen ("zij het dat derden kunnen profiteren van het praktische gevolg, gelegen in de verwachting dat die rechter in volgende soortgelijke zaken in dezelfde zin zal beslissen").

Voor zover het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het.

2.3.3.1. Volgens de oorspronkelijke tekst van het ontwerp van art. 3:305a, lid 5, BW(25) zou een belanghebbende zich niet tegen een rechterlijke uitspraak kunnen verzetten als een bevel of verbod, dan wel een verklaring voor recht wordt gevraagd.

Als een belangenorganisatie door een bevel of verbod een toekomstige onrechtmatige gedraging wil voorkomen en een dergelijk bevel of verbod verkrijgt, zou het niet goed denkbaar zijn dat een belanghebbende zich verzet tegen de gevolgen van die uitspraak; een zuiver declaratoir vonnis houdt geen veroordeling of wijziging van een rechtsverhouding in(26).

2.3.3.2. Nadien heeft de regering haar standpunt m.b.t. het verbod genuanceerd(27):

"Toch is de uitsluiting van het bevel of verbod bij nader inzien te ruim. Denk bij voorbeeld aan een bevel tot het isoleren van huizen in de omgeving van Vliegveld Beek (...) Hier is het wel mogelijk dat een van de bewoners de geluidsoverlast voor lief wil nemen en wil bedanken voor de isolatie van zijn huis. Een uitsluiting van de mogelijkheid van verzet is dan ook alleen noodzakelijk in die gevallen waarin de aard van de in een collectieve actie gevraagde uitspraak meebrengt dat de werking van het vonnis niet ten opzichte van deze persoon kan worden uitgesloten."

2.3.3.3. Men heeft in dit verband wel onderscheid gemaakt tussen de deelbare en ondeelbare rechtsverhouding(28).

Dit komt in de geldende wetstekst tot uitdrukking: "(...), tenzij de aard van de uitspraak meebrengt dat de werking niet slechts ten opzichte van deze persoon kan worden uitgesloten."

2.3.3.4. Een door een belangenorganisatie verkregen uitspraak heeft op grond van art. 67 Rv (oud) alleen bindende kracht tussen deze organisatie en de gedaagde(29). De gedaagde is slechts ten opzichte van de belangenorganisatie verplicht het vonnis jegens de belanghebbenden na te leven(30).

Daarbij is het vijfde lid van art. 3:305a BW bedoeld om ongewenste belangenbehartiging te voorkomen(31).

De uitzondering op het verzet moet m.i. dan ook beperkt worden uitgelegd(32). Het enkele feit dat strijd met een dwingende wetsbepaling is gesteld, kan niet tot de conclusie leiden dat de aard van de uitspraak zich tegen de "opt-out mogelijkheid"(33) verzet. Evenmin is daarvoor toereikend dat de consequentie van het verzet is dat - zoals de NVV heeft aangevoerd ­ chaos, verwarring en tweespalt wordt gezaaid in de varkenssector en daardoor de werking van het vonnis wordt doorkruist.

2.3.4. De motiveringsklacht van onderdeel 1 is gericht tegen een rechtsoordeel en kan daarom niet slagen.

Onderdeel 1 treft geen doel.

2.4.1. Onderdeel 2 is gericht tegen ro. 7 van het bestreden arrest.

Daar heeft het hof overwogen dat de Staat met de omstreden brieven het initiatief heeft genomen en alle varkenshouders erop heeft gewezen dat de mogelijkheid bestond af te zien van de werking van het vonnis van 23 februari 1999.

2.4.2. Volgens het onderdeel heeft het hof die overweging onvoldoende gemotiveerd.

Blijkens de samenhang van de eerste zin van ro. 7 met ro. 6 zou het hof ervan uitgegaan zijn dat de Staat alle varkenshouders heeft gewezen op de mogelijkheid van verzet op de voet van art. 3:305a, lid 5, BW en dat individuele varkenshouders de brieven niet anders konden begrijpen dan als betrekking hebbend op het verzet bedoeld in die wetsbepaling.

2.4.3.1. Het hof zegt niet dat de Staat met de omstreden brieven heeft beoogd de varkenshouders te informeren over de mogelijkheid van verzet op de voet van art. 3:305a, lid 5, BW (en dus evenmin dat de varkenshouders de brieven ook alleen in die zin konden begrijpen), maar slechts dat deze de varkenshouders heeft gewezen op de mogelijkheid af te zien van de werking van het vonnis te hunnen opzichte.

In zoverre berust het onderdeel op onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging en ontbeert het daarom feitelijke grondslag.

2.4.3.2. De uiteenzettingen die het onderdeel voorts bevat over de vraag of individuele varkenshouders al dan niet gebruik hebben willen maken van de mogelijkheid van verzet op de voet van art. 305a, lid 2, BW, houden geen rechtstreeks verband met ro. 7.

Zij kunnen derhalve de klacht dat deze overweging onvoldoende gemotiveerd is, niet ondersteunen.

2.5.1. Onderdeel 3 valt de overweging van hof, eveneens in ro. 7, aan, volgens welke het in dit geval zelfs op de weg van de Staat lag om - gelet op de bijzondere taak van de overheid de burger te informeren - de varkenshouders erop te wijzen dat de mogelijkheid bestond af te zien van de werking van het vonnis. Het hof zou deze overweging althans onvoldoende hebben gemotiveerd.

Geen rechtsregel zou de overheid in algemene termen voorschrijven om de burger zoveel mogelijk te informeren over diens rechtspositie.

2.5.2. Het oordeel van het hof in ro. 7 luidt dat geen rechtsregel de overheid in het algemeen voorlichting van burgers over hun rechtspositie verbiedt.

Dat is een rechtsoordeel dat geen motivering behoeft. De nadere verklaring van het hof ("Gelet op de bijzondere taak.....") is dan ook ten overvloede gegeven, zodat de klacht hierover afstuit op gebrek aan belang.

2.6.1. Onderdeel 4 bestrijdt het genoemde oordeel in ro. 7 zelf. Volgens het onderdeel beoogt art. 3:305a, lid 5, BW "individuele belanghebbenden te vrijwaren van opgedrongen belangenbehartiging." De Staat had, aldus het middel, het initiatief van de varkenshouders moeten afwachten.

2.6.2. Het is niet duidelijk waarop het middel deze opvatting baseert. Noch het middel noch de schriftelijke toelichting bevat enig argument voor de verdedigde opvatting.

In beginsel staat het een ­ ook n.a.v. een collectieve actie ­ veroordeelde procespartij vrij te pogen alsnog met de wederpartij, c.q. degenen wier belangen door de collectieve actie worden beschermd, tot een akkoord te komen. Daartoe behoort het attenderen op de mogelijkheid van de aanspraken op grond van de rechterlijke uitspraak af te zien. Voor zover die aanspraken resulteren uit een collectieve actie kunnen de betrokkenen dit in beginsel formaliseren d.m.v. van verzet op grond van art. 3:305a, lid 5, BW, maar noodzakelijk lijkt mij dat niet.

2.6.3. Wel moet daarbij de in het maatschappelijk verkeer passende zorgvuldigheid in acht genomen worden, maar daarop heeft het onderdeel geen betrekking.

Het is dan ook vergeefs voorgesteld.

2.7.1.1. Volgens onderdeel 5 is het hof ten onrechte tot het oordeel gekomen dat niet valt in te zien dat de Staat door te verlangen dat de verklaringen van geen bezwaar binnen vier weken zouden worden geretourneerd onzorgvuldig heeft gehandeld (roo. 9-10).

Voorts zou het hof het ten onrechte niet onzorgvuldig hebben geacht dat de Staat zich het recht voorbehield in de toekomst aan varkenshouders tegen te werpen dat zij de Staat aan het vonnis van 23 februari 1999 hebben gehouden (ro. 11). Hetzelfde zou gelden voor de bedreiging met strafvervolging op grond van overtreding van een tot stand te brengen noodwet waaraan terugwerkende kracht zou worden verleend.

2.7.1.2. De Staat zou aldus in strijd hebben gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het bijzonder zou hij het voorschrift van onpartijdigheid (vgl. ook art. 2:4 Awb); het verbod van détournement de pouvoir (vgl. ook art. 3:3 Awb), het materiële rechtszekerheidsbeginsel/vertrouwensbeginsel, alsmede het materiële zorgvuldigheidsbeginsel (vgl. ook art. 3:4 Awb) hebben geschonden.

Althans zou het hof zijn hier bestreden overwegingen niet voldoende met redenen hebben omkleed en essentiële stellingen hebben gepasseerd.

2.7.2.1. Het onderdeel betoogt weliswaar dat de werking van het vonnis van 23 februari 1999 op onaanvaardbare wijze werd doorkruist, maar 's hofs impliciete oordeel dat het niet tijdig retourneren van de verklaringen van geen bezwaar geen fatale gevolgen had(34), is niet gemotiveerd bestreden. Waarom de Staat onder die omstandigheden aan varkenshouders die van hun rechten op grond van het vonnis van 23 februari 1999 geen gebruik wilden maken, geen termijn zou mogen stellen voor het retourneren van de verklaring van geen bezwaar, zie ik evenmin als het hof in.

Indien varkenshouders, ondanks de door hun organisatie betwiste rechtsgeldigheid van de Whv toch aan de bepalingen van die wet wilden voldoen, hetgeen in bepaalde opzichten hun belang kon dienen, had de Staat er een redelijk belang bij daarvan tijdig op de hoogte te zijn.

2.7.2.2. Al verbond de Staat aan het niet tijdig retourneren van de verklaring de gevolgtrekking dat de betrokken varkenshouder bezwaar had tegen de eerder gedane transactie(35), ging het bij de gestelde termijn voor tergzending volgens de Staat niet om een fatale termijn. Die stelling houdt mogelijk daarmee verband dat varkenshouders, door het afgeven van een verklaring van geen bezwaar hun aanspraken op een eventuele vergoeding van schade niet prijs(36).

2.7.2.3. Verder is het oordeel van het hof dat de Staat zich zijn rechten mocht voorbehouden voor het geval varkenshouders hem aan het vonnis van 23 februari 1999 zouden willen houden, juist.

2.7.2.3. De bedreiging met strafvervolging heeft het hof uitdrukkelijk als onzorgvuldig bestempeld (ro. 12). De hiertegen gerichte klacht mist daarom feitelijke grondslag.

De bewuste passage in de brieven is als ongelukkig te beschouwen. Hij heeft deze brieven een bepaalde kleuring gegeven die tot escalatie kon leiden en waarschijnlijk heeft geleid. Het - onbestreden - oordeel van het hof dat deze dreiging onzorgvuldig was, lijkt mij dan ook juist.

2.7.3.1. Het vonnis van de president van 23 februari 1999 had volgens de minister (zie ook het vonnis van de president, ro. 3.3) kennelijk tot doel:

"dat zeker wordt gesteld dat, in de periode tussen de datum van betekening van het vonnis tot de datum van de uitspraak van het gerechtshof in de bodemprocedure, bedrijven niet met - mogelijk onomkeerbare - gevolgen van de Whv worden geconfronteerd, zoals, aldus de president, "inkomensachteruitgang, financieringsproblemen en tenslotte mogelijk een gedwongen bedrijfsbeëindiging"."(37)

2.7.3.2. Het rechterlijk bevel de hoofdstukken II t/m IV van de Whv buiten toepassing te laten, is te verstaan als een in algemene termen vervat gebod, daartoe strekkende dat de Staat zich tot een eventuele andersluidende beslissing in de bodemprocedure diende te onthouden van gedragingen jegens de belanghebbenden die op de werking van de desbetreffende bepalingen van de Whv waren gegrond, met name het uitvoeren of doen uitvoeren daarvan(38).

Daaruit volgt niet dat de Staat individuele varkenshouders niet zou mogen attenderen op de mogelijkheid geen gebruik te maken van de voorziening (ro. 10), noch ook dat de Staat niet zou mogen wijzen op de mogelijkheid dat de in kort geding gegeven beslissing in de bodemprocedure geen stand zou houden (ro. 11).

2.7.3.3. Afgezien van de door het hof (ro. 12) al gelaakte dreiging met strafvervolging is van ontoelaatbare door de Staat uitgeoefende druk niet gebleken.

De in het onderdeel opgenomen motiveringsklachten, o.m. behelzend dat het hof aan essentiële stellingen zou zijn voorbijgegaan, miskennen dat de rechter in kort geding met een beknopte motivering mag volstaan.

2.7.4. Onderdeel 5 is vruchteloos voorgedragen.

2.8.1. Onderdeel 6 verwijt het hof dat het ten onrechte de grieven I en II in het principaal appel heeft verworpen.

In die grieven hebben NVV c.s. betoogd dat de president in ro. 4.1 op onjuiste gronden ervan is uitgegaan dat de bezwaren van NVV c.s. zich met name richtten tegen de verklaringen van geen bezwaar (grief I) in welk verband de president eraan is voorbijgegaan dat de dreiging met strafvervolging diep heeft ingegrepen in de persoonlijke levenssfeer van de varkenshouders.

De president zou dan ook ten onrechte de rectificatie van (primair) de brief van 25 maart 1999 in haar geheel, althans (subsidiair) de rectificatie van onderdelen van die brief hebben afgewezen (grief II).

2.8.2. Het hof heeft de grieven in het incidenteel appel verworpen wegens gebrek aan belang daarbij.

Op grond van het vonnis van 4 mei 1999 was al een rectificatie in de Trog geplaatst op welke grond het hof het niet opportuun achtte de "loze bedreiging met strafvervolging" te rectificeren (roo. 12-14).

Volgens het hof slaagden de principale klachten wel, waarmee dus ook de rectificatie in de Trog op losse schroeven kwam te staan.

2.8.3. Het onderdeel betoogt dat 's hofs uitspraak onjuist, althans innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof de dreiging met strafvervolging wel als onrechtmatig beschouwt, maar een rectificatie daarvanniet opportuun acht.

2.8.4.De klacht verliest uit het oog dat een nieuwe rectificatie in de Trog weliswaar gerechtvaardigd kan zijn geweest, maar dat een dergelijke rectificatie niet was gevorderd. Overigens heeft de rechter in kort geding op dit punt een discretionaire bevoegdheid(39). Hij kan oordelen dat een belang bij rectificatie ontbreekt omdat het negatieve effect door een andere publicatie is opgeheven(40).

De Staat heeft er voorts op doen wijzen(41) dat ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest de dreiging met strafvervolging van de baan was. De minister van LNV had het ontwerp van een noodwet ingetrokken, met aankondiging van een nieuw ontwerp, dat geen terugwerkende kracht zou krijgen(42)

2.8.5. Ook dit onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

2.9. Uit het voorgaande volgt dat naar mijn inzicht het middel moet worden verworpen.

3. HET INCIDENTEEL VOORGESTELDE MIDDEL

3.1.1. Onderdeel 1 is gericht tegen ro. 14 van het bestreden arrest.

Aldaar heeft het hof overwogen dat geïntimeerden (eisers van cassatie) 2 t/m 8 zelf in het geding optraden, zodat art. 3:305 (bedoeld moet zijn: 305a) BW niet op hen van toepassing is. Onder die omstandigheden was het, aldus het hof, onzorgvuldig van de Staat hun de omstreden brieven te zenden.

3.1.2. Welke de door het hof bedoelde omstandigheden zijn blijkt niet, behoudens het zelf in het proces optreden, met het gevolg dat art. 3:305a op hen niet van toepassing is.

Het enkele feit dat art. 3:305a BW niet op eisers sub 2 t/m 8 van toepassing is, staat niet in de weg aan een poging te bereiken dat (ook) zij zouden afzien van de werking van het vonnis van 23 februari 1999 (vgl. hiervóór, § 2.6.2.)

Het onderdeel is derhalve terecht voorgesteld.

3.2.1. Onderdeel 2 noemt het onbegrijpelijk dat het hof de beslissing van de president heeft bekrachtigd, voor zover gewezen tussen eisers van cassatie sub 2-8 en de Staat.

3.2.2. Deze klacht berust in de eerste plaats daarop dat het hof niet heeft geoordeeld dat de rectificatie in de Trog ook wat betreft eisers sub 2 t/m 8 ten onrechte heeft plaatsgevonden.

Nu het hof geen consequenties verbindt aan zijn overweging dat de rectificatie ten onrechte heeft plaatsgevonden en het middel dáártegen geen klacht richt, stuit de onderhavige klacht af op gebrek aan belang.

3.2.3.1. Het hof heeft het verbod aan de Staat (t.a.v. eisers sub 2 t/m 8) om consequenties te verbinden aan het al dan niet terugontvangen van de begin april 1999 toegezonden verklaringen van geen bezwaar, bekrachtigd. Hierop is een dwangsom van f 100.000,- gesteld voor iedere overtreding van dit verbod zoals bepaald onder II van het vonnis van de president.

Het onderdeel werpt tegen dat ook voor deze eisers geldt dat de fatale termijn van vier weken niet onzorgvuldig was (roo. 9-10).

3.2.3.2. Het hof heeft geoordeeld dat de Staat de eisers sub 2 t/m 8 in het geheel niet had mogen benaderen (roo. 7 en 14). Daaruit volgde dat ook het stellen van een termijn onzorgvuldig was.

Het slagen van incidenteel onderdeel 1 brengt mee dat de grondslag onder het gewraakte oordeel van het hof wegvalt. Het antwoord op de vraag of het stellen van een termijn al dan niet zorgvuldig was, is voor alle eisers hetzelfde. De vraag zelf is in het kader van het principaal beroep al behandeld.

3.2.4.1. Tot slot beklaagt het onderdeel zich erover dat het hof niet heeft vastgesteld dat de Staat zich niet heeft gehouden aan het vonnis van de president van 23 februari 1999, zodat er geen aanleiding bestond aan het gebod, neergelegd in het vonnis van 4 mei 1999, een dwangsom te verbinden.

3.2.4.2. Hier bevindt het middel zich op een verkeerd spoor. Het eventuele feit dat de Staat zich heeft gehouden aan het vonnis van de president staat in de weg aan het verbeuren van dwangsommen, maar niet aan het vaststellen daarvan.

Het hof heeft de gedraging van de Staat jegens de eisers sub 2 t/m 8 onzorgvuldig geacht en kon op die grond toekomen aan toewijzing van het gevorderde(43). Dat de president in het eerdere kort geding had overwogen dat vaststelling van een dwangsom niet nodig was omdat de Staat rechterlijke vonnissen zonder een dergelijke sanctie pleegt na te komen, verhinderde de president niet in een later kort geding toch een dwangsom vast te stellen, ook al had de Staat daartoe (in het onderhavige zakencomplex) mogelijk geen aanleiding gegeven.

Overigens maakt het slagen van incidenteel onderdeel 1 ook dit onderdeel overbodig.

3.2.5. Volgens onderdeel 3 is het onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van niet-nakoming van het vonnis van 23 februari 1999 door de Staat.

Hierover is in de namens de Staat gegeven schriftelijke toelichting te lezen:

"Onderdeel 3 mist naar de Staat zelf meent feitelijke grondslag: in het arrest van het hof valt de in het onderdeel bedoelde vaststelling niet te lezen."

Hieruit leid ik af dat de Staat het onderdeel intrekt. Mocht dat niet het geval zijn, dan stuit het onderdeel af op de juistheid van de hier geciteerde passage.

4. CONCLUSIE

In het principaal beroep strekt de conclusie tot verwerping daarvan. In het incidenteel beroep concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest en van het vonnis van de president van de rechtbank in Den Haag van 4 mei 1999, tot afwijzing van de vorderingen van alle eisers en tot veroordeling van eisers in de kosten van alle instanties.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1. Voor HR 19 mei 2000, NJ 2001, 407, m.nt. H.J. Snijders (van mijn collega Bakels) en voor HR 16 november 2001, RvdW 2001, 183 (van ondergetekende).

2. Toen en nu: eisers van cassatie sub 2 t/m 8.

3. Niet door partijen overgelegd; gepubliceerd in JB 2000, 59, m.nt. F. Vernimmen-De Jong.

4. RvdW 2001, 183; JB 2002, 2, m.nt. A.W. Heringa; Agrarisch recht 2002, 5090, m.nt. D.W. Bruil; AB 2002, 25, m.nt. P.J.J. van Buuren; M & R jur., 2002, 14, m.nt. J.H. Hoitink en J.H. Jans. Zie verder brief minister van LNV van 16 november 2001, kamerst. [II 25 448], nr. 43.

5. HR 14 april 1989, NJ 1989, 469, m.nt. M. Scheltema (Harmonisatiewet) en HR 14 april 2000, NJ 2000, 713, m.nt. A.R. Bloembergen (Kooren/Staat).

6. D.w.z. het eerste kort geding over de onderhavige problematiek. Daar is echter nog een ander k.g. tussen partijen aan voorafgegaan. Bij vonnis van 11 september 1998 (waartegen niet is geappelleerd) heeft de president van de Haagse rechtbank een vordering van NVV c.s. om de Whv buiten werking te stellen, afgewezen. Zie s.t. landsadvocaat, § 1.1., p. 1; dit vonnis is in de onderhavige zaak niet overgelegd.

7. Prod. 3 bij m.v.a. princ../m.v.gr. inc. appel.

8. Prod. 3 bij de pleitnotities van de advocaat van NVV c.s. voor de zitting van 29 april 1999.

9. Prod. 2 bij m.v.a. princ./m.v.gr. inc. appel.

10. NJ 2001, 407, m.nt. H.J. Snijders.

11. Zie voor de brief van 25 maart 1999 en de brief van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) prod. 1-2 bij de pleitnotities van NVV c.s. voor de zitting van 29 april 1999.

12. Waarbij o.m. de in de Whv opgenomen eerste generieke korting van 10% zou worden opgeschort, maar voor het overige weer een limiet zou worden gesteld aan de varkensmestproductie.

13. Zie voor het in § 1.4.2.-1.4.4. vermelde het bestreden arrest (roo. 1.4-1.6).

14. Advocaat van NVV c.s.: s.t. onder het 2e 1.10 (p. 9); landsadvocaat: s.t. § 1.9, p. 5, ingesprongen passage.

15. HR 15 mei 1998, NJ 1999, 569, m.nt. H.J.Snijders.

16. Zie § 5 van de in de vorige voetnoot genoemde annotatie, met vermelding van literatuur.

17. Hugenholtz/Heemskerk (1998), nr. 283, p. 320, met vermelding van jurisprudentie; idem de in noot 15 genoemde annotatie, § 4.

18. Hugenholtz/Heemskerk (1998), nr. 283, p. 320.

19. Veegens/Korthals Altes/Groen, 1989, nr. 50, p. 104 e.v. met vermelding van jurisprudentie. Zie voorts HR 14 januari 2000, NJ 2000, 188, waarin het ging over een procedure in hoger beroep.

20. Met verbetering van een kennelijke verschrijving (305 m.z. 305a)

21. In vergelijkbare zin o.m. HR 21 november 1997, NJ 1998, 283, m.nt. G.-R. de Groot.

22. In het hiervóór, sub 1.3., genoemde 1e kort geding.

23. Vgl. Grondwet, T. & C. (Fleuren) aant. 3 bij art. 93 en aant. 5 bij art. 94.

24. HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, m.nt. M. Scheltema. Zie ook mijn conclusie voor dit arrest, onder 4.3. De Staat (s.t. landsadvocaat, onder 2.2.) heeft naar dat arrest verwezen.

25. "Een rechterlijke uitspraak heeft, voorzover zij niet inhoudt een bevel of verbod, geen gevolg ten aanzien van een persoon tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekt en die zich verzet tegen naleving van de uitspraak ten opzichte van hem." (Kamerst. [II, 1991-1992] 22 486, nr. 2, p. 2).

26. M.v.t., kamerst. a.v., nr. 3, p. 32-33.

27. Tweede nota van wijziging, kamerst. [ II, 1992-1993], 22 486, nr. 9, p. 2.

28. Vermogensrecht, losbl., (A.W. Jongbloed), aant. 26 op art. 305a. Zie ook N. Frenk, Kollektieve akties in het privaatrecht, diss. UU, (1994), p. 142-145.

29. M.v.t, kamerst. [ II, 1991-1992], 22 486, nr. 3, p. 26-27. Voorts m.v.a. II [1992-1993], nr. 5, p. 12 e.v. en handelingen II, 28 oktober 1993, p. 18-1295 en p. 18-1299.

30. Zie m.v.t., p. 26-27, m.v.a. II, p. 14 onder 4, handelingen TK, 28 oktober 1993, p. 18-1299, voorts m.v.a. I, [1993-1994], nr. 103b, p. 2.

31. Handelingen II, 28 oktober 1993, p. 18-1294 en p. 18-1300; handelingen I, 29 maart 1994, p. 26-1387.

32. In dezelfde zin Frenk, a.w., p. 143.

33. Term ontleend aan de m.v.t., a.v., p. 33.

34. Vgl. de s.t. van de landsadvocaat, § 2.5, 3e al., p. 8.

35. Prod. 11-13 bij de pleitnotities van de advocaat van NVV c.s., zitting van 29 april 1999.

36. Antw. op de vragen van de leden Atsma en Schreijer-Pierik, 15 april 1999, TRCJZ/1999/3888, prod. 8 bij de in de vorige noot genoemde pleitnotities.

37. Brief van de minister van LNV van 8 maart 1999, prod. 6 bij de in noot 35 genoemde pleitnotities.

38. Vgl. HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, m.nt. M. Scheltema (Staat/LSV), ro. 3.4.

39. Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, art. 6.3.1.5a, p. 667 en HR 3 september 1999, NJ 1999, 718.

40. Parl. Gesch. Boek 6, t.a.p, p. 670.

41. S.t., § 2.6, p. 9.

42. Prod. 4 bij m.v.a. Zie ook pleitnotities landsadvocaat in appel, p. 9-10.

43. Vgl. HR 3 januari 1964, NJ 1964, 445 (ad 2e middel), m.nt. G.J. Scholten.