Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE0551

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
00687/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE0551
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 7
Wetboek van Strafvordering 358
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 282
NJ 2002, 361
VR 2002, 126
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00687/01

Mr Wortel

Zitting: 12 maart 2002

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch met bevestiging, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda wegens 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2. "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van f 3.000,= subsidiair 35 dagen hechtenis, alsmede, ten aanzien van feit 1, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. G.H. Rompen, advocaat te Eersel, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het verweer, inhoudende dat verzoeker zich niet heeft schuldig gemaakt aan overtreding van het in art. 7 WVW 1994 opgenomen verbod aangezien hij na het ongeval de gelegenheid heeft geboden zijn identiteit en die van het voertuig vast te stellen, ten onrechte is verworpen.

4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verzoeker, voor zover hier van belang, verklaard:

"Nadat het ongeval had plaatsgevonden, heb ik eerst een boer gewaarschuwd, die mij heeft geholpen mijn auto aan de kant van de weg te zetten. Ik heb de politie niet gebeld, omdat ik uit hoofde van mijn beroep weet dat de politie bij een eenzijdig ongeval met alleen materiële schade toch niet komt. De boer die ik gewaarschuwd heb kende ik."

terwijl de raadsman bij pleidooi heeft aangevoerd:

"Met betrekking tot feit 2 ben ik van mening dat niet gezegd kan worden dat cliënt de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit achter te laten. Ik verwijs daarvoor naar een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden uit oktober 1964, waarin bepaald is dat het bekendmaken van de identiteit van de veroorzaker van het ongeval aan een omwonende voldoende is. In casu is cliënt na het ongeval naar [betrokkene] gegaan, die de identiteit van cliënt al kende. De getuige [getuige] heeft tegenover de politie ook verklaard dat zij de naam van cliënt heeft gehoord. Er is cliënt dan ook geen verwijt in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 te maken en ik verzoek het hof om cliënt van het onder 2 ten laste gelegde vrij te spreken."

5. Het komt mij voor dat het Hof het aldus aangevoerde had moeten aanmerken als een beroep op het tweede lid van art. 7 WVW 1994, waarin is bepaald dat het in art. 7, eerste lid, aanhef en onder a WVW 1994 gegeven verbod niet van toepassing is op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover het de bestuurder van een motorrijtuig betreft, de identiteit van dat voertuig. Op dat verweer, waarvan de strekking is dat het tenlastegelegde na bewezenverklaring geen strafbaar feit oplevert, dient op grond van art. 358, derde lid Sv een met redenen omklede beslissing te worden gegeven.

6. Die beslissing is noch in het vonnis van de Politierechter, noch in het, dat vonnis bevestigend, arrest van het Hof te vinden. Dit verzuim behoeft echter niet tot cassatie te leiden op grond van het navolgende.

7. Art. 7, eerste lid, aanhef en onder a, WVW 1994 strekt ertoe zoveel mogelijk te bevorderen dat degenen aan wie schade is toegebracht over de gegevens kunnen beschikken die zij nodig hebben om de veroorzaker van die schade aan te spreken.

Met het oog daarop kan alleen worden aangenomen dat de betrokkene bij een verkeersongeval op behoorlijke wijze de gelegenheid heeft geboden zijn identiteit en, indien het om de bestuurder van een motorrijtuig gaat, de identiteit van dat voertuig vast te stellen, indien hij hetzij degene aan wie de schade is toegebracht, hetzij een persoon die geacht kan worden de belangen van de gelaedeerde waar te nemen, in staat heeft gesteld die identiteitsgegevens op te nemen, vgl HR NJ 1981, 431 en E.F. Stamhuis en J. Remmelink, Hoofdstuk 4, p. 200 - 201, in: De Wegenverkeerswet 1994 (A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe, red.), 2de druk.

8. Het door en namens verzoeker aangevoerde houdt niet in dat aan deze eis is voldaan. In de omstandigheid dat verzoeker de hulp van een hem bekende persoon ([betrokkene]) heeft ingeroepen voor het verplaatsen van zijn auto kan dat niet besloten liggen. Er is niet gesteld dat verzoeker er vanuit kon gaan dat deze [betrokkene] de belangen van de eigenaar van de door verzoeker omver gereden lichtmast zou behartigen door de benodigde persoons- en voertuiggegevens vast te leggen en aan die eigenaar door te geven. Bovendien heeft verzoeker in het midden gelaten of deze [betrokkene] wel op de hoogte was van alle relevante gegevens, zoals verzoekers adres.

Om dezelfde reden kon het betoog geen steun vinden in de omstandigheid dat een omstander ([getuige]) verzoekers naam heeft horen noemen.

9. Anders dan ten aanzien van ambtenaren van politie kan van omstanders, al zouden zij min of meer op de hoogte zijn van de identiteit van een schadeveroorzaker, niet worden aangenomen dat zij zullen doen wat nodig is om de belangen van de gelaedeerde te behartigen. Nu door of namens verzoeker niet is gesteld dat verzoeker daar in dit geval wèl op mocht vertrouwen kon het Hof het verweer slechts verwerpen.

Het middel is daarom vruchteloos voorgesteld.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,