Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE0155

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2002
Datum publicatie
18-03-2002
Zaaknummer
C00/133HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE0155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 172
NJ 2004/126 met annotatie van W.M. Kleijn
RvdW 2002, 60
M en R 2002/129
JWB 2002/111
JM 2002/117 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Hartkamp

nr. C00/133HR

zitting 9 november 2001

Conclusie inzake

1) [Eiseres 1]

2) [Eiser 2]

3) [Eiser 3]

4) [Eiseres 4]

tegen

De Staat der Nederlanden

Feiten en procesverloop

1) De in cassatie relevante feiten zijn vastgesteld in het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 16 dec. 1998 (r.o. 1) en in het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 jan. 2000 (r.o. 3.2). Het komt erop neer dat [erflater] (de eisers tot cassatie zijn zijn gezamenlijke erfgenamen en worden hierna eveneens als [eiser] aangeduid) tussen 1949 en 1996 eigenaar was van een (in een waterwingebied gelegen) perceel grond met opstallen te [woonplaats], waarop hij een garagebedrijf met benzinepomp heeft uitgeoefend en vliegtuigbrandstof heeft opgeslagen; dat dit terrein in verband met een bodemverontreiniging in 1986 is gesaneerd, waarbij 99% van de verontreinigde grond is verwijderd; dat de kosten van de sanering ad ƒ 536.090,74 ten laste van het Rijk en de gemeente [...] zijn gekomen; dat de onderhandse verkoopwaarde van de grond direct vóór de sanering is getaxeerd op nihil en direct erna op ƒ 345.000,-; en dat de Staat dit laatste bedrag (alsmede de kosten van de taxatie ad ƒ 3.396,-) bij dagvaarding van 29 april 1997 van [erflater] heeft gevorderd op grond van ongerechtvaardigde verrijking, zich beroepend op art. 75 lid 3 Wet bodembescherming (in werking getreden 15 mei 1994).

2) De Rechtbank heeft de vordering afgewezen, omdat zij het beroep van [erflater] op verjaring heeft gehonoreerd. Het hof heeft echter geen verjaring aangenomen en, na verwerping van de overige verweren van [erflater], de vordering toegewezen.

3) [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en een middel voorgesteld dat is opgebouwd uit twee onderdelen, beide verdeeld in subonderdelen. De Staat heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

4) De primaire klacht komt op tegen de verwerping van [erflaters] beroep op verjaring. Na een inleiding onder 1 wordt in subonderdeel 1.1 geklaagd dat 's hofs beslissing dat art. 119a Ow van toepassing is, onjuist is "op grond van de uit de wetgeschiedenis blijkende strekking van art. 199a (lees 119a, ASH) Ow, zoals door [eiser] in de feitelijke instanties uitvoerig is uiteengezet." Deze klacht voldoet niet aan de in art. 407 lid 2 Rv. gestelde eisen, omdat niet wordt meegedeeld wat volgens het middel de strekking van art. 119a is en evenmin de vindplaatsen worden opgegeven waarop de steller van het middel doelt. Gezien het belang van deze kwestie voor de praktijk zal ik echter ten overvloede mijn mening erover geven.

5) Het onderdeel moet m.i. falen omdat 's hofs beslissing juist is. Die beslissing houdt in dat, terwijl bij gebreke van stuiting voor 1 jan. 1993 de verjaring volgens art. 3:310 lid 1 BW in verbinding met art. 73 Ow op die datum zou zijn voltooid, dit gevolg niet is ingetreden door de werking van art. 119a Ow, dat bepaalt dat terzake van een vordering tot vergoeding van schade die een gevolg is van verontreiniging van lucht, water of bodem, de termijn van vijf jaren bedoeld in art. 3:310 lid 1 niet vóór 1 jan. 1997 eindigt. Bij toepasselijkheid van deze bepaling is de verjaring tijdig gestuit, namelijk op 16 dec. 1996.

De argumenten van [eiser] tegen toepasselijkheid van art. 119a zijn m.i. niet steekhoudend.

Naar de letter genomen valt een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking evenzeer onder de bepaling als een vordering uit onrechtmatige daad (evenals beide vorderingen onder art. 3:310 vallen).

De parlementaire geschiedenis van wetsvoorstel 22 599 inzake Verjaring van de vordering tot vergoeding van schade door milieuverontreiniging (dat heeft geleid tot de Wet van 24 dec. 1992, Stb. 1992, 691, waarbij art. 119a in de Overgangswet Nieuw BW is ingevoegd) geeft geen reden om daarover anders te oordelen. In de memorie van toelichting wordt immers niet gesteld of gesuggereerd dat de bepaling niet op de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van toepassing zou zijn. Veeleer verwijst de memorie van toelichting naar de artikelen 21 Interimwet bodemsanering en 47 (later vernummerd tot 75) Wet bodembescherming, waarin (de verhaalsmogelijkheid door middel van) die vordering wordt geregeld.

Aan 's hofs beslissing staat - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - ook niet in de weg de passage uit die memorie van toelichting (Algemeen, onder 7), waarop [erflater] zich beroept en die de rechtbank in r.o. 9 van haar vonnis citeert. In die opvatting zou het trouwens moeilijk verklaarbaar zijn waarom - nadat een sanering is verricht - de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet, maar die uit onrechtmatige daad wel onder art. 119a Ow zou vallen: ook voor die laatste vordering geldt immers dat het probleem van de moeilijkheidsgraad van de ontdekking van een bodemverontreiniging geen rol meer speelt.(1)

De door het hof geciteerde passage in de nota naar aanleiding van het eindverslag over wetsvoorstel 21 556 (1992-1993, nr. 21, p. 52) inzake de Uitbreiding van de Wet bodembescherming met een regeling over de sanering van de bodem (welk voorstel heeft geleid tot de Wet van 10 mei 1994, Stb. 1994, 331) geeft aan dat de wetgever bij de behandeling van laatstvermeld wetsvoorstel van oordeel is geweest dat art. 119a Ow moet worden uitgelegd in de door het Hof aangegeven zin. Uiteraard bindt deze in het kader van de behandeling van een ander wetsvoorstel uitgesproken opvatting de rechter niet(2) (evenmin trouwens als de parlementaire geschiedenis van een uit te leggen wetsbepaling zèlf de rechter bindt(3)), maar het is de rechter geenszins verboden om een dergelijke opvatting bij zijn uitleg van de desbetreffende wetsbepaling te laten meewegen.

Tenslotte stellen ook de lagere rechtspraak en de literatuur zich op dit standpunt; zie Rb. Groningen 17 april 1998, Jur. Milieurecht 1998, 104 m.nt. Von Meijenfeldt en de noten van Simons-Vinckx in TMA 1998, p. 77 en Gelpke in M en R 1998, p. 322; Rb. Assen 27 april 1999, Jur. Milieurecht 1999, 35 en 30 jan. 2001, Jur. Milieurecht 2001, 17.

6) Subonderdeel 1.2 bevat de klacht dat het Hof heeft nagelaten gemotiveerd te beslissen dat en waarom de schade, bestaande in de door de Staat ongerechtvaardigd geachte vermogensverschuiving (ten laste van de Staat en ten gunste van [erflater] als gevolg van de sanering) een gevolg is van verontreiniging van de bodem. Het subonderdeel vervolgt dat, zo het arrest die beslissing wel inhoudt, zij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien die schade niet in - kort gezegd - het door art. 6:98 vereiste verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [erflater] berust. Daartoe zou nodig zijn dat op het tijdstip van de bodemverontreiniging aan [erflater] duidelijk was dat het algemeen belang van een schoon milieu werd geschaad en dat daardoor vermogensrechtelijk nadeel voor de Staat ontstond. Die duidelijkheid is er pas vanaf 1 jan. 1975, terwijl de bodemverontreiniging vele jaren vóór die datum is ontstaan, aldus het subonderdeel.

De klacht wordt m.i. tevergeefs voorgesteld. 's Hofs beslissing in r.o. 3.8, eerste zin dat de onderhavige schade van de Staat een gevolg is van de bodemverontreiniging (van de sanering waarvan de Staat de kosten mede heeft gedragen) is uiteraard alleszins begrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.(4)

Wat het vervolg van de klacht betreft zij allereerst opgemerkt dat de toepasselijkheid van art. 6:98 bij de ongerechtvaardigde verrijking wel bepaalde problemen oproept,(5) maar dat het subonderdeel daarop niet doelt, omdat het aanvoert dat het toerekeningsverband ontbreekt op grond van het feit dat, kort gezegd, voor [erflater] ten tijde van de bodemverontreiniging de door de Staat te lijden schade onvoorzienbaar was.

De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag, dat niet vaststaat dat de bodemverontreiniging 'vele jaren vóór 1 jan. 1975' is ontstaan. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat [erflater] in elk geval tot 1 augustus 1967 een garagebedrijf met benzinepomp heeft uitgeoefend en dat hij het terrein 'in de jaren '70' heeft gebruikt voor de opslag van vliegtuigbrandstof.

Ook voor het overige faalt zij, omdat het criterium waarop zij zich beroept afkomstig is uit de rechtspraak van de Hoge Raad inzake de verhaalsactie op grond van onrechtmatige daad,(6) en niet van toepassing is op de verhaalsactie op grond van ongerechtvaardigde verrijking.(7) De toewijsbaarheid van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wordt bepaald door de vereisten art. 6:212 (zo nodig in verbinding met de art. 6:95 e.v.).(8) Het hof heeft beslist dat [erflater] als gevolg van de sanering en de daardoor opgetreden waardevermeerdering van zijn grond ten koste van de Staat is verrijkt; dat deze verrijking ongerechtvaardigd is; en dat het niet meer dan redelijk is dat [erflater] de schade van de Staat tot het bedrag van zijn verrijking voldoet, omdat [erflater] als exploitant van het garagebedrijf en de huisbrandolietank zelf bij de bodemverontreiniging betrokken is geweest. Deze beslissing geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zij is geenszins onbegrijpelijk.

7) Op het in de vorige alinea gestelde stuiten naar mijn mening ook alle klachten van subonderdeel 2 af. De klacht dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet kan slagen omdat [erflater] het perceel grond niet heeft gekocht met een speculatieve bedoeling, miskent dat de wet de toewijsbaarheid van de vordering niet van die voorwaarde afhankelijk stelt. Voorts kan [erflater], die zoals gezegd verantwoordelijk was voor de exploitatie in verband waarmee de verontreiniging is ontstaan, uiteraard niet gelijk worden gesteld met de 'onschuldige eigenaar' waarvan in het subonderdeel sprake is.(9) Ook is uiteraard onjuist dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking alleen met succes kan worden ingesteld tegen een eigenaar aan wie een onrechtmatige daad kan worden verweten.(10) De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking staat immers naast die uit onrechtmatige daad(11) en niet blijkt dat de wetgever van de Wet bodembescherming daarover anders heeft gedacht.(12)

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Daarbij vergeleken is, naar het mij voorkomt, het (ook in de memorie van toelichting genoemde) probleem van de opsporing van de verantwoordelijke persoon slechts van beperkt belang. Dit kan trouwens ook bij de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking spelen.

2 Zie in iets ander verband Hartkamp, Wetsuitleg en rechtstoepassing na de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (inaugurele rede Utrecht 1992), p. 8/9.

3 Zie Hartkamp, a.w. (noot 2), p. 13/14.

4 Zie G.A. van der Veen, Bodemsanering en ongerechtvaardigde verrijking, Bouwrecht 1995, p. 815/6.

5 Zie Hartkamp, Ongerechtvaardigde verrijking naast overeenkomst en onrechtmatige daad (inaugurele rede Universiteit van Amsterdam 2001, tevens in WPNR 6440/1), nr. 4.

6 Zie de rechtspraak vermeld bij Asser-Hartkamp 4-III (1998), nr. 98.

7 G.A. van der Veen, Bodemsanering en ongerechtvaardigde verrijking, Bouwrecht 1995, p. 817; Van Acht/Bauw, Milieuprivaatrecht (tweede druk 1996), p. 150 lijken hierover anders te oordelen (althans in die zin dat zij menen dat het criterium via de in art. 6:212 opgenomen clausule "voor zover dit redelijk is" tot gelding zou moeten komen), maar zij hebben daarbij het oog op gevallen waarin de grond wordt verworven door iemand die de bedoelde wetenschap niet heeft. In andere gevallen zal toch in elk geval een onderscheid gemaakt moeten worden al naar gelang de bodemverontreiniging al dan niet aan de eigenaar is toe te rekenen; vgl. A-G Loeb in zijn conclusie (nr. 3.10) voor HR 24 mei 1995, NJ 1996, 744. Zie ook Van der Wilt, Het saneringsbevel in de Wet bodembescherming (diss. UvA 2000), p. 173 e.v.

8 Dat geldt ook voor de verhaalsactie in de Wet bodembescherming; zie aldus reeds voor art. 21 Interimwet bodemsanering Tweede Kamer, 1982, 16 821, nr. 24 (derde nota van wijziging), p. 5/6. Er zijn enkele kleine afwijkingen, maar die zijn voor ons onderwerp niet van belang. Zie Uniken Venema, Handboek milieuaansprakelijkheid, D1250-4 (wordt verrijkt) en 10 (de Staat kan ook schade van provincie en gemeente verhalen).

9 Zie de in noot 8 vermelde vindplaats: "Uiteraard geldt deze bepaling niet ten aanzien van degene die door sanering in zijn oorspronkelijke vermogenspositie is hersteld: van de eigenaar bijvoorbeeld van een woning waaronder de grond verontreinigd is - zonder dat de eigenaar dat wist of hem de verontreiniging kan worden toegerekend - kan men niet zeggen dat hij door een sanering wordt bevoordeeld; het nadeel - in de vorm van waardevermindering van zijn huis - dat het bekend worden van de verontreiniging hem heeft berokkend, wordt opgeheven; door de sanering wordt hij hersteld in zijn vermogenspositie van vóór het bekend worden van de verontreiniging." Vgl. ook art. 50 lid 4 Wet bodembescherming: de eigenaar aan wie de verontreiniging kan worden toegerekend, kan, indien de Staat de verontreinigde grond aankoopt, geen aanspraak maken op de waarde in schone staat (zie Uniken Venema, Handboek milieuaansprakelijkheid, D1250-8). In art. 74 lid 3 klinkt dezelfde gedachte door. In weer ander verband zie men de artt. 46 lid 1 en 63k lid 1 Wet Bodembescherming, telkens onder b (het ontbreken van betrokkenheid bij de verontreiniging als verweer tegen het saneringsbevel), welk criterium een reflexwerking heeft op de actie uit ongerechtvaardigde verrijking; zie Van der Wilt, Het saneringsbevel in de Wet bodembescherming (diss. UvA 2000), p. 159 e.v., 171 e.v.

10 Evenzo A-G Loeb in zijn conclusie (nr. 3.1) voor HR 24 mei 1995, NJ 1996, 744.

11 Zie bijv. de in noot 5 genoemde verhandeling.

12 Blijkens het in noot 8 geciteerde heeft de wetgever zich immers bij de regeling van het BW aangesloten. Vgl. ook de memorie van toelichting bij art. 75, derde lid, Wet bodembescherming (Tweede Kamer, 1989-1990, nr. 3, blz. 58), waar wordt gesteld dat de actie uit ongerechtvaardigde verrijking staat naast de verhaalsmogelijkheden op grond van onrechtmatige daad; het standpunt van de Minister van VROM in Tweede Kamer in de Notitie "Ongerechtvaardigde verrijking in verband met bodemsanering", 1993-1994, 22 727, nr. 11, onder 1; G.A. van der Veen, Bodemsanering en ongerechtvaardigde verrijking, Bouwrecht 1995, p. 813 e.v.; Uniken Venema, Handboek milieuaansprakelijkheid, D1250-10 e.v.